- Arrêt du 7 avril 2014

07/04/2014 - 2012AR1196

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Met de appellant is het hof van oordeel dat de geïntimeerde wel degelijk een contractuele wanprestatie heeft begaan door het perceel waarvan sprake aan te geven als weiland, terwijl het in werkelijkheid bouwgrond betrof en als gevolg daarvan een tekortschatting te doen.

Van oorzakelijk verband tussen gebrek aan voorzorg en schade is sprake, wanneer de schade, zoals ze zich concreet heeft voorgedaan, niet zou zijn ontstaan zonder het gebrek aan voorzorg.

Zonder de foutieve stedenbouwkundige kwalificatie van het goed, was de waarde van het betrokken perceel in de aangifte van nalatenschap op correcte wijze aangegeven.

Dat de appellant de door de geïntimeerde opgestelde aangifte van nalatenschap voor akkoord heeft ondertekend, verandert daaraan niets.

De appellant mocht erop vertrouwen dat de geïntimeerde als specialist ter zake een correcte waardebepaling van het betrokken perceel had gedaan. Al evenmin beging de appellant een fout door de bijkomende successierechten zonder voorbehoud te betalen.

Inzake contractuele aansprakelijkheid bestaat de vergoedbare schade in het verschil tussen de actuele toestand van de benadeelde, zoals hij door de contractuele wanprestatie werd veroorzaakt, en de hypothetische toestand waarin de benadeelde zich zou bevonden hebben indien de contractuele wanprestatie niet mocht zijn begaan.

De bijkomende successierechten maken geen vergoedbare schade uit. De toestand is anders wat aangaat de intrest en de (verminderde) fiscale boete.


Arrêt - Texte intégral

2012/AR/1196

P. S.S, gepensioneerde, geboren te ... op ... en wonende te ... 7;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. Benedicte Avontroodt loco mr. Inge Faes, advocaat te 2870 Puurs, Violetstraat 32-33;

tegen het vonnis van de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van

6 maart 2012, aldaar gekend onder nr. A.R. 11/900/A;

tegen:

M. D.B., notaris, met kantoor gevestigd te ...;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Pascal Quadflieg loco mr. Ernest De Bock, advocaat te 1800

Vilvoorde, Xavier Buissetstraat 26;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- door de appellant werd indertijd aan de geïntimeerde opdracht gegeven over te gaan

tot redactie en de indiening van de aangifte van nalatenschap van wijlen zijn echtgenote, J. R., overleden op 30 januari 2007;

- op 24 mei 2007 wordt via de geïntimeerde de door de appellant ondertekende aangifte van nalatenschap ingediend;

- op 23 februari 2009 gaf de ontvanger van de registratie te P. aan de geïntimeerde kennis van een tekortschatting ten bedrage van 192.587,50 EUR op een in de nalatenschap aan-gegeven perceel grond; die tekortschatting gaf aanleiding tot het verschuldigd zijn van:

i. aanvullende successierechten: 15.051,97 EUR

ii. intrest aan 7%: 1.900,66 EUR

iii. een verminderde fiscale boete: 3.760,00 EUR

- aangezien reactie vanwege de geïntimeerde uitbleef, bracht de ontvanger zijn standpunt op 1 april 2009 rechtstreeks aan de appellant ter kennis;

- daarop heeft de appellant het standpunt van de ontvanger aanvaard: hij vroeg geen controleschatting en ging zonder voorbehoud over tot betaling, eerst van de bijvoeglijke rechten en naderhand ook van de intrest en van de boete;

- de appellant acht de geïntimeerde aansprakelijk voor deze gang van zaken; hij vordert van de geïntimeerde wegens beroepsfouten:

i. de terugbetaling van de bedragen van 3.760,00 EUR (de betaalde boete) en 1.900,66 EUR (de betaalde intrest), telkens vermeerderd met de gerechtelijke intrest;

ii. een forfaitaire schadevergoeding van 1.505,19 EUR, vermeerderd met de conven-tionele en de gerechtelijke intrest.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 6 maart 2012 op tegenspraak verleend door de eerste

kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen:

- wordt de vordering van de appellant ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard;

- wordt de geïntimeerde veroordeeld tot betaling aan de appellant van het bedrag van 320,20 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intrest en met de gedingkosten.

2.2. Bij zijn op 17 april 2012 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" tekent de appellant hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 6 maart 2012.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid Ger. W. en behan-deld op de terechtzitting van 17 februari 2014.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van zijn op 13 september 2012 ter griffie neergelegde "besluiten hoger be-roep" vraagt de appellant:

- zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen;

- opnieuw te oordelen;

- zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- bijgevolg de geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan de appellant van:

i. de boete ten bedrage van 3.760,00 EUR en de nalatigheidsintrest ten bedrage van 1.900,66 EUR, meer de gerechtelijke intrest;

ii. een forfaitaire schadevergoeding van 10% ten bedrage van 15.051,97 EUR, meer de conventionele en de gerechtelijke intrest;

- en de geïntimeerde tevens te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

3.2. Bij haar op 16 juli 2012 ter griffie neergelegde "beroepsbesluiten" vraagt de geïntimeer-de:

- het hoger beroep van de appellant ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- en de appellant te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 6 maart 2012, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De appellant vordert van de geïntimeerde schadeloosstelling wegens beroepsfouten die zij zou hebben begaan in de uitvoering van de haar toevertrouwde opdracht bestaande in de redactie en de indiening van de aangifte van nalatenschap van wijlen zijn echtgenote,

J. R.

4.2.2. Alhoewel de appellant daaromtrent het stilzwijgen behoudt, moet aangenomen wor-den dat de vordering tot schadeloosstelling van de appellant een contractuele grondslag heeft. De geïntimeerde is hier niet opgetreden in uitvoering van haar wettelijke opdracht als openbaar ambtenaar (notaris).

4.2.3. Degene die schadevergoeding vordert bij toepassing van de artikelen 1146 e.v. B.W. moet bewijzen dat door zijn contractpartij een contractuele wanprestatie werd begaan in oorzakelijk verband met de schade op vergoeding waarvan aanspraak wordt gemaakt.

4.2.4. Aangaande de contractuele wanprestatie

4.2.4.1. De appellant verwijt de geïntimeerde een dubbele contractuele wanprestatie:

- enerzijds, de tekortschatting zelf;

- en anderzijds, het gebrek aan kennisgeving van de brief van 23 februari 2009 van de ont-vanger van de registratie te P..

4.2.4.2. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat, in verband met het perceel, ..., kadastraal ge-kend ..., oppervlakte 17a 75 ca:

- in de aangifte van nalatenschap van 24 mei 2007 een waarde werd aangegeven van 2.662,50 EUR;

- de waarde door de fiscale administratie naderhand werd geschat op 195.250,00 EUR,

dit omdat in de aangifte van nalatenschap werd uitgegaan van de idee dat het hier om wei-land gaat, terwijl de bevoegde administratie het perceel kwalificeert als bouwgrond.

4.2.4.3. Met de appellant is het hof van oordeel dat de geïntimeerde wel degelijk een con-tractuele wanprestatie heeft begaan door het perceel waarvan sprake aan te geven als wei-land, terwijl het in werkelijkheid bouwgrond betrof en als gevolg daarvan een tekortschat-ting te doen voor een bedrag van maar liefst 192.587,50 EUR. Het bewijs van die wanpresta-tie volgt meer bepaald uit het feit dat de geïntimeerde de brief van 23 februari 2009 van de ontvanger van de registratie te P. zonder enig gevolg heeft gelaten en zelfs tot op heden geen plausibele verklaring geeft van de reden waarom zij er bij de redactie van de aangifte van nalatenschap kon van uitgaan dat het betrokken perceel weiland en geen bouwgrond was. Van een normaal zorgvuldig en omzichtig notaris, geplaatst in dezelfde concrete exter-ne omstandigheden, mag worden verwacht dat hij het stedenbouwkundig statuut van een onroerend goed correct inschat. De geïntimeerde is hier tekortgekomen aan haar contractu-ele verplichtingen in dit verband.

4.2.4.4. Of de geïntimeerde al dan niet ook een contractuele wanprestatie heeft begaan door aan de appellant geen kennisgeving te doen van de brief van 23 februari 2009 van de ontvanger van de registratie te P., doet hier verder niets ter zake. Ook in bevestigend geval kan dat niet leiden tot meerdere rechtsgevolgen.

4.2.5. Aangaande het oorzakelijk verband

4.2.5.1. Van oorzakelijk verband tussen gebrek aan voorzorg en schade is sprake, wanneer de schade, zoals ze zich concreet heeft voorgedaan, niet zou zijn ontstaan zonder het gebrek aan voorzorg.

4.2.5.2. Zonder de foutieve stedenbouwkundige kwalificatie van het goed, was de waarde van het betrokken perceel in de aangifte van nalatenschap op correcte wijze aangegeven. Uit niets blijkt dat de door de fiscale administratie op basis van vergelijkingspunten geschat-te waarde van dat perceel, vatbaar zou zijn voor betwisting. Het enkele feit dat door de admi-nistratie vergelijkingspunten werden gegeven gaande van 45.000,00 EUR tot 220.000,00 EUR verandert daaraan niets, vooral omdat de oppervlakte van de goedkopere percelen aanzienlijk kleiner is dan en daarom minder vergelijkbaar is met het perceel hier aan de orde.

4.2.5.3. Een eigen fout of onzorgvuldigheid van de appellant wordt door de geïntimeer-

de niet aangetoond. Dat de appellant de door de geïntimeerde opgestelde aangifte van na-latenschap voor akkoord heeft ondertekend, verandert daaraan niets en heeft al zeker niet tot gevolg dat de schatting hier zou gebeurd zijn door de appellant zelf die daarvoor alleen aansprakelijk zou zijn. De appellant mocht erop vertrouwen dat de geïntimeerde als specia-list ter zake een correcte waardebepaling van het betrokken perceel had gedaan. Al evenmin beging de appellant een fout door de bijkomende successierechten zonder voorbe-houd te betalen. De geïntimeerde bewijst niet de appellant op de hoogte te hebben gesteld van argumenten tot betwisting van het standpunt van de fiscale administratie. Uit niets blijkt dat de appellant onterecht zou nagelaten hebben een controleschatting aan te vragen en/of de door de administratie geschatte waarde aan te vechten. Dat de appellant "geen gemakkelijke" zou zijn, doet niets ter zake.

4.2.6. Aangaande de vergoedbare schade

4.2.6.1. Inzake contractuele aansprakelijkheid bestaat de vergoedbare schade in het verschil tussen de actuele toestand van de benadeelde, zoals hij door de contractuele wanprestatie werd veroorzaakt, en de hypothetische toestand waarin de benadeelde zich zou bevonden hebben indien de contractuele wanprestatie niet mocht zijn begaan.

4.2.6.2. Indien de geïntimeerde de hierboven bedoelde contractuele wanprestatie niet mocht hebben begaan, zou de appellant, boven de aanvankelijk betaalde successierechten, van meet af aan ook de bijkomende successierechten ten bedrage van 15.051,97 EUR heb-ben moeten betalen. Die bijkomende successierechten maken dan ook geen vergoedbare schade uit. De appellant maakt overigens geen aanspraak op vergoeding van dat bedrag.

4.2.6.3. De toestand is anders wat aangaat de intrest ten bedrage van 1.900,66 EUR en de (verminderde) fiscale boete ten bedrage van 3.760,00 EUR. Zonder de contractuele wanpres-tatie van de geïntimeerde waren die bedragen door de appellant niet verschuldigd. Die be-dragen zijn bijgevolg vergoedbare schade. Die vergoedbare schade ten bedrage van 5.660,66 EUR kan als hoofdsom worden vermeerderd met:

- (niet de moratoire, maar) de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet te reke-nen vanaf de datum van betaling (3 september 2009) tot de datum van de inleidende dagvaarding (27 mei 2011);

- de gerechtelijke vergoedende intrest aan dezelfde rentevoet te rekenen vanaf laatst-bedoelde datum tot heden.

4.2.6.4. Meerdere vergoedbare schade bewijst de appellant niet. Zijn vordering tot toeken-ning van een forfaitaire schadevergoeding van 10% van 15.051,97 EUR wordt bijgevolg on-gegrond verklaard. Voor toekenning van conventionele intrest is geen rechtsgrond voorhan-den.

4.2.6.5. Wel zijn de voormelde bedragen nog te vermeerderen met de gerechtelijke moratoi-re intrest aan de wettelijke rentevoet te rekenen vanaf heden tot en met de datum van de effectieve betaling.

4.2.7. Aangaande de gedingkosten

4.2.7.1. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de geïntimeerde veroordeeld tot de kosten van de beide aanleggen (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

4.2.7.2. De rechtsplegingsvergoeding wordt per aanleg vereffend op het (geïndexeerde) ba-sistarief van 990,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 5.000,01 EUR tot 10.000,00 EUR).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

- hervormt het bestreden vonnis;

- oordeelt opnieuw;

- verklaart de vordering van de appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

- veroordeelt de geïntimeerde tot betaling aan de appellant van het bedrag van 5.660,66 EUR, vermeerderd met:

o de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet te rekenen vanaf 3 september 2009 tot 27 mei 2011;

o de gerechtelijke vergoedende intrest aan dezelfde rentevoet te rekenen vanaf laatst-bedoelde datum tot heden;

o de gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke rentevoet te rekenen vanaf

heden tot en met de datum van de effectieve betaling;

- veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen en vereffent deze aan de zijde van de appellant gevallen kosten als volgt:

o de inleidende dagvaarding en het rolrecht: 223,37 EUR

o de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg: 990,00 EUR

o het rolrecht hoger beroep: 186,00 EUR

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 990,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVEN APRIL TWEEDUIZEND VEER-TIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Aansprakelijkheid notaris

  • contractuele wanprestatie

  • aangifte van nalatenschap

  • oorzakelijk verband

  • vergoedbare schade