- Arrêt du 22 juin 2011

22/06/2011 - 2010/AA/560

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Een vreemdeling wiens verblijf geregulariseerd wordt, heeft recht op maatschappelijke dienstverlening vanaf de datum van de beslissing van de bevoegde minister waaraan geen voorwaarden werden verbonden. Het loutere feit dat de vreemdeling pas enkele maanden later effectief in het vreemdelingenregister werd ingeschreven wijzigt dit niet.


Arrêt - Texte intégral

Eindarrest op tegenspraak

Vierde kamer

Leefloon

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST A.R. 2010/AA/560

BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ELF

In de zaak:

OPENBAAR CENTRUM voor MAATSCHAPPELIJK WELZIJN van ANTWERPEN,

met zetel te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 33,

appellante,

ter zitting vertegenwoordigd door

tegen:

x,

wonende te 2100 Deurne, Van Haverlei 18,

geïntimeerde,

ter zitting verschijnend in persoon en bijgestaan door mr.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 22 september 2010 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen,

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 22 oktober 2010,

- de beschikking in toepassing van artikel 747 §2 Ger.W. van 1 december 2010,

- de conclusies van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 januari 2011,

- de conclusies van appellante, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 31 januari 2011,

- de syntheseconclusies van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 11 maart 2011,

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 1 december 2010 en 25 mei 2011.

I. ONTVANKELIJKHEID

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 22 oktober 2010, tekent het OCMW van Antwerpen hoger beroep aan tegen een vonnis van 22 september 2010 (A.R. 10/1.688/A) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.

Het vonnis werd aan het OCMW van Antwerpen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid Ger.W., bij gerechtsbrief op 28 september 2010.

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn.

II. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE

Geïntimeerde is een 30-jarige Serviër, die gezin vormt met zijn 28-jarige echtgenote, eveneens afkomstig uit Servië, en hun vier kinderen. Het gezin verblijft in België sedert 2004.

Zij deden een aantal asielaanvragen die telkens werden geweigerd. Op 23 september 2009 kreeg het gezin bericht dat er een positieve beslissing werd genomen inzake hun regularisatieaanvraag waardoor ze gemachtigd werden tot een verblijf van onbepaalde duur. Een inschrijving in het vreemdelingenregister liet evenwel op zich wachten. Het gezin werd uiteindelijk slechts ingeschreven op 25 februari 2010.

Het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van 9 december 2009 besliste om geen equivalent leefloon toe te kennen, evenals geen toelage inwonende personen, vanaf 28 oktober 2009, omdat zij op dat ogenblik geen geldige verblijfsdocumenten hadden.

Tegen deze beslissing tekende geïntimeerde beroep aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen.

Nadat hun inschrijving in het vreemdelingenregister in orde kwam, besliste het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van 31 maart 2010 om aan betrokkene financiële hulp te verlenen met ingang vanaf 25 februari 2010, datum van hun inschrijving in het vreemdelingenregister.

Bij vonnis van 22 september 2010 vernietigde de arbeidsrechtbank te Antwerpen de beslissing van het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van 9 december 2009 waarbij het equivalent leefloon werd geweigerd vanaf 28 oktober 2009 en zegde voor recht dat eiser en zijn gezin gerechtigd zijn op equivalent leefloon vanaf 28 oktober 2009 tot en met 24 februari 2010.

Het OCMW te Antwerpen tekende tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 22 oktober 2010.

Ondertussen werd geïntimeerde door appellante begeleid op het vlak van tewerkstelling en op 10 augustus 2010 begon hij ook effectief te werken binnen het bestuur van appellante in het kader van een sociale tewerkstelling. Met ingang van augustus 2010 werd de financiële hulp dan ook stopgezet door appellante.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

Appellante vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis van 22 september 2010 te vernietigen en de beslissingen van het Bijzonder Comité Sociale Bijstand van 9 december 2009 te bevestigen.

Geïntimeerde vordert het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en het vonnis van de arbeidsrechtbank van 22 september 2010 te bevestigen en appellante te verwijzen in de kosten van het geding.

IV. TEN GRONDE

Vooreerst dient vastgesteld dat er een equivalent leefloon wordt gevraagd. Op een leefloon heeft het echtpaar immers geen recht aangezien zij niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, hierna RMI-wet, dat bepaalt dat een vreemdeling maar recht heeft op een leefloon indien hij ingeschreven is in het bevolkingsregister (zie artikel 3, 3°, 3de streepje RMI-wet) terwijl zij enkel ingeschreven zijn in het vreemdelingenregister.

Bovendien is de betwiste periode beperkt van 28 oktober 2009 tot en met 24 februari 2010. Bij beslissing van 31 maart 2010 werd er immers een equivalent leefloon verleend aan het gezin vanaf 25 februari 2010.

Het OCMW weigert het equivalent leefloon in voormelde periode omdat het gezin geen geldige verblijfsdocumenten zou hebben en bovendien omdat het gezin in die periode haar behoeftigheid niet aantoont.

4.1. Geldig verblijf

Bij beslissing van 22 september 2009 werden alle leden van het gezin gemachtigd om op het grondgebied te verblijven. Deze verblijfsmachtiging was niet verbonden aan enige voorwaarde en gold voor onbeperkte duur. De wettigheid van deze beslissing wordt niet in vraag gesteld en er zijn geen elementen in het dossier die erop wijzen dat deze beslissing zou aangetast zijn door enige onwettigheid.

Het OCMW stelt dat het gezin pas op 25 februari 2010 ingeschreven werd in het vreemdelingenregister en voordien niet beschikten over een verblijfsdocument.

Recht op verblijf vanaf beslissing tot regularisering van verblijf

Op het ogenblik van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, wordt het gezin gemachtigd om op het grondgebied te verblijven. Deze beslissing voorziet nergens dat dit verblijfsrecht aan voorwaarden is verbonden en heeft dus volledige uitwerking vanaf de datum van beslissing.

Het loutere feit dat het gezin pas op 25 februari 2010 werd ingeschreven in het vreemdelingenregister doet hieraan geen afbreuk nu het verblijfsrecht werd vastgesteld vanaf 22 september 2009.

Het gezin verbleef dan ook legaal op het grondgebied vanaf 22 september 2009 en beschikte dus over een recht op verblijf zij het dat zij, om redenen onafhankelijk van hun wil, nog niet over een materiële verblijfstitel beschikten aangezien als gevolg van administratieve formaliteiten, de aflevering van de verblijfsvergunning pas enkele maanden later heeft plaats gevonden.

Weliswaar heeft een vreemdeling die illegaal in het land verblijft heeft enkel recht op dringende medische hulp en niet op een equivalent leefloon (artikel 57, §2 OCMW-wet), maar deze bepaling vindt geen toepassing voor personen die nog niet in het bezit zijn van een verblijfstitel maar wel legaal op het grondgebied verblijven.

In de voorbereidende werken van de wet tot wijziging van de vreemdelingenwet en van de OCMW-wet wordt trouwens gesteld dat het OCMW steun dient te verlenen aan vreemdelingen die "onregelmatig" in het land verblijven: "zijnde de vreemdeling die legaal in het Rijk verblijft maar materieel niet in het bezit is van zijn verblijfstitel" (Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, Parl.St. Kamer, 1995-96, nr. 364/1, 59).

Het gezin, dat op het ogenblik van de aanvraag derhalve legaal op het grondgebied verbleef, heeft dan ook een principieel recht op steun vanaf de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken op 22 september 2009.

Administratieve formaliteiten

Het OCMW stelt dat er in de tussenperiode toch geen recht is op steun omdat er, vooraleer kan overgegaan worden tot de inschrijving, een aantal administratieve formaliteiten moeten vervuld worden zoals het kunnen voorleggen van een nationaal paspoort of van een bewijs van nationaliteit waarbij er geen bewijs is dat het gezin in de materiële onmogelijkheid verkeerde om hun legaliteit aan te tonen.

Nochtans kan uit de beslissing van 22 september 2009 niet afgeleid worden dat de verlening van het verblijfsrecht zou afhangen van het al dan niet voorleggen van een nationaal paspoort. De beslissing stelt immers dat indien betrokkenen hun identiteit niet kunnen bewijzen, hun naam op de elektronische kaart dient voorafgegaan te worden door een bepaalde lettercode. Het al dan niet voorleggen van identiteitspapieren is dan ook geen voorwaarde voor de verlening van een verblijfsrecht voor onbepaalde duur.

Evenmin is er enige bepaling in de verblijfswetgeving die bepaalt dat het toegekende verblijfsrecht maar geldig is na voorlegging van een nationaal paspoort. Het OCMW kan het al dan niet voorleggen van bepaalde documenten dan ook niet inroepen om tot een niet legaal verblijf te besluiten en de steun te weigeren.

Door de voorlegging van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, bewijst het gezin hun recht op verblijf en kon de gevraagde steun om deze reden niet afgewezen worden.

Het gezin was dan ook, om administratieve redenen en in dit geval om redenen onafhankelijk van hun wil, enkel in de materiële onmogelijkheid om te kunnen aantonen dat zij in voormelde periode op wettige wijze op het grondgebied bevond. Nergens wordt trouwens enig document voorgelegd waaruit blijkt dat het gezin een bepaalde voorwaarde niet zou nagekomen hebben waardoor de aflevering van de verblijfstitel door hun toedoen vertraging zou opgelopen hebben.

Er is dan ook een principieel recht op steunverlening overeenkomstig de OCMW-wet indien aan de andere voorwaarden van deze wet voldaan wordt.

4.2. Behoeftigheid

Het OCMW stelt dat het gezin niet aantoont van in de periode van 28 oktober 2009 tot en met 24 februari 2010 behoeftig te zijn geweest.

Artikel 1 OCMW-Wet bepaalt dat éénieder een leven moet kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

Het is de aanvrager die moet kunnen aantonen dat hij geen leven kan leiden dat hieraan beantwoordt (Arbh. Antwerpen 16 mei 2001, Soc. Kron. 2002, 547).

In een arrest van 17 december 2007 besliste het Hof van Cassatie dat geen enkele wettelijke bepaling verbiedt dat het recht op maatschappelijke dienstverlening met terugwerkende kracht wordt toegekend voor de periode tussen de aanvraag en de eventuele toekenning op voorwaarde dat de aanvrager aantoont dat hij in die periode geen leven kon leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (Cass. 17 december 2007, JTT 2008, 112 en www.cass.be).

Het gezin moet derhalve aantonen dat zij in voormelde periode geen menswaardig bestaan kon leiden in de zin van artikel 1 OCMW-wet.

Uit het sociaal verslag blijkt dat op het ogenblik van de aanvraag het OCMW geen onderzoek heeft gedaan naar de behoeftigheid maar de steun heeft geweigerd omwille van "ongeldige verblijfsdocumenten".

Om aan te tonen dat het gezin geen menswaardig bestaan kon leiden in deze periode, wordt er een schrijven voorgelegd van de CAW Metropool van 18 november 2010 waaruit blijkt dat er in die periode door CAW steun werd gezocht om de huur te betalen en ook om hen verder uit de nood te helpen (stuk 2, bundel).

Verder werden ze in september 2010 aangemaand om hun elektriciteit te betalen die ze in de betwiste periode niet hebben betaald (stuk 3, bundel) en blijkt uit een schrijven van de verhuurder dat in de maanden januari en februari 2010 de huur niet kon betaald worden (stuk 4, bundel). Voor de maanden ervoor blijkt uit het schrijven van het CAW dat deze ten laste werd genomen door een andere organisatie om hen uit de nood te helpen.

Ook uit een schrijven van de school kan afgeleid worden dat er geen middelen waren voor eten en onderwijs (stuk 5, bundel).

Dat het gezin op dat ogenblik zich in een mensonwaardige toestand bevond, wordt bevestigd door het sociaal verslag van het OCMW dat werd opgesteld bij hun nieuwe aanvraag in februari 2010. Hierin wordt gesteld dat het een gunstig huisbezoek betreft in een mooi en groot appartement maar dat het gezin geen huisraad heeft en enkel beschikt over een matras die ze op straat gevonden zouden hebben en in stukken zouden gesneden hebben om de kinderen niet op de grond te laten slapen.

Blijkbaar was deze vaststelling voldoende om vanaf februari 2010 toch steun te verlenen waaruit kan afgeleid worden dat ook het OCMW op dat ogenblik van mening was dat het gezin behoeftig was.

Aangezien uit de andere stukken kan afgeleid worden dat deze behoeftigheid reeds vastgesteld kon worden vanaf hun aanvraag tot steun, kan een recht op steun worden vastgesteld voor de periode van 28 oktober 2009 tot en met 24 februari 2010.

Het gezin heeft voor de beperkte periode recht op een equivalent leefloon als gezin met minderjarige kinderen.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 25 mei 2011, waarover partijen verklaren geen opmerkingen te hebben.

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Doet uitspraak op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 september 2010.

Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het OCMW van Antwerpen

Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door:

Mots libres

  • Sociale voorzorg

  • openbare centra voor maatschappelijk welzijn

  • taken van het OCMW

  • algemene taken en uitvoering

  • maatschappelijke dienstverlening

  • regularisatie van verblijf

  • recht vanaf datum van de beslissing van de bevoegde minister

  • latere inschrijving in het vreemdelingenregister.