- Arrêt du 24 novembre 2011

24/11/2011 - 2010/AB/977

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer de Rijksdienst voor Kinderbijslag oorspronkelijk en met kennis van zaken het recht op de gewaarborgde gezinsbijslag vaststelt door uit te gaan van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen van de aanvrager, kan hij de terugvordering niet steunen op het nieuwe inzicht dat in feite had dienen uitgegaan te worden van de werkelijke huuropbrengsten van de goederen.

De beslissing tot terugvordering van de onverschuldigd ontvangen gewaarborgde gezinsbijslag dient zich immers juridisch aan als een beslissing tot herziening van een toegekend sociaal voordeel, waarop art. 17 van de wet van 11 april 1995 toepassing vindt en in het bijzonder de regel dat, indien de herziening van de beslissing te wijten is aan een vergissing van de instelling van sociale zekerheid, de nieuwe beslissing slechts uitwerking heeft op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 NOVEMBER 2011

7e KAMER

OCMW - gewaarborgde gezinsbijslag

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. C. G., eerste appellant,

2. M. S., tweede appellante

beiden vertegenwoordigd door mr. DUGARDIN Natacha, advocaat te 1060 BRUSSEL, Jourdanstraat 31

tegen:

1. RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Trierstraat 70, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. COSEMANS loco mr. DE KEERSMAEKER Christine, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 326 bus 26

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 20-09-2010 door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 10/019187),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 26 oktober 2010,

- de ter griffie neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 4 oktober 2011 door advocaat-generaal J.-J. ANDRÉ,

- de replieken op dit advies van het openbaar ministerie, neergelegd op 27 oktober 2011 door respectievelijk de appellanten, de heer C. en mevrouw M. en de geïntimeerde, de RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS,

- de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 29 september 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 4 oktober 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De termijn om een repliek op dit advies ter griffie neer te leggen verstreek op 27 oktober 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer C. en mevrouw M., die op 20 augustus 1988 gehuwd zijn in X (Frankrijk), hebben zich vanaf 1996 in België gevestigd. Zij hadden twee kinderen. De hoofdactiviteit van de heer C. bestond er in vervallen panden op te kopen, te restaureren of om te vormen tot appartementen, en daarna te verhuren.

Op 5 april 2000 dienden zij bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers een aanvraag in tot het bekomen van de gewaarborgde gezinsbijslag voor de beide kinderen. Een onderzoek werd ingesteld waarbij een aantal aanvullende documenten werden opgevraagd, voornamelijk met betrekking tot de inkomsten uit onroerende goederen van de heer C. en mevrouw M.. Na een onderzoek ten huize (stuk 13 van het dossier van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers), waarbij nota genomen werd van de verschillende onroerende goederen die de heer C. en mevrouw M. in hun bezit hadden en van het kadastraal inkomen van deze goederen, werd op 5 februari 2002 beslist aan de heer C. en mevrouw M. een gewaarborgd gezinsbijslag toe te kennen, vanaf 1 juni 2000 .

2.

Bij gelegenheid van een controle op 6 maart 2006 kwam aan het licht dat de heer C. en mevrouw M. beschikten over een onroerend goed in Frankrijk (X.), waarvan zij geen melding gemaakt hadden op het ogenblik van hun aanvraag. Bij beslissing van 16 maart 2006 werd het recht op gewaarborgde gezinsbijslag aan de heer C. en mevrouw M. ontzegd.

Bij schrijven van 8 november 2006 besliste de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers de uitbetaalde gewaarborgde kinderbijslag over de periode van 1 juni 2000 tot en met 30 september 2004, ten bedrage van euro 15.629,50 terug te vorderen omdat de heer C. en mevrouw M. geen melding hadden gemaakt van al hun inkomsten.

3.

Bij verzoekschrift van 8 februari 2007 hebben de heer C. en mevrouw M. beroep aangetekend tegen deze laatste beslissing. In het kader van de ingeleide procedure heeft de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers een incidentele vordering ingesteld en de veroordeling gevorderd van de heer C. en mevrouw M. tot terugbetaling van het bedrag van euro 15.629,50.

Bij vonnis van 20 september 2010, ter kennis gebracht op 28 september 2010, heeft de arbeidsrechtbank de heer C. en mevrouw M. afgewezen van hun vordering en heeft zij integendeel de tegenvordering van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers toegewezen.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De heer C. en mevrouw M. betwisten niet dat zij, op het ogenblik van hun aanvraag, nagelaten hebben kennis te geven van het onroerend goed waarvan zij eigenaar waren in Frankrijk. Zij stellen echter dat het om een vervallen pand ging, waaruit zij geen enkel financieel voordeel haalden, zodanig dat de afwezigheid van aangifte ook geen invloed kon hebben op hun recht op een gewaarborgde kinderbijslag.

De heer C. en mevrouw M. betwisten het vonnis van de eerste rechter waarbij deze, in navolging van het advies van de arbeidsauditeur, hun beroepsinkomen niet meer berekende in functie van het kadastraal inkomen, zoals dit oorspronkelijk gebeurd was, maar wel in functie van de werkelijke huuropbrengsten. Zij wijzen erop dat, op het ogenblik dat de gewaarborgde kinderbijslag werd toegekend, de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers steeds uitging van de kadastrale waarde van de onroerende goederen, en dat bij het onderzoek van hun aanvraag ook steeds enkel gevraagd werd naar de kadastrale inkomsten en niet naar de werkelijke huuropbrengsten. Volgens de heer C. en mevrouw M. kon de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers niet zijn oorspronkelijke beslissing tot toekenning van de gewaarborgde gezinsbijslag met terugwerkende kracht intrekken in functie van een nieuw inzicht met betrekking tot de wijze waarop de waarde van de onroerende inkomsten diende geraamd te worden.

2.

De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Hij stelt dat de wettelijke bepalingen niet preciseren dat voor de raming van de onroerende inkomsten enkel rekening dient gehouden te worden met het kadastrale inkomen, maar dat wel degelijk kan rekening gehouden worden met het geheel van de huuropbrengsten. De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers verwijst daarbij naar het arrest van dit hof, vermeld in een voetnoot 1.

3.

De heer C. en mevrouw M. zijn te kort gekomen in hun verplichting om bij de aanvraag tot het bekomen van de gewaarborgde gezinsbijslag kennis te geven van alle inkomsten en in het bijzonder van de inkomsten voortvloeiend uit het onroerend goed (in feite twee aansluitende goederen met een verschillende perceelomschrijving), dat zij bezaten in Frankrijk. Na het omstandig onderzoek dat gevoerd werd naar de inkomsten die zij hadden uit onroerende goederen kunnen zij niet ernstig volhouden dat zij niet wisten dat zij melding moesten maken van deze onroerende goederen. In de mate dat de aanrekening van de inkomsten uit dit onroerend goed aanleiding geeft tot de overschrijding van de inkomstengrens die in aanmerking genomen wordt voor de toekenning van de gewaarborgde kinderbijslag, dient dan ook tot terugbetaling van de kinderbijslag overgegaan te worden, onder voorbehoud van het onderzoek naar de toepasselijke regels inzake de verjaring.

4.

Uit de gegevens van het administratief dossier, en in het bijzonder uit de formulieren C 5702 (stukken 1,4,10,17,21 uit het administratief dossier), blijkt duidelijk dat de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, op het ogenblik van het onderzoek van de aanvraag, enkel rekening hield met het kadastraal inkomen van de onroerende goederen. Uit het administratief dossier blijkt eveneens dat tijdens het uitgebreide onderzoek dat de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers ingesteld heeft ter plaatse, alvorens tot toekenning van de gewaarborgde gezinsbijslag over te gaan, steeds uitgegaan werd van het kadastraal inkomen en niet van het werkelijke huurinkomen. Het ging blijkbaar om een vaststaande interpretatie van de bestaande wettelijke bepalingen.

5.

De beslissing tot terugvordering van de onverschuldigd ontvangen gewaarborgde gezinsbijslag dient zich in deze juridisch aan als een beslissing tot herziening van een toegekend sociaal voordeel.

Overeenkomstig artikel 17 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de Sociaal Verzekerde, dat ingevolge zijn artikel 2 1°, c toepassing vindt op de gewaarborgde gezinsbijslag, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing wanneer vastgesteld wordt dat de oorspronkelijke beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing. Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring, heeft deze nieuwe beslissing in de regel uitwerking op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan. Indien echter de beslissing tot herziening te wijten is aan een vergissing van de instelling van sociale zekerheid, dan heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan. In dat geval is met andere woorden de beslissing niet retroactief..

Uit deze bepaling volgt dat indien, en in de mate dat, de onverschuldigde betaling zijn oorzaak vindt in een " vergissing" van de instelling van de sociale zekerheid, in die zin dat zij bij de bepaling van het inkomen van de betrokkenen waarmee rekening werd gehouden, uitging niet van de werkelijke huurinkomsten, maar enkel van het kadastraal inkomen, deze beslissing geen terugwerkende kracht kan hebben en dat geen terugvordering van het onverschuldigd betaalde mogelijk is. In casu is dit het geval. De terugvordering, in zoverre ze steunt op een andere berekeningswijze van het inkomen uit onroerend goed, steunt op een initiële vergissing van de Rijksdienst. Er kan daarbij van de heer C. en mevrouw M. niet verwacht worden dat zij deze vergissing konden kennen, in de zin van art. 17 al. 3 van het Handvest.

De verwijzing naar het arrest van dit hof van 7 februari 2008 is niet dienend. In het kader van de procedure die geleid heeft tot dit arrest diende het hof positief te onderzoeken of de heer C. en mevrouw M. al dan niet recht hadden op de gewaarborgde kinderbijslag voor een bepaalde periode. Het hof mocht dit recht op gewaarborgde kinderbijslag slechts toekennen indien het vaststelde dat aan al de wettelijke toekenningsvoorwaarden was voldaan. Het hof stelde daarbij vast dat dit niet het geval was omdat de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, in strijd met de wettelijke bepalingen, enkel rekening hield met het kadastrale inkomen en niet met de werkelijke huurinkomsten.

In de betwisting die het hof thans moet beslechten gaat het niet, of niet uitsluitend over het onderzoek naar de toekenningsvoorwaarden van het recht, maar wel en essentieel, naar een onderzoek over de mogelijkheden tot terugvordering van onverschuldigde betalingen, rekening houdend met de bepalingen van het sociaal handvest.

6.

De heer arbeidsauditeur voor de arbeidsrechtbank, waarvan het advies in het vonnis van de arbeidsrechtbank van 20 september 2010 wordt overgenomen, heeft een zeer gedetailleerde berekening gemaakt van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag. Deze berekeningen worden door geen van de partijen op technische of mathematische gronden betwist. Alleen wordt door de heer C. en mevrouw M. gesteld, en het hof volgt deze stelling, dat in het kader van de terugvorderingprocedure geen rekening kan gehouden worden met een onverschuldigde betaling, die zijn oorsprong vindt in een vergissing begaan door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers zelf.

Met andere woorden kan het recht op kinderbijslag retroactief enkel opnieuw onderzocht worden rekening houdend met het feit dat de heer C. en mevrouw M. geen aangifte gedaan hebben van hun inkomen uit hun onroerend goed in Frankrijk.

7.

Uit de analyse van de heer Auditeur blijkt dat, anders dan de heer C. en mevrouw M. oordelen, indien men het kadastraal inkomen uit het onroerend goed in Frankrijk in rekening brengt, het totale inkomen van de heer C. en mevrouw M. de toegelaten grenzen overschreed voor de jaren 2000 en 2001 (zie blz 5 en 6 van het vonnis). De gezinsbijslag werd derhalve onterecht uitgekeerd voor deze jaren.

Uit dezelfde analyse blijkt echter dat vanaf 1 januari 2002 de toegelaten inkomstengrens niet overschreden werd wanneer men rekening hield met het kadastraal inkomen, maar enkel indien men rekening houdt met de werkelijke huurinkomsten.

Aldus kan de gewaarborgde kinderbijslag niet teruggevorderd worden voor de periode vanaf 1 januari 2002.

8.

Overeenkomstig artikel 9 §1 van de wet van 20 juni 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag kan de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde gewaarborgde gezinsbijslag niet geëist worden na verloop van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd. De verjaringstermijn wordt echter op 5 jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.

Volgens het hof is er sprake van opzettelijke onvolledige verklaringen. Voor de toekenning van de gewaarborgde gezinsbijslag werd een grondig onderzoek gevoerd naar de verschillende onroerende eigendommen van de heer C. en mevrouw M. en de kadastrale inkomens die daaraan verbonden waren. De heer C. en mevrouw M. moesten aldus weten dat zij ook het kadastrale inkomen van het onroerend goed in Frankrijk dienden aan te geven. Er dient aldus uit gegaan te worden van een verjaringstermijn van vijf jaar.

De gewaarborgde gezinsbijslag werd toegekend bij beslissing van 7 maart 2002 en kan derhalve niet voor die datum uitbetaald zijn geweest. Derhalve is de vordering tot terugbetaling van de gewaarborgde gezinsbijslag voor de periode van 1 juni 2000 tot 31 december 2001 niet verjaard.

Het gaat om een bedrag van 5.409,22 euro . (cfr. stuk 34 administratief dossier)

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in de volgende mate.

Verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering tot nietigverklaring van de administratieve beslissing van 8 november 2006 gedeeltelijk gegrond, met name in zoverre ze betrekking heeft op de gewaarborgde gezinsbijslag betaald na 1 januari 2002.

Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering gedeeltelijk gegrond en veroordeeld de heer C. en mevrouw M. tot terugbetaling van de som van 5.409,22 euro , vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 8 november 2008 en met de gerechtelijke intresten.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer C. en mevrouw M. op 320,65 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Mots libres

  • HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE

  • Wet van 11 april 1995 houdende het Handvest van de Sociaal Verzekerde, art.17.

  • Gewaarborgde Gezinsbijslag.