- Arrêt du 17 novembre 2011

17/11/2011 - 2010/AB/924

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Valt onder het toepassingsgebied van de paritaire comités nr. 140 en 226 de activiteit die zich beperkt tot de verpakking van de aangeleverde goederen, zonder dat een nieuw product wordt voortgebracht. Door het aanbrengen van een bijzondere verkoopsverpakking, zelfs wanneer deze verkoopsverpakking noodzakelijk is voor de veiligheid of het bewaren van het product, wordt geen nieuw product gecreëerd. Er is evenmin sprake van het voortbrengen van een nieuw product wanneer de goederen geplaatst worden in een verkoopsdisplay dat door de producent van de goederen mee geleverd wordt.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 NOVEMBER 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

RIJSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, KBO 0206.731.645, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, appellant, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54

tegen:

DDH PACKING NV, met maatschappelijke zetel te 2220 HEIST-OP-DEN-BERG, Schaliehoevestraat, 12, KBO 0463.900.916, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DEVILLE Guido, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 25-06-2010 door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 09/12039),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 oktober 2010,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 20 oktober 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De nv DDH Packing is een firma die zich essentieel bezighoudt met de verpakking van goederen die door andere ondernemingen geproduceerd worden. Haar voornaamste activiteit was oorspronkelijk toegespitst op de verpakking van batterijtjes, aangeleverd door de firma Duracell, maar heeft zich in de loop van de jaren uitgebreid tot activiteiten voor andere firma's.

De nv DDH Packing viel tot het jaar 2009 voor haar arbeiderspersoneel onder de bevoegdheidssfeer van het paritair comité 100 (aanvullend paritair comité voor arbeiders) en voor haar bediendenpersoneel onder het paritair comité 218 (aanvullend paritair comité voor bedienden). Deze toewijzing steunde op een advies van de Dienst Collectieve Arbeidsbetrekkingen uit het jaar 2000.

2.

Bij Koninklijk Besluit van 7 mei 2007 werden de bevoegdheden van het paritair comité voor het vervoer en de logistiek (nr. 140) en van het paritair comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek (nr. 226) uitgebreid. De benaming van de paritaire comités werd ook gewijzigd in die zin dat in de benaming de bevoegdheid voor de logistiek werd ingelast.

Ingevolge deze uitbreiding werden beide paritair comités onder meer bevoegd voor:

"Ondernemingen die voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten uitoefenen. Onder logistieke activiteiten wordt verstaan: ontvangst, opslag, weging, verpakking, etikettering, voorbereiding van bestellingen, het beheer van voorraden of verzending van grondstoffen, goederen of producten in de verschillende stadia van hun economische cyclus, zonder dat er nieuwe halfafgewerkte of afgewerkte grondstoffen, goederen of producten werden voorgebracht."

3.

Ingevolge de nieuwe bevoegdheden van deze paritaire comités is blijkbaar binnen de onderneming betwisting ontstaan over de vraag of de activiteiten van de onderneming niet dienden te vallen onder de paritaire comités nr. 140 en 226.

Op initiatief van de nv DDH Packing werd een nieuw onderzoek gevraagd bij de Dienst voor Collectieve Arbeidsbetrekkingen bij de FOD tewerkstelling en arbeid. De inspecteur, die het onderzoek ter plaatse uitvoerde, adviseerde dat de nv DDH Packing in de toekomst diende te ressorteren onder de paritaire comités 140 en 226. In een later intern advies werd geadviseerd de vroegere toewijzing van de paritaire comités nr. 100 en 218 te behouden, maar uiteindelijk besliste de directie van de Dienst voor Collectieve Arbeidsbetrekkingen het oorspronkelijke advies van de inspecteur ter plaatse te volgen.

Ingevolge dit advies heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de nv DDH Packing ter kennis gebracht dat in de toekomst alle aangiften in de sociale zekerheid der werknemers rekening dienden te houden met deze nieuwe paritaire comités.

4.

Bij dagvaarding van 25 juni 2009 heeft de nv DDH Packing de betwisting voorgelegd aan de arbeidsrechtbank te Brussel.

In zijn vonnis van 25 juni 2010 volgde de arbeidsrechtbank de stelling van de nv DDH Packing. De arbeidsrechtbank zegde voor recht dat de nv DDH Packing voor haar arbeiderspersoneel onder toepassing viel van het paritair comité nr. 100 en voor haar bediendenpersoneel onder toepassing van het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden (paritair comité nr. 218). De arbeidsrechtbank verklaarde de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om de nv DDH Packing met ingang van 1 april 2009 in te schrijven onder de werkgeverscategorie 083 (van toepassing voor de werkgevers die ressorteren onder de paritaire comités 140 en 226) nietig en beval de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om de nv DDH Packing met terugwerkende kracht opnieuw in te schrijven onder de werknemerscategorie 010 (van toepassing voor de werkgevers die ressorteren onder de paritaire comités 100 en 218).

De rechtbank verleende verder akte aan partijen van hun akkoord volgens hetwelk de nv DDH Packing, in afwachting van een definitieve rechterlijke beslissing, haar trimestriële aangifte verder kon indienen onder de werkgeverscategorie 010.

5.

Bij verzoekschrift van 7 oktober 2010 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis zodanig dat het vonnis ook geacht moet worden tijdig te zijn ingeleid. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwijst in zijn verzoekschrift in hoger beroep in de eerste plaats naar de klassieke rechtspraak in verband met de criteria die bepalend zijn om na te gaan onder welke paritair comité een onderneming ressorteert. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wijst erop dat het toepassingsgebied van het paritair comité bepaald wordt door de hoofdactiviteit van de betrokken onderneming, waarmee bedoeld wordt de gewone of normale activiteit die de onderneming ontwikkelt. Het gaat aldus volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet om de activiteit van het personeel, maar wel om de activiteit van de onderneming.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid analyseert dan verder de bevoegdheid van de paritaire comités nr. 140 en 226, zoals die bepaald wordt sinds het Koninklijk Besluit van 7 mei 2007.

Ze gaat daarbij in op de verschillende activiteiten die de nv DDH Packing ontwikkelt in twee onderscheiden afdelingen, te weten de afdeling "Automated Packing" en de afdeling " Display Packing". In beide gevallen zou het volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gaan om een zuivere verpakkingsactiviteit, zonder dat daarbij een nieuw product gecreëerd wordt.

2.

De nv DDH Packing vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij gaat in de eerste plaats uitvoerig in op de vroeger uitgebrachte adviezen en op de adviezen die in het kader van de huidige betwisting werden uitgebracht. Zij geeft ook een gedetailleerde beschrijving van de door haar uitgeoefende activiteiten in twee onderscheiden afdelingen.

Zij analyseert dan verder het toepassingsgebied van de paritaire comités nr.140 en 226. Zij benadrukt dat, opdat een onderneming onder toepassing zou vallen van één of beide paritaire comités, vereist is dat zij logistieke activiteiten uitoefent, dat zij deze activiteiten uitoefent voor rekening van derden en dat zij uitsluitend logistieke activiteiten voor rekening van derden uitoefent.

Bij het begrip logistieke activiteit benadrukt zij dat, volgens de omschrijving van het paritair comité, er geen sprake meer kan zijn van een verpakkingsactiviteit wanneer er nieuwe halfafgewerkte of afgewerkte grondstoffen, goederen of producten worden voortgebracht. In verband met deze laatste begrippen (halfafgewerkte of afgewerkte grondstoffen of producten), merkt zij op dat deze begrippen niet bepaald worden in het Koninklijk Besluit dat de bevoegdheid van de paritaire comités omschrijft, maar dat deze begrippen wel reeds omschreven werden in een cassatiearrest van 15 december 2008 met betrekking tot de toepassing van 3,4° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid. Volgens dit arrest moet onder gedeeltelijk afgewerkt product worden verstaan een product dat nog niet klaar is om aan de consument te worden aangeboden, en dat nog een bepaalde bewerking vereist alvorens het verkoopbaar is. Zij stelt dat deze omschrijving ook aansluit bij het de definitie die de term afgewerkt product krijgt in het algemeen taalgebruik. Zij verwijst ook naar een EU Richtlijn van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, die het onderscheid maakt tussen een verkoopsverpakking en een verzendverpakking. Volgens de nv DDH Packing zou alleen een verzendverpakking onder toepassing kunnen vallen van de paritaire comités 140 en 226.

De nv DDH Packing gaat dan in op de voorwaarde dat het paritair comité slechts bevoegd is ten aanzien van de ondernemingen die activiteiten uitoefenen voor rekening van derden en de voorwaarde dat deze ondernemingen uitsluitend logistieke activiteiten uitoefenen voor rekening van derden. Zij stelt dat, in tegenstelling met hetgeen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voorhoudt, de bevoegdheid van het paritair comité in functie van de wettelijke bepalingen niet mag bepaald worden in functie van de hoofdactiviteit van de onderneming .

De nv DDH Packing onderzoekt dan de toepassing in concreto van deze voorwaarden op haar onderneming.

Zij onderzoekt in de eerste plaats de activiteit binnen de afdeling "Automated Packing" waarin, hoofdzakelijk machinaal, door de firma Duracell aangeleverde batterijtjes worden verpakt in verkoopsverpakkingen van twee of vier batterijtjes. Volgens haar is het aanbrengen van de uiteindelijke verkoopsverpakking geen logistieke activiteit. Zij verwijst daarbij opnieuw naar het cassatiearrest van 15 december 2008. Volgens haar kan er geen sprake zijn van een loutere verpakkingsactiviteit wanneer de verkoopsverpakking noodzakelijk is om het product aan de eindgebruiker te kunnen verkopen. Dit is volgens de nv DDH Packing in casu het geval omdat de verpakking van de batterijen noodzakelijk is om de batterijen verkoopbaar te maken omdat anders een kortsluiting tussen de batterijen zou kunnen ontstaan en de levensduur zonder verpakking zou ingekort worden. Aldus zou een nieuw afgewerkt product tot stand komen.

De nv DDH Packing beschrijft dan verder de activiteit binnen de afdeling "Display Packing". In deze afdeling worden in opdracht van de cliënt displays in elkaar gezet en opgevuld met producten die reeds verpakt zijn in hun verkoopsverpakking. Deze displays zijn zo geconcipieerd dat zij in de winkel, waarin de batterijen verkocht worden, opnieuw verder kunnen aangevuld worden. Deze activiteit is volgens de nv DDH Packing hoofdzakelijk manueel. Volgens de nv DDH Packing wordt hier evident een nieuw afgewerkte product voortgebracht met een eigen functionaliteit, die wezenlijk verschilt van de functionaliteit van de logistieke verpakking.

De nv DDH Packing wijst er hierbij op dat in zoverre het hof aanvaardt dat de activiteit binnen de afdeling "Display Packing" geen logistieke activiteit is, zulks noodzakelijk inhoudt dat zij voor het geheel van haar activiteiten buiten de toepassing valt van de paritaire comités 140 en 226. Deze paritaire comités zijn immers enkel bevoegd zijn voor ondernemingen wiens activiteit uitsluitend logistieke activiteiten inhouden.

3.

Uit het verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit van 7 mei 2007, waarbij de bevoegdheid van de paritaire comités 140 en 226 uitgebreid werd, blijkt dat het de bedoeling was een einde te stellen aan een aantal problemen, die zich in de praktijk stelden voor de bepaling van het bevoegde paritaire comité en om, in het belang van het concurrentievermogen van de Belgische sector van het goederenverkeer en de logistiek, een versnippering van de logistieke activiteiten tegen te gaan.

Het verslag situeert het onderscheid tussen de ondernemingen die zelf hun goederen opslaan en verwerken en de ondernemingen die daarvoor een beroep doen op derden.

"Een onderneming die haar eigen goederen opslaat om te verwerken of te verhandelen is geen distributieonderneming naar een productie of handelsonderneming", aldus het verslag. " Wanneer een onderneming voor rekening van derden de distributie van goederen verzorgt dan heeft deze activiteit een andere aard. De onderneming stelt nu tegen betaling haar knowhow inzake goederenbehandeling ter beschikking, het wordt met andere woorden een dienstverlenende onderneming ".

Het verslag maakt dan verder het onderscheid tussen dienstverlenende ondernemingen, die opslag en distributie van goederen doen voor rekening van derden zonder eigenaar te worden van deze goederen, en de handelsondernemingen die eigenaar worden van de opgeslagen goederen.

"Op basis van de huidige bevoegdheidsgebieden", zo gaat het verslag aan de Koning verder, "vallen deze dienstverlenende ondernemingen nu voor hun werklieden onder een specifiek paritair comité, indien dit bevoegd is voor logistieke activiteiten of anders onder het paritair comité voor het vervoer. Voor hun bedienden vallen ze eveneens onder een specifiek paritair comité indien dit bevoegd is voor logistieke activiteiten of anders onder het paritair comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijfstakken. Voor de handelsondernemingen vallen de werklieden en de bediende eveneens onder een specifiek paritair comité indien dit bevoegd is voor de handel en anders onder het aanvullend paritair comité voor werklieden en het aanvullend nationaal paritair comité voor de bedienden. In de praktijk leidde dit kluwen aan bevoegde paritaire comités voor verschillende distributiecentra tot rechtsonzekerheid. Niet alleen vielen ze onder verschillende paritaire comités terwijl ze eigenlijk dezelfde activiteit uitoefenden, sommige ondernemingen dienden ook nog eens regelmatig van paritair comité te veranderen, naargelang hun"stock".

Het verslag aan de Koning preciseert verder nog ten aanzien van het begrip " logistieke activiteiten": "deze definitie trekt een duidelijke scheidingslijn tussen de intrinsieke logistieke activiteiten en activiteiten zoals assemblage en productie. Ondernemingen waarvan de laatstgenoemde activiteiten de bestaansreden vormen, zijn duidelijk productieondernemingen die tot de bevoegde productiesector behoren heeft".

4.

Ondanks de 25 voorbereidende vergaderingen die volgens het verslag aan de Koning tussen de sociale partners gehouden werden met het oog op het vastleggen van het toepassingsgebied van de paritaire comités 140 en 226, houdt het Koninklijk Besluit tot uitbreiding van de bevoegdheid van de beide paritaire comités geen expliciete omschrijving in van het begrip "verpakking". Alleen wordt gepreciseerd dat er geen sprake meer is van een verpakkingsactiviteit wanneer deze activiteit leidt tot het voortbrengen van nieuwe halfafgewerkte of afgewerkte grondstoffen, goederen en producten. In het licht van hetgeen uiteengezet wordt in het verslag aan de Koning kan dit laatste alleen zo begrepen worden dat de Koning en de sociale partners wilden uitsluiten dat activiteiten, die verbonden waren met de assemblage en met de productie, buiten het toepassingsgebied zouden vallen van het paritair comité dat bevoegd is voor de overeenstemmende productiesector.

5.

In tegenstelling met hetgeen de nv DDH Packing voorhoudt kan volgens het hof niet aanvaard worden dat de activiteit in de afdeling "Automated Packing", die er zich toe beperkt de aangeleverde batterijtjes per twee of vier van een verpakking te voorzien, buiten het begrip verpakking zou vallen en dat daardoor een nieuw product zou gecreëerd worden. Het is niet omdat voor een aantal producten een verpakking noodzakelijk is of wenselijk, dat ingevolge de verpakking een nieuw half afgewerkt of afgewerkte product zou tot stand komen. De verpakte producten blijven batterijtjes zoals zij batterijtjes waren op het ogenblik dat zij, met het oog op de verpakking aan de nv DDH Packing werden aangeleverd . De verschillende voorbeelden die de nv DDH Packing op pagina 30 van haar besluiten aanbrengt en waarbij volgens haar steeds nieuwe producten tot stand komen, zijn op enkele uitzonderingen na, in het geheel niet overtuigend. Een drankkarton, dat gevuld is met de fruitsap, een meubelbouwpakket waarvan de te monteren onderdelen van het oorspronkelijk aangeboden meubel verpakt zijn met het oog op een veilig en compact vervoer, een gevulde parfumfles, een verpakking van een rekenmachine waarop ook de gebruiksaanwijzing afgedrukt is etc. zijn voor het hof duidelijk geen nieuwe producten. Er anders over oordelen zou erop neerkomen de bevoegdheid van het paritair comité, meer specifiek inzake de verpakkingsactiviteiten, volledig uit te hollen. Duizenden producten hebben een verpakking nodig, hetzij om hygiënische redenen, hetzij voor een veilig vervoer, hetzij om de verschillende onderdelen van het product in één enkele " verkoopsverpakking" aan de klant te kunnen aanbieden. Indien de interpretatie van de nv DDH Packing zou gevolgd worden zou dit, gelet op haar specifieke situatie, misschien tot gevolg hebben dat zij kan terugkeren tot de paritaire comités 100 en 218, (met een zeer beperkte bescherming), maar zou dit voor andere verpakkingsfirma's noodzakelijk tot gevolg hebben dat hun activiteit terug zou ondergebracht worden binnen de bevoegdheidssfeer van het paritair comité bevoegd voor de productie, niet alleen van de "basisproducten", maar ook van de " verkoopbare" producten. Een dergelijke interpretatie is niet in overeenstemming te brengen met de bedoelingen die voorlagen bij de uitbreiding van de bevoegdheid van de paritaire comités 140 en 226.

6.

Het cassatiearrest van 15 december 2008 (www.cass.be nr. s.08.0103.N) waarnaar de nv DDH Packing verwijst heeft betrekking op een verschillende materie, en kan dus niet richtinggevend zijn voor de interpretatie, die de Koning en de sociale partners hebben willen geven aan het begrip verpakking, en de begrippen halfafgewerkt of afgewerkt product in het kader van het Koninklijk Besluit van 7 mei 2007. Het arrest van 15 december 2008 betreft de uitbreiding van het toepassingsgebied van de sociale zekerheid tot de zogenaamde thuisarbeiders. Het ging historisch om de werknemers die thuis voor een werkgever werkten. Zij werkten wel in een ondergeschikt verband, maar waren niet onderworpen aan het ‘gezag, toezicht en leiding'. Voor het overige was hun situatie echter niet verschillend van die van de andere werknemers(cfr. J. Jacqmain: " Le travail à domicile": un malentendu juridique", Soc. Kron. 1985, p. 99.). Vermits in de toenmalige conceptie van het begrip ondergeschikt verband, de elementen ‘leiding, gezag en toezicht' onlosmakelijk verbonden waren, vielen deze werknemers niet onder de toepassing van de wet van 10 maart 1900 op de arbeidsovereenkomsten. De besluitwet van 28 december 1944 op de sociale zekerheid heeft dan de thuiswerkers onder haar toepassingsgebied geplaatst, ervan uitgaande dat het ging om thuisarbeid onder arbeidsovereenkomst (J. Jacqmain, op.cit. p.100).

Door de verwijzing naar het feit dat het gaat om arbeiders die "grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd" heeft de wetgever, in het kader van die wetgeving, alleen specifiek het toepassingsgebied van deze wet willen afbakenen in de historische context waarin zich toen het thuiswerk afspeelde: het bewerken van producten die door de werkgever voor bewerking waren aangebracht. Of deze producten door de bijkomende bewerking die ze ondergingen in handen van de thuisarbeiders al dan niet een nieuw product opleverden was voor de toepassing van deze wetgeving zonder relevantie. In zijn arrest van 15 december 2008 heeft het Hof van Cassatie alleen een "achterpoortje" toegedaan voor een handige handelaar die op de letterlijke bepalingen van de wet speelde om aan het toepassingsgebied te ontsnappen.

Ook de verwijzing naar de Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval is zonder relevantie voor de oplossing van het geschil. Volgens art. 1 van deze richtlijn, en zoals verder uitvoerig wordt toegelicht in de preambule, heeft deze richtlijn tot doel de nationale maatregelen betreffende het beheer van verpakking en verpakkingsafval te harmoniseren teneinde het effect daarvan op het milieu te beperken, en aldus een hoog milieubeschermingsniveau te waarborgen. Daarbij worden maatregelen vastgesteld die in de eerste plaats gericht zijn op de preventie van het verpakkingsafval en verder op het hergebruik ervan. De definities die daarbij worden gegeven van verkoopverpakking en verzendingverpakking hebben als enige doelstelling het toepassingsgebied van de richtlijn zo ruim mogelijk af te bakenen. Niets uit deze richtlijn laat toe daarin een onderscheid te zien tussen verkoop- en verzendverpakking, dat enige relevantie zou vertonen voor de interpretatie van de bevoegdheid van de paritaire comités 140 en 226.

7.

Met de nv DDH Packing dient aanvaard te worden dat indien de activiteiten in de afdeling "Display Packing" niet onder het begrip verpakking vallen, het geheel van de activiteiten van de nv DDH Packing onttrokken wordt aan het toepassingsgebied van de paritaire comités 140 en 226. Indien in algemene regel, zoals de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aanvoert, voor de bepaling van de bevoegdheid van het paritair comité dient uitgegaan te worden van de hoofdactiviteit van de onderneming, dan wordt op deze regel nochtans een uitzondering gemaakt wanneer de bevoegdheidsomschrijving van het paritair comité een ander criterium naar voren schuift. (cfr. Cass.18.01.2008 www.cass.be).

8.

Uit de beschrijving van de activiteiten van deze afdeling, zoals die voorkomt in de verschillende onderzoeksverslagen(zie het verslag van mevrouw Troch van 7.12.2007) en zoals die verder gedetailleerd wordt in de besluiten van nv DDH Packing, blijkt dat deze afdeling zich toelegt op het klaarmaken van verkoopsstanden voor de winkels. De verkoopsstanden bestaan overwegend of uitsluitend uit kartonnen onderdelen. Deze worden door het personeel in de voorziene vormen geplooid of gemonteerd en voorzien van batterijen. De displays bestaan in verschillende variaties en afmetingen. Na afwerking worden de afgewerkte pakketten gestapeld, omwikkeld en afgehaald.

Uit de besluiten van de nv DDH Packing blijkt dat de kartonnen onderdelen, waarmee de displays worden gemaakt, worden aangeleverd door de opdrachtgever en dat deze in elkaar worden gezet en opgevuld met producten overeenkomstig de specificaties van de opdrachtgever( p. 11 en 12 besluiten). Er is met andere woorden geen sprake van een technische of intellectuele inbreng van de nv DDH Packing bij de totstandkoming van de display. Het gaat uiteindelijk enkel om het vouwen van (voorgeplooide) kartonnen, die dan worden opgevuld met batterijtjes, hetzij dat deze met haakjes worden opgehangen aan de displays, hetzij dat deze bevestigd worden in doosjes die uit de display uitsteken. Op deze manier wordt, in tegenstelling met hetgeen de nv DDH Packing voorhoudt, geen nieuw product gecreëerd. De opgevulde display wordt immers als dusdanig niet verkocht, maar is enkel een reclamebord, waaraan de batterijtjes bevestigd zijn, en dat in de winkel terug kan opgevuld worden.

Weliswaar is aan deze manier van verpakking wellicht een grotere materiële arbeid verbonden, doch zulks is niet bepalend om te zeggen dat een nieuw product tot stand wordt gebracht. Vele andere producten zullen eveneens arbeidsintensief zijn bij de verpakking, zoals meubels die worden geleverd in bouwpakketten, serviezen, glazen, bepaalde elektrische toestellen en dergelijke. Dergelijke verpakkingen vereisen in die gevallen bovendien vaak een specifieke knowhow van de verpakkingsfirma, wat in voorliggende betwisting niet het geval lijkt te zijn.

Het blijkt niet uit de voorgelegde dossiers dat de andere displays die, sinds het oorspronkelijke onderzoek van de Dienst voor Collectieve arbeidsbetrekkingen door de nv DDH Packing worden geproduceerd, zoals voor Oral Braun, een andere inbreng vereisen dan deze voor de verpakking van de duracell batterijen.

9.

Het hof komt aldus tot de bevinding dat ook de activiteit binnen de afdeling "Display Packing" een zuivere verpakkingsactiviteit is, waarbij geen nieuw gewerkt product gecreëerd wordt.

De activiteit van de nv DDH Packing valt derhalve volledig binnen het toepassingsgebied van de paritaire comités 140 en 226.

De oorspronkelijke vordering van de nv DDH Packing was derhalve ongegrond. Het bestreden vonnis dient hervormd te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en wijst de nv DDH Packing af van haar oorspronkelijke vordering.

Veroordeelt de nv DDH Packing tot de kosten van deze aanleggen, begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en

euro 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

De heer Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door Fernand KENIS, raadsheer, voorzitter en Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, als werkgever.

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 17 november 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Mots libres

  • Arbeidsrecht. Collectieve arbeidsbetrekkingen. Wet van 5 december 1968 op de collectieve collectieve arbeidsverhoudingen

  • Paritaire comités

  • arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Bevoegdheden van het paritair comité voor het vervoer en de logistiek (nr. 140) en van het paritair comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek (nr. 226). Begrip verpakking.