- Arrêt du 26 juillet 2013

26/07/2013 - 2010AR688

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I.Art. 901 BW. De noodzaak van maximale pijnstilling en de beverigheid bij de ondertekening impliceren niet noodzakelijk het voldoende precieze en omstandige bewijs van de ongezondheid van geest op het ogenblik zelf van de rechtshandeling.

II. Het bezit van een lichamelijk roerend goed dat leidt tot eigendom (in de zin van artikel 2279 BW) mag niet aangetast zijn door het gebrek van dubbelzinnigheid (art. 2229 BW).


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/688

INZAKE VAN :

1) De heer L. V.,

2) De heer B.,

3) De heer Jos B.,

4) Mevrouw Ann B.,

in hun hoedanigheid van wettelijke erfgenamen van wijlen Mevrouw Maria V.,

5) De heer V., wonende

6) De heer Marcel V.,

7) De heer René V.,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 31 maart 2009,

vertegenwoordigd door Meester MITCHAUX loco Meester José DEVOS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Sint-Lambertusstraat 16,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw Gr. J.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester GOUNAKIS loco Meester Kristin STAS, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 138,

I. Artikel 901 BW. Gezondheid van geest. Maximale pijnstilling. Beverigheid bij de ondertekening.

II. Artikelen 2229 en 2279 BW. Bezit. Gebreken. Dubbelzinngheid van het bezit.

I. De noodzaak van maximale pijnstilling en de beverigheid bij de ondertekening impliceren niet noodzakelijk het voldoende precieze en omstandige bewijs van de ongezondheid van geest op het ogenblik zelf van de rechtshandeling.

II. Het bezit van een lichamelijk roerend goed dat leidt tot eigendom (in de zin van artikel 2279 BW) mag niet aangetast zijn door het gebrek van dubbelzinnigheid (art. 2229 BW).

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 31 maart 2009.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt:

"

2.1. Eisers [de heren en mevrouw V.] zijn broers en zus, wettelijke erfgenamen van wijlen G;. V.die overleden is te Leuven op 14 oktober 2006, zonder partner of kinderen na te laten.

Verweerster [mevrouw Gr. J.] was de buurvrouw en vrouw van een achterneef van G;. V.. Zij hielp hem bij alle praktische zaken die hij omwille van zijn slechte fysieke toestand niet meer alleen kon. Zij had ook een niet beperkte volmacht op zijn Argenta zichtrekening 979-9499199-91, volmacht geldig voor alle rekeningen met dezelfde titularissen.

2.2. Op 11 oktober 2006 is er 52.000 euro van rekeningnummer 979-9499199-91 van G. V.overgeschreven naar rekening nummer 979-2263438-45 op naam van verweerster.

2.3. Op 2 mei 2007 en opnieuw op 3 juli 2007 vroeg notaris X. die door de erfgenamen was aangesteld voor de verrichtingen van vereffening en verdeling van de nalatenschap, aan verweerster, naar de verantwoording van deze overschrijving. Hij stelde haar in gebreke over te gaan tot terugbetaling.

Op 8 juli 2007 schreef verweerster aan de notaris dat G. V.geen enkel familielid meer zag en verweerster wilde belonen, dat hij zei, 'Ge hebt volmacht, gaat naar de bank, het is voor U, ik ben eraan'. Verweerster betaalde ook de successierechten op de 52.000 euro.

Er volgde verder briefwisseling tussen advocaten maar partijen kwamen niet tot een vergelijk.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderden de heren en mevrouw V. de veroordeling van mevrouw Gr. J. tot de betaling aan hen van 52.000,00 EUR, plus de verwijlintresten daarop vanaf 11 oktober 2006 en de gerechtelijke interesten. Zij maakten voorbehoud voor een uitbreiding van de vordering. Ondergeschikt vroegen ze voorbehoud voor het neerleggen van stukken met betrekking tot de gezondheidstoestand van G;. V..

Mevrouw Gr. J. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroeg zij toegelaten te worden tot het getuigenbewijs over het feiten van de schenking en de mentale en fysieke geschiktheid van G. V.daartoe.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heren en mevrouw V.ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde hen tot betaling van de kosten.

3.3

Mevrouw Maria V. is overleden en de partijen B. hervatten het geding als haar wettelijke erfgenamen. Zij hebben samen met de heren V. hoger beroep ingesteld. Zij hernemen de oorspronkelijke vordering.

Mevrouw Gr. J. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

4.1.1 De grond van de vordering

Zoals voor de eerste rechter beroept mevrouw Gr. J. zich in eerste instantie op het bezit als titel van eigendom op basis van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek. Zij is inderdaad niet genoodzaakt onmiddellijk een beroep te doen op haar titel van schenking. Het staat aan de heren en mevrouw V.en B. het bewijs te leveren van de gebreken van dit bezit (artikelen 1315 en 2268 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Terecht oordeelde de eerste rechter dat het bezit van mevrouw Gr. J. dubbelzinnig is, omdat zij enerzijds het bezit kan hebben als volmachtdraagster van G. V.met betrekking tot zijn rekeningen, en anderzijds ingevolge de beweerde schenking. Dit bezit is dus vatbaar voor meerdere interpretaties en kan de uiting zijn van een ander recht dan dat waarop de bezitter aanspraak maakt.

In die omstandigheden draagt mevrouw Gr. J. de bewijslast met betrekking tot de schenking waarop zij zich vervolgens beroept (artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Een schenking van meer dan 375,00 EUR moet in beginsel bewezen worden middels een geschrift (artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek), minstens middels een begin van bewijs bij geschrift, aangevuld door getuigenissen en vermoedens.

Terecht heeft de eerste rechter het bankdocument van afsluiting van rekening van 10 oktober 2006 beschouwd als een begin van bewijs. Het gaat uit van de schenker, die heeft bepaald dat het saldo van zijn spaarrekening op de rekening van mevrouw Gr. J. moest worden overgemaakt, met vermelding van haar rekeningnummer en naam . Het stuk vindt bevestiging in de verklaring van de bediende van de bank Argenta, mevrouw W. S.: "Hierbij verklaar ik aanwezig te zijn geweest, samen met Mevrouw Gr. J., bij de ondertekening van de afsluiting rekening op naam 979-2263438-45 door G;. V.op 10/10/2006 in, hersteloord Terlaene te Overijse". De heren en mevrouw V. en B. betwisten overigens niet de handtekening van G. V.. De heren en mevrouw V. en B. betwisten ook niet het bestaan van een goede band tussen G;. V. en mevrouw Gr. J. in de jaren voor zijn overlijden. Zij beklemtonen dat zij zelf ook goede banden onderhielden met G;. V., maar dat doet niets af aan de relatie met mevrouw Gr. J..

Uit het stuk uitgaande van G;. V.samen genomen met de feitelijke context van praktische hulp en/of sympathie mag met zekerheid de animus donandi, de wil tot schenken, van G;. V.afgeleid worden.

Ten onrechte laten de heren en mevrouw V. en B. gelden dat het optreden van mevrouw Gr. J. bij de schenking of handgift door middel van overschrijving niet verenigbaar is met haar opdracht als volmachthouder. Uit het vermelde stuk en uit de uitvoering door middel van twee transferten van Argentarekening naar Argentarekening die zij tekende als volmachthouder kan niet afgeleid worden dat zij iets anders deed dan de uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wens van de volmachtverlener uitvoeren. Overeenkomstig het document tot afsluiting werd op 11 oktober 2006 (om 9.17 uur) 52.000,00 EUR overgemaakt van de Argentarekening van G;. V.nr. 979-5612152-28 naar zijn Argentarekening nr. 979-949919-91, en vervolgens, (om 9.18 uur) van de rekening nr. 979-949919-91 naar de Argentarekening van mevrouw Gr. J. nr. 979-2263438-45 . Dat niet rechtstreeks werd overgemaakt van de Argentarekening van G;. V.nr. 979-5612152-28 naar de Argentarekening van Mevrouw Gr. J. nr. 979-2263438-45 kan verklaard worden door de verschillende types van bankrekening (de rekeningen 979-5612152-28 en 979-2263438-45 zijn blijkens de uittreksels "max" en de rekening 979-949919-91 "golden"). Het uittreksel van het algemeen reglement der verrichtingen dat mevrouw Gr. J. neerlegt, vermeldt overigens 11 types van rekeningen . Dat op de rekeningen van de heer G. V.een klein saldo is blijven staan (volgens mevrouw Gr. J. voor mogelijke kosten van de laatste ziekte en voor de begrafenis) kan bezwaarlijk uitgelegd worden als een inbreuk van Mevrouw Gr. J. op haar opdracht als gevolmachtigde.

De heren en mevrouw V. en B. betwisten de goede geestelijke gezondheid van de heer G;. V.. Uit de beverigheid van zijn handtekening van oktober 2006 kan echter niets afgeleid worden met betrekking tot zijn geestestoestand. Het medisch verslag dat de heren en mevrouw V.en B. voor het hof neerleggen als nieuw stuk bewijst wel een bijzonder ernstige lichamelijke toestand bij de opname op 18 september 2006, maar vermeldt niets over implicaties op de geestestoestand. Uit de vermelding "patiënt is op de hoogte van situatie en wenst bij onvoldoende pijncontrole euthanasie" mag integendeel afgeleid worden dat ook de geneesheren nog meenden belangrijke wilsuitingen te kunnen noteren . Ook de noodzaak van maximale pijnstilling vermeld in het verslag en de impact daarvan impliceert niet het precieze en omstandige bewijs van de ongezondheid van geest op het ogenblik zelf van de rechtshandeling en dit op een manier die geen enkele twijfel laat bestaan.

Bij gebrek aan tegenbewijs moet dus aangenomen worden dat de heer G. V.bij zijn opdracht aan Mevrouw Gr. J. handelingsbekwaam was en gezond van geest (artikelen 901 en 1123 van het Burgerlijk Wetboek).

Het hoger beroep is dus niet gegrond.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 2.750,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van de heren en mevrouw V.en B. ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt de heren en mevrouw V.en B. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van henzelf op euro 2.936 (186 rolrecht + 2.750 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.750 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard J. DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. J. DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • I. Artikel 901 BW Gezondheid van geest. Bewijs. Impact van beverigheid bij de ondertekening. Impact van maximale pijnbestrijding II. Voor roerende goederen geldt het bezit als titel. Gebreken in het bezit (art. 2229 BW). Dubbelzinnigheid van het bezit.