- Arrêt du 24 juin 2013

24/06/2013 - 2007AR3209

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Krachtens artikel 1035 B.W. kunnen testamenten noch in hun geheel noch ten dele worden herroepen dan door een later testament of door een akte voor notaris verleden, waarin de verandering van de wil te kennen gegeven wordt. Het hierboven bedoelde document is geen notariële akte, doch wel een onderhands testament dat voldoet aan alle voorwaarden gesteld bij artikel 970 B.W.: het is geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend. Het betwiste document is dus een geldige herroeping bij eigenhandig testament van het vroegere testament van 30 maart 1994.

De betwisting omtrent de datum van het testament (17.1 of 17.2.) doet niet ter zake. Bij artikel 1037 B.W. wordt bepaald: "De in een later testament gedane herroeping behoudt al haar kracht, al blijft die nieuwe akte onuitgevoerd wegens de onbekwaamheid van de benoemde erfgenaam of van de legataris, of wegens hun weigering om te aanvaarden".

Als enige wettige erfgenamen van wijlen .. stellen de eerste en de tweede appellante vorderingen.

Betwisting bestaat over de aanvangsdatum van de intrest die op het teruggevorderde bedrag verschuldigd is. De partijen zijn erover akkoord dat het hier gaat om verwijlintrest. Krachtens artikel 1153 B.W. is verwijlintrest slechts verschuldigd vanaf de datum van de aanmaning tot betaling. Bij gebrek aan bewijs van een daaraan voorafgaande aanmaning, valt de datum van de ingebrekestelling van de geïntimeerden hier samen met de neerlegging ter griffie van de conclusie houdende de vordering van de appellanten.

Bij tegenvordering maken de geïntimeerden aanspraak op terugbetaling van de betaalde successierechten en van de helft van een aantal gemaakte kosten.

Eerste en de tweede appellante enerzijds en de geïntimeerden anderzijds zijn wederzijds schuldeiser en schuldenaar van elkaar. In de gegeven omstandigheden bestaat er aanleiding tot gerechtelijke schuldvergelijking.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep Antwerpen - eerste kamer

2007/AR/3209

1. M. L., gepensioneerde, geboren te ... op ... en wonende te ...;

2. M. H., zonder beroep, geboren te ... op ... en wonende te ...;

3. L. H., autotechnicus, geboren te ... op ... en wonende te ...;

appellanten,

de derde appellant is verschenen in persoon en werd bijgestaan door mr. Filip Laeveren loco mr. Dominique Duerinck, advocaat te 2220 Heist-op-den-Berg, Palmbosstraat 18A, die tevens verschenen is voor de overige appellanten;

tegen het vonnis van de 4e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 17 november 2004, aldaar gekend onder nr. A.R. 04/404/A;

tegen:

1. D. B., zonder gekend beroep, geboren te ... op ... en wonende ...;

2. F. B., zonder gekend beroep, geboren te ... op ... en wonende te ...;

3. J. B., zonder gekend beroep, geboren te ... op ... en wonende te ...;

geïntimeerden,

allen vertegenwoordigd door mr. Maria Fabi Lambrechts, advocaat te 2590 Berlaar, Ezenhoek 15;

* * * * *

1. Wat betreft de feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen en het procesverloop in het verleden, verwijst het hof naar zijn tussenarresten van 3 november 2008, 27 april 2009, 16 november 2009 en 29 maart 2010.

2. Op 21 april 2011 is de aangestelde deskundige, J. V., overgegaan tot de neerlegging ter griffie van zijn deskundigenverslag. In dat verslag komt hij tot het volgende besluit:

"Om al die redenen dienen we te besluiten dat de kwestieuze handtekening en schriftuur op het betwiste stuk, zoals hiervoor omschreven, met een aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de hand is van wijlen L. H.".

3. De standpunten van de partijen zoals zij thans geformuleerd worden

3.1. Naar luid van hun op 14 mei 2013 ter terechtzitting neergelegde "laatste syntheseconclusies hoger beroep na deskundig verslag" vragen de appellanten:

- hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen;

- opnieuw te oordelen;

- in hoofdorde,

de vordering van de geïntimeerden tot vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen L. H. niet ontvankelijk, minstens ongegrond, te verklaren;

op tegenvordering,

te zeggen voor recht:

i. dat het eigenhandig testament dateert van 17 januari 1999 en een rechtsgeldig testament is dat het testament van 30 maart 1994 herroept;

ii. de tweede en de derde appellant(e) de enige wettige erfgenamen zijn van wijlen L. H.;

iii. de geïntimeerden ieder te veroordelen tot terugbetaling aan de tweede en de derde appellant(e) van alle gelden door hen geïnd en afkomstig uit die nalatenschap, meer bepaald 67.556,36 EUR per geïntimeerde, vermeerderd met de verwijlintrest aan de wettelij-ke rentevoet op de som van 8.356,36 EUR vanaf 12 mei 2002 en met de verwijlintrest aan de wettelijke rentevoet op de som van 59.200,00 EUR vanaf 6 januari 2004;

en de geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen;

- in ondergeschikte orde, voor het geval mocht aangenomen worden dat niet met zekerheid kan vastgesteld worden dat het testament een herroeping uitmaakt van het testament van 30 maart 1994, hen alvorens verder recht te doen toe te laten aan te tonen dat dit wel degelijk het geval is door met getuigen de hiernavolgende feiten te bewijzen:

"1. "Dat in 2002 de Heer L. H. nog duidelijk heeft gezegd aan zijn nicht en diens echtgenoot, zijnde het echtpaar H.-V., dat "die van de verzekeringen (= geïntimeerden) ook niet moeten denken dat ze aan mijn erfenis zijn."

2. Dat Mevrouw M. L., wijlen de Heer J. H., de Heer L. H. en Mevrouw M. H. noch voor, noch op het ogenblik van en noch na de redactie van het testament van 17.01.1999 in onmin hebben geleefd met de Heer L. H.".

3.2. Bij hun op 7 mei 2013 ter griffie neergelegde "synthesebesluiten na deskundig onderzoek" vragen de geïntimeerden:

- het hoger beroep van de appellanten ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren en hen te veroordelen tot de kosten van het geding;

- hun incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dien-volgens:

i. te zeggen voor recht dat het geschrift van 17 februari 1999 geen testament is en dat zij bijgevolg de enige wettige erfgenamen zijn van wijlen L. H. ingevolge het authentieke testament van 30 maart 1994;

ii. de vereffening-verdeling te bevelen van de onverdeelde onroerende goederen aldaar nader omschreven; te bevelen dat te dien einde zal worden overgegaan tot de veiling van deze goederen; hiertoe notaris V. te N. aan te stellen als boedelnotaris en notaris V. d. P. met vertegenwoordigingsbevoegdheid;

- en de appellanten te veroordelen tot de kosten van de beide aanleg-gen;

- in ondergeschikte orde, hen toe te laten het bewijs te leveren met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat de inhoud van het geschrift van 17 februari 1999 geen herroeping kan zijn;

- uiterst ondergeschikt, de appellanten te veroordelen tot terugbetaling van de door hen betaalde successierechten en kosten voor een totaal bedrag van 279.430,72 EUR, meer de intrest vanaf de respectieve betaaldata.

4. Beoordeling ten gronde

4.1. Aangaande de echtheid, de juridische kwalificatie, de geldigheid en de datum van het document van 17.(1 of 2).1999

4.1.1. De partijen blijven betwisting voeren omtrent de echtheid, de juridische kwalificatie, de geldigheid en de datum van het document van 17.(1 of 2).1999.

4.1.2. De echtheid

Om oordeelkundige redenen, die het hof tot de zijne maakt, besluit de deskundige dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat de handtekening en het geschrift op het hierboven bedoelde document van de hand zijn van wijlen L. H. De echtheid van het document waarvan sprake staat dan ook vast.

4.1.3. De juridische kwalificatie en de geldigheid

De inhoud van het bedoelde document luidt als volgt:

" Nijlen -17-(01of 02) - 99

Betreffende opzegging testament

Eigenhandig geschreven

Aan J. H.

...

Mijn ... bepaling van het

testament geldt alsnog op tijd voor

opvolging van bovenvermelde betekent die

volledige opzegging aan alle vorige.

Ik bied U mij verontschuldiging aan

voor mijn laattijdige verwittiging.

Met dank,

L. H.

...".

Ongeacht het ietwat onvolmaakte karakter van de gebruikte bewoordingen, is het hof niettemin van oordeel dat wijlen L. H. met het hier-boven geciteerde document zijn vorig testament van 30 maart 1994 heeft willen herroepen ten voordele van zijn broer, wijlen J. H. De aan-vang van het document maakt dat reeds duidelijk, aangezien de tekst begint met de woorden "betreffende opzegging testament". Bovendien is het document gericht aan de begunstigde van die herroeping, zijn broer en enige wettige erfgenaam, wijlen J. H. Tenslotte wordt verder in de tekst nadrukkelijk bevestigd dat het wel degelijk gaat om een "volledige opzegging aan alle vorige". Het gaat daarbij duidelijk om een "opzegging" van het testament van 30 maart 1994, aangezien er geen ander testament is.

Krachtens artikel 1035 B.W. kunnen testamenten noch in hun geheel noch ten dele worden herroepen dan door een later testament of door een akte voor notaris verleden, waarin de verandering van de wil te kennen gegeven wordt. Het hierboven bedoelde document is geen notariële akte, doch wel een onderhands testament dat voldoet aan alle voorwaarden gesteld bij artikel 970 B.W.: het is geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend. Het betwiste document is dus een geldige herroeping bij eigenhandig testament van het vroegere testament van 30 maart 1994.

De bewering van de geïntimeerden dat het onmogelijk is dat wijlen L. H. zijn testament zou hebben herroepen ten gunste van zijn broer, wijlen J. H., omdat zij in onmin leefden en niet naar elkaar omkeken, wordt niet bewezen. Met de geschreven verklaring van G. P. wordt geen rekening gehouden, omdat de objectiviteit van deze "getuige" kan worden betwijfeld. Andere stavingsstukken worden niet aangevoerd. Het door de appellanten in ondergeschikte orde aangeboden getuigenbewijs wordt niet toegelaten, vermits het geen betrekking heeft op een bepaald en ter zake dienend feit (artikel 915 Ger. W.).

Ook het feit dat de appellanten het hierboven bedoelde document pas in december 2004 hebben aangetroffen, kan niets veranderen aan wat voorafgaat.

4.1.4. De datum

Terecht laten de appellanten gelden dat de betwisting omtrent de datum van het testament (17.1 of 17.2.1999) niet ter zake doet.

Bij artikel 1037 B.W. wordt bepaald:

"De in een later testament gedane herroeping behoudt al haar kracht, al blijft die nieuwe akte onuitgevoerd wegens de onbekwaamheid van de benoemde erfgenaam of van de legataris, of wegens hun weigering om te aanvaarden".

Het toepassingsgebied van deze wetsbepaling is niet beperkt tot de twee daarin vermelde gevallen (onbekwaamheid en weigering van de lega-taris). Ook andere gevallen waarin het laatste testament onuitgevoerd blijft, vallen onder de regel. Dat is bijvoorbeeld het geval met het vooroverlijden van de nieuwe legataris. Daaruit volgt dat, ook en zelfs wanneer het laatste testament van wijlen L. H. mocht dateren van 17 februari 1999, dus van na het overlijden op 7 februari 1999 van de nieuwe legataris, wijlen J. H., en daardoor onuitgevoerd blijft, de herroeping van het vroegere testament van 30 maart 1994 niettemin zijn volle uitwerking blijft behouden. De datum (17.1 of 17.2.1999) van het betwiste testament is dus irrelevant wat die herroeping betreft.

4.2. Aangaande de gevolgen van de herroeping van het vroegere testament van 30 maart 1994

4.2.1. Als gevolg van de herroeping daarvan, kan het vroegere testament van 30 maart 1994 geen uitwerking meer hebben. Bij gebrek aan andersluidend testament geldt de wettelijke devolutie. Dientengevolge komt de nalatenschap van wijlen L. H. integraal toe aan zijn wettige erfgenamen, de tweede en de derde appellant(e).

4.2.2. De (tegen)vordering van de eerste en de tweede appellante

Als enige wettige erfgenamen van wijlen L. H. vorderen de eerste en de tweede appellante:

- dat voor recht wordt gezegd dat zij eigenaars zijn van de helft van

een blok te verkavelen grond, gelegen te ..., bekend ten kadaster, ..., groot 5834 m², toebehorend aan de nalatenschap van wijlen L. H.;

- dat elk van de geïntimeerden wordt veroordeeld tot betaling aan

hen van een bedrag van 67.556,36 EUR in hoofdsom (of in totaal 202.669,08 EUR), dit wegens onterecht ontvangen gelden afkomstig uit de nalatenschap van wijlen L. H.

Die vorderingen worden toegekend, mede bij gebrek aan nadere argumentatie door de geïntimeerden van hun betwisting dienaangaande.

Betwisting bestaat wel over de aanvangsdatum van de intrest die op het teruggevorderde bedrag verschuldigd is. De partijen zijn erover akkoord dat het hier gaat om verwijlintrest. Krachtens artikel 1153 B.W. is verwijlintrest slechts verschuldigd vanaf de datum van de aanmaning tot betaling. Bij gebrek aan bewijs van een daaraan voorafgaande aanmaning, valt de datum van de ingebrekestelling van de geïntimeerden hier samen met de neerlegging ter griffie van de conclusie houdende de vordering van de appellanten, zijnde 30 mei 2008.

4.2.3. De vordering van de geïntimeerden

Bij tegenvordering maken de geïntimeerden aanspraak op terugbetaling van de betaalde successierechten (272.900,73 EUR) en van de helft van een aantal gemaakte kosten (6.529,99 EUR), meer de intrest vanaf de respectieve betaaldata.

Terecht laten de appellanten gelden dat enkel de hoofdsom van de

successierechten (267.440,49 EUR) door de geïntimeerden kan worden teruggevorderd, niet de intrest die daarop verschuldigd was wegens laattijdige betaling. Het verschuldigd zijn van die intrest is immers te wijten, louter aan het gebrek aan diligentie van de geïntimeerden zelf, zodat zij zelf de last daarvan te dragen hebben.

Op de aangerekende hoofdsommen kan ook hier slechts verwijlintrest aan de wettelijke rentevoet verschuldigd zijn vanaf de neerlegging ter griffie door de geïntimeerden van de besluiten houdende hun vordering tot terugbetaling, zijnde 1 oktober 2012.

Mede bij gebrek aan verdere argumentatie door de appellanten van hun betwisting daarvan, wordt de tegenvordering van de geïntimeerden voor het overige toegekend.

4.2.4. Gerechtelijke compensatie

Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de eerste en de tweede appellante enerzijds en de geïntimeerden anderzijds wederzijds schuldeiser en schuldenaar van elkaar zijn. In de gegeven omstandigheden bestaat er aanleiding tot gerechtelijke schuldvergelijking. De wederzijdse schuldvorderingen van de voornoemde partijen worden uitgedoofd tot beloop van het kleinste bedrag.

4.3. Aangaande de gedingkosten

4.3.1. Als in het ongelijk gestelde partijen worden de geïntimeerden veroordeeld tot de kosten van de beide aanleggen (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

4.3.2. De rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg wordt vereffend op het bedrag van 174,76 EUR, deze in hoger beroep op het (geïndexeerde) basistarief van 7.700,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 250.000,01 EUR tot 500.000,00 EUR).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, na herneming van de zaak gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- werkt de tussenarresten van 3 november 2008, 27 april 2009, 16 november 2009 en 29 maart 2010 verder uit;

- verklaart de (tegen)vordering van de tweede en de derde appellant(e) gegrond als volgt:

i. zegt voor recht dat de tweede en de derde appellant(e) de

eigenaars zijn van de helft van een blok te verkavelen grond, gelegen te ..., bekend ten kadaster, ..., groot 5834 m², voorheen toe-behorende aan wijlen L. H.;

ii. veroordeelt elk van de geïntimeerden tot betaling aan de tweede en de derde appellant(e) van een bedrag van 67.556,36 EUR in hoofdsom (of in totaal 202.669,08 EUR), telkens vermeerderd met de verwijlintrest aan de wettelijke rentevoet op dat bedrag te

rekenen vanaf 30 mei 2008 tot en met de datum van de effectieve betaling;

- verklaart de vordering van de geïntimeerden gegrond als volgt:

veroordeelt de tweede en de derde appellant(e) tot betaling aan de geïntimeerden van het bedrag van 273.970,48 EUR, vermeerderd met de verwijlintrest aan de wettelijke rentevoet op dat bedrag te rekenen vanaf 1 oktober 2012 tot en met de datum van de effectieve betaling;

- stelt vast dat de wederzijdse schuldvorderingen van de tweede en de derde appellant(e) en van de geïntimeerden elkaar compenseren en dat die schuldvorderingen worden uitgedoofd tot beloop van het kleinste bedrag daarvan;

- veroordeelt de geïntimeerden tot de kosten van de beide aanleggen en vereffent deze aan de zijde van de appellanten gevallen kosten als volgt:

◦ de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg: 174,76 EUR

◦ het rolrecht hoger beroep: 186,00 EUR

◦ de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 7.700,00 EUR

◦ de kosten van het deskundigenonderzoek: 4.099,85 EUR

Dit arrest werd gewezen door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

D. FIERENS plaatsvervangend raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS D. FIERENS

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

De raadsheer, dd. voorzitter van de eerste kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 782bis, eerste lid Ger. W. in openbare zitting van VIERENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND DERTIEN.

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Onderhands testament

  • herroeping

  • artikel 1035 BW

  • artikel 1037 BW

  • artikel 970 BW