- Arrêt du 6 mai 2011

06/05/2011 - 2009/AB/052562

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Een CAO brugpensioen stelt als voorwaarde voor het conventioneel brugpensioen dat de betrokken bedienden hun akkoord betuigen met de opzeggingstermijn vastgesteld in art. 82 §2 van de AOW.

Dit wetsartikel bepaalt de opzeggingstermijn die door de werkgever moet in acht genomen worden op ten minste drie maanden voor de bedienden die minder dan vijf jaar in dienst zijn.

De omstandigheid dat de opzeggingstermijn de wettelijke minimumtermijn overschrijdt doet er niet aan af dat de termijn bepaald wordt met inachtname van artikel 82 §2.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 MEI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

Op tegenspraak als gevolg van art. 775 Ger. W.

definitief

In de zaak:

PAJA KUNSTSTOFFE JAESCHKE GmbH, vennootschap naar Duits recht, met vennootschapszetel te 51503 RÖSRATH - DUITSLAND Bergische Landstrasse 104 (Postfach 1240, D - 51493 RÖSRATH),

appellante,

vertegenwoordigd wordt door mr. DUYSTER Edgar, advocaat te 4700 EUPEN, Vervierser Strasse 10

maar die ter zitting niet verschijnt en niet vertegenwoordigd wordt.

Tegen:

L.B. , wonende te [xxx],

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VANNESTE Jos, advocaat te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het tussenarrest van dit hof en deze kamer van 3 september 2010

- de conclusie na heropening der debatten voor de appellant, neergelegd ter griffie op 2 november 2010,

- de conclusie na heropening der debatten voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 4 januari 2011;

- de voorgelegde stukken;

Gehoord de geïntimeerde partij in haar middelen en verdediging uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 8 april 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

1. Het arbeidshof kan verwijzen naar het tussenarrest van 3 september 2010, waarin de feiten en rechtspleging werden weergegeven.

Het hoger beroep werd ontvankelijk verklaard en, rekening houdend met de devolutieve kracht van het hoger beroep, werd reeds beslist over de pro rata 13e maand, de uitwinningsvergoeding en het vakantiegeld einde dienst.

De debatten werden heropend wat betreft de opzeggingsvergoeding en het brugpensioen, alsook wat betreft de afrekening van de commissielonen.

De opzeggingsvergoeding en het brugpensioen.

2. Het hof vroeg de partijen om duidelijkheid te geven of zij nu al dan niet akkoord konden gaan met een opzeggingstermijn van 3 maanden en of er hierover een overeenkomst was. Tevens dienden ze op te helderen of reeds een deel van de opzeggingstermijn werd gepresteerd.

Uit de conclusies in hoger beroep na heropening der debatten blijkt dat geen overeenkomst over de opzeggingstermijn tussen partijen werd bereikt en dat de heer L.B. enkel in ondergeschikte orde wilde instemmen met een opzeggingsvergoeding op basis van 3 maanden, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat het conventioneel brugpensioen alleen bij een dergelijke opzeggingstermijn kan worden toegekend.

Partijen bevestigen dat één maand van de opzeggingstermijn werd gepresteerd, zodat de opzeggingsvergoeding in die zin kan worden verminderd.

3. Artikel 3, laatste lid van de CAO van 26 juni 2007 tot verlening van het stelsel van conventioneel brugpensioen vanaf de leeftijd van 58 jaar, afgesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid (KB 2 juli 2008, BS 9 oktober 2008) stelt als voorwaarde voor het conventioneel brugpensioen dat de betrokken bedienden hun akkoord betuigen met de opzeggingstermijn vastgesteld in artikel 82 §2 van de arbeidsovereenkomstenwet.

Dit wetsartikel bepaalt de opzeggingstermijn die door de werkgever moet in acht genomen worden op ten minste drie maanden voor de bedienden die minder dan vijf jaar in dienst zijn.

De omstandigheid dat de opzeggingstermijn de wettelijke minimumtermijn overschrijdt doet er niet aan af dat de termijn bepaald wordt met inachtname van artikel 82 §2 (Cass. 29 oktober 2007, JTT 2008, 255).

Aan deze regel wordt geen afbreuk gedaan door de bepaling van de CAO, waarin niet aangegeven wordt dat de opzeggingstermijn van 3 maanden per schijf van 5 jaar anciënniteit enkel een minimumtermijn is, want alleszins primeert de wettelijke bepaling van art. 82 §2 van de arbeidsovereenkomstenwet op een CAO-bepaling (art 9 en 51 CAO-wet van 5 december 1968).

4. Rekening houdend met de leeftijd van de heer L.B. (58 jaar, ° 26 maart 1949), zijn anciënniteit van iets minder dan 4 jaar, zijn functie van handelsvertegenwoordiger en het basisloon van euro 80.493,68 kan de heer L.B. aldus terecht aanspraak maken op een opzeggingstermijn van 8 maanden, zodat hij recht heeft op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 7 maanden of euro 80.493,68/12 x 7 = euro 46.954,67.

5. De heer L.B. kan tevens aanspraak maken op het conventioneel brugpensioen op basis van de CAO van 26 juni 2007; hij vraagt dan ook terecht afgifte van een volledig ingevuld ondertekend en gedagtekend C17 brugpensioenformulier en betaling van de aanvullende vergoeding.

De afrekening van de commissielonen

6. In artikel 11 van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald dat de heer L.B. recht heeft op commissieloon volgens de bijlage 3 van zijn contract.

Hierin wordt bepaald dat het commissieloon bepaald wordt op 2% van de nettoverkooppijs van een levering die een gewicht van 10 ton overtreft. Bij een lager gewicht is de commissie 3%. De nettoverkoopprijzen worden bepaald op grond van art. 17 van de overeenkomst.

7. De heer L.B. heeft op deze basis een afrekening opgemaakt van de nog verschuldigde commissielonen voor een bedrag van euro 15.067,94 (zijn stuk 4).

Paja houdt voor dat de heer L.B. door middel van collusie met een voormalig verkoopsdirecteur commissielonen heeft kunnen in rekening brengen voor klanten, die op de klantenlijst waren doorstreept, wat er op zou duiden dat ze niet tot de actieradius van de heer L.B. behoorden.

Het hof heeft hierover een precisering van de afrekening gevraagd, maar de heer L.B. brengt thans stukken voor, waaruit blijkt dat hij wel degelijk de klanten bediend heeft, waarvoor hij commissieloon inbrengt.

Op de rekening wordt immers de naam van de heer L.B. vermeld als zijnde degene die het order heeft binnengebracht. Wanneer zijn naam niet uitdrukkelijk vermeld is, omdat men een vorig document heeft overgenomen, toont de heer L.B. met bijkomende stukken aan dat het order door zijn tussenkomst tot stand kwam.

Dit geldt voor de op de lijst doorstreepte klanten Maes Matress, Lano, Beaulieu, Iko sales, Pittsburg Corning, Orotex, Beaulieu Real, Latexco en Domo.

De overige 17 doorstreepte klanten werden door de heer L.B. niet bewerkt, maar hiervoor vraagt hij ook geen commissieloon.

Het commissieloon van 2% of 3 % wordt aangerekend in overeenstemming met bijlage 3.

8. Tenslotte verantwoordt de heer L.B. met zijn stuk 5 dat er ook nog achterstallig commissieloon van euro 15.560,51 verschuldigd is, doordat Paja door de niet uitbetaling van deze bedragen het verschuldigde vakantiegeld wilde compenseren.

Met betrekking tot artikel 39 stelde het Hof van Cassatie uitdrukkelijk dat het vakantiegeld niet in het loon kan worden begrepen (Cass. 1 juni 1987, JTT 1987, 313 met noot C. Wantiez). In het cassatiearrest van 15 januari 1990 (R. W. 1990 -91, 359) wordt daaraan toegevoegd dat partijen bij de arbeidsovereenkomst ook niet geldig kunnen bedingen dat zulks wel het geval zal zijn (in dezelfde zin Cass. 25 oktober 1999, Soc. Kron. 2000, 383).

Zijn vordering is dan ook gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Het tussenarrest van 3 september 2010 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis integraal wat betreft de afgifte van de documenten brugpensioen onder verbeurte van een dwangsom en de veroordeling tot betaling van de aanvullende vergoeding;

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, veroordeelt de GMBH Paja Kunststoffe Jaecke tot betaling aan de heer L.B. van volgende bedragen:

- een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 46.954,67

- achterstallig commissieloon van euro 15.067,94

- achterstallig commissieloon 2005-2006 wegens foutieve recuperatie vakantiegeld of euro 15.560,51

te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 30 september 2007 en de gerechtelijke intresten op bruto.

Veroordeelt de GMBH Paja Kunststoffe Jaecke tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van beide partijen begroot op:

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 5.000

Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 5.000

door het hof wegens indexatie vereffend op euro 5.500

totaal euro 10.500

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Jan LINDEMANS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Jan LINDEMANS, Roger VANDENPUT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 6 mei 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEDIENDEN

  • CAO brugpensioen.