- Arrêt du 22 décembre 2011

22/12/2011 - 2011/ab/354

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Volgens de bepalingen van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 tot uitvoering van deze wet dient voor de vaststelling van het bedrag van het leefloon alleen rekening gehouden te worden met het inkomen van de partner die samenwoont met de leefloongerechtigde. Het is de vrije, persoonlijke keuze van iedere burger die een relatie aangaat, om al dan niet te gaan samenwonen. De omstandigheid dat de keuze van de leefloonaanvrager en haar partner om niet samen te wonen steunt op gebruiken en verplichtingen die afwijken van het westers samenlevingsmodel is daarbij niet relevant.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 DECEMBER 2011

7e KAMER

OCMW - maatschappelijke dienstverlening

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN HALLE, openbare instelling, met zetel te 1500 HALLE, August Demaeghtlaan, 30, appellant, vertegenwoordigd door mr. ROOBAERT Anton, advocaat te 1500 HALLE, Vestingstraat 8

tegen:

D.H.,

vertegenwoordigd door mr. DEBUSSCHER Dominik, advocaat te 1500 HALLE, Minderbroedersstraat 3-5

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 03-03-2011 door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 7431/10),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 april 2011,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 8 november 2011 door advocaat-generaal J.-J. ANDRÉ,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 november 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 8 november 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 24 november 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw D. behaalde in 2008 haar diploma secundair onderwijs BSO, richting verzorging. Tijdens het schooljaar 2008-2009 volgde zij een zevende jaar ter voorbereiding van het hoger onderwijs. Zij wenste de studies van bachelor in de vroedkunde aan te vangen, maar werd in het schooljaar 2009-2010 niet toegelaten tot de studies omwille van haar zwangerschap.

Tot einde 2009 woonde mevrouw D. in Anderlecht waar zij een leefloon genoot. Begin 2010 verhuisde zij naar Halle om dichter bij haar familie te wonen en omdat, ingevolge haar tweede zwangerschap, de woning te Anderlecht te klein zou geworden zijn. Zij beviel in de loop van de maand april 2010 van een tweede kind. Mevrouw D. woonde niet samen met de vader van haar kinderen met wie zij nochtans een relatie behield. De vader kwam tussen in de kostprijs van het appartement. Volgens de gegevens van het administratief dossier en de daarin opgenomen verklaringen kon, volgens de gebruiken van toepassing in haar land van herkomst, mevrouw D. niet samenwonen met haar partner, omdat zij niet gehuwd was en het huwelijk zelf afhankelijk was van het samenstellen van een bruidsschat, waartoe de partner, die werkte en een inkomen had, op dat ogenblik niet in staat was.

2.

Mevrouw D. vroeg leefloon aan bij het ocmw Halle.

Bij beslissing van 25 februari 2010 werd deze aanvraag geweigerd op volgende motivering:

" Aangezien jullie overtuiging omtrent de bruidsschat de enige belemmering is om te gaan samenwonen. Op die manier creëert u uw behoeftigheid. Het OCMW is van mening dat uw partner en vader van de kinderen zijn verantwoordelijkheid dient op te nemen voor zijn gezin (art. 16 §1) . Wij verwijzen naar de RMI-wet, art. § 2 en art. 3,4°".

3.

Bij verzoekschrift van 25 mei 2010 heeft mevrouw D. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij vonnis van 3 maart 2011, dat aan het ocmw Halle ter kennis gebracht werd op 14 maart 2011, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van mevrouw D. gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank vernietigde de bestreden administratieve beslissing en veroordeelde het ocmw Halle tot de toekenning van een leefloon, categorie persoon met gezinslast, voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2010. De arbeidsrechtbank oordeelde daarbij dat bestaansmiddelen ten belope van 275 euro per maand mochten worden aangerekend.

De arbeidsrechtbank verzocht verder het ocmw Halle een bijkomend sociaal onderzoek in te stellen naar het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarde, gesteld door artikel 3,5° van de leefloonwet in de periode vanaf 1 september 2010, en verzond de zaak naar de rol in afwachting van de resultaten van het sociaal onderzoek.

4.

Bij verzoekschrift van 11 april 2011 heeft het ocmw Halle hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig.

Mevrouw D. betwist de ontvankelijkheid van het hoger beroep omdat het ocmw Halle in zijn besluiten enkel verwijst naar de oorspronkelijke motieven van zijn beslissing en de argumentatie ontwikkeld voor de eerste rechter, zonder als dusdanig de motieven van het eerste vonnis te bekritiseren.

Overeenkomstig artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek dient het verzoekschrift in hoger beroep een uiteenzetting in te houden van de grieven van het hoger beroep. In tegenstelling met hetgeen mevrouw D. voorhoudt beperkt het ocmw Halle en zich in zijn beroepsakte niet toe om de argumentatie te herhalen die voor de eerste rechter werd uiteengezet. In de laatste drie alinea's van het verzoekschrift in hoger beroep wordt voldoende duidelijk uiteengezet waarom het ocmw Halle van oordeel is zich niet te kunnen verenigen met de motieven van de eerste rechter.

Het verzoekschrift in hoger beroep is voor het overige eveneens regelmatig naar de vorm. Het beroep is aldus ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1. Het hoofdberoep.

1.

De eerste rechter wees er in zijn vonnis op dat overeenkomstig artikel 34 § 1 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, slechts rekening kan gehouden worden met de bestaansmiddelen van de levenspartner in zoverre deze samenwoont met de aanvrager van het leefloon, hetgeen volgens de vaststellingen van het ocmw Halle niet geval was. De eerste rechter wees erop dat partners gerechtigd zijn op basis van persoonlijke motieven de keuze te maken om al dan niet samen te wonen en zelf hun woonplaats te bepalen. Dat de motivering om niet samen te wonen afwijkt van het westers model is volgens de eerste rechter niet relevant. Aldus dient volgens de eerste rechter geen rekening gehouden te worden met de inkomsten van de partner. De eerste rechter stelt verder vast dat mevrouw D. zonder voldoende bestaansmiddelen was, en dat gelet op haar zwangerschap en bevalling in de loop van de maand april, mevrouw D. op billijkheidsgronden kon vrijgesteld worden van de verplichting tot werkbereidheid tot 31 augustus 2011.

2.

Het ocmw Halle stelt dat hij de geloofsovertuiging van mevrouw D. en haar partner wenst te respecteren, maar niet kan aanvaarden dat de gevolgen daarvan ten laste van de gemeenschap worden gelegd. Volgens het ocmw Halle dienen de beide partners zich te schikken naar het westers model en dient de gemeenschap daar niet voor op te draaien. Het ocmw Halle meent verder dat de partner van mevrouw D. onvoldoende bijdraagt in het onderhoud van zijn gezin en stelt tenslotte dat mevrouw D. zelf haar behoeftigheid gecreëerd heeft door een appartement te huren voor het onmogelijke bedrag van 775 euro .

Mevrouw D. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en verwijst naar de motieven daarvan. In verband met de hoge huurprijs van het appartement, dat zij huurde, wijst zij erop dat zij zeer lang gezocht heeft naar een goedkoper appartement, maar dat zij regelmatig afgewezen werd omwille van haar huidskleur en uiteindelijk enkel het appartement dat zij betrekt, kon bekomen.

3.

Terecht, en om de motieven die het hof overneemt, heeft de eerste rechter geoordeeld dat volgens de wettelijke bepalingen van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002, alleen met het inkomen van de partner rekening wordt gehouden wanneer deze samenwoont met de leefloongerechtigde en dat het de vrije, persoonlijke keuze is van iedere burger die een relatie aangaat, om al dan niet te gaan samenwonen. Terecht heeft de eerste rechter daarbij geoordeeld dat de omstandigheid dat de keuze van mevrouw D. en haar partner afwijkt van het westers model niet relevant is. Ook een niet onaanzienlijk aantal Belgen kiezen voor een zogenaamde LAT relatie, zonder samenwoning. De motieven daarvan kunnen divers zijn. Een motief is vaak dat één (of beide) van de partners reeds kinderen heeft uit een vroeger huwelijk, wat een samenwoning niet evident maakt. Tenzij er op basis van een vroeger huwelijk een onderhoudsplicht tussen partners is, dient deze situatie door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedoogd te worden. De stelling volgen, zoals die verdedigd wordt door het ocmw Halle zou tot verregaande consequenties leiden, die niet verenigbaar zijn noch met de letter noch met de geest van de wet. Als men deze stelling doortrekt zou een ocmw immers ook een leefloon kunnen weigeren aan een persoon die om persoonlijke redenen een einde gesteld heeft aan een samenwoning omdat hij of zij, door zijn partner te verlaten, zelf zijn behoeftigheid gecreëerd heeft (zulks onverminderd de eventuele onderhoudsplicht die na een huwelijk zou bestaan).

4.

Terecht heeft de eerste rechter eveneens geoordeeld dat de vraag of mevrouw D. haar partner aanvullend moet aanspreken voor een onderhoud van de gemeenschappelijke kinderen niet relevant is in het voorliggend geschil. Het onderhoudsgeld van de kinderen is immers een bestaansmiddel dat vrijgesteld is van aanrekening overeenkomstig artikel 22 § 1 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002.

5.

Evenmin relevant voor de beslechting van het geschil is de omstandigheid dat mevrouw D. een te groot en te duur appartement zou gehuurd hebben. Het hof kan de door mevrouw D. aangevoerde verklaring, dat zij geen goedkoper appartement kon vinden, niet verifiëren maar ook niet uitsluiten. In ieder geval is het zo dat mevrouw D. geen aanspraak maakte op een bijkomende financiële steun voor de betaling van de huur van het appartement, maar enkel het leefloon vroeg, zodanig dat de lasten van het ocmw Halle op geen enkele manier verzwaard worden door de huurprijs van het appartement.

2. Evocatie.

1.

De eerste rechter heeft de toekenning van het leefloon voorlopig beperkt tot de periode tot 31 augustus 2010. Hij heeft aan het ocmw Halle gevraagd voor de periode daarna een bijkomend sociaal onderzoek in te stellen dat moest uitwijzen of mevrouw D. al dan niet voldeed aan de vereiste van werkbereidheid, dan wel of billijkheidsredenen konden worden weerhouden, met name gevolgde studies.

Overeenkomstig artikel 1068 van het Gerechtelijk wetboek dient het hof dit onderdeel van de betwisting te evoceren.

2.

Ingevolge het vonnis van de eerste rechter werd een sociaal onderzoek ingesteld dat geleid heeft tot een sociaal verslag van 17 maart 2011. In dit verslag wordt voorgesteld het leefloon verder toe te kennen vanaf 1 september 2010. Daarbij wordt opgemerkt dat het in feite niet mogelijk is met terugwerkende kracht na te gaan of de betrokkene voldeed aan de voorwaarden van werkbereidheid en of er eventueel billijkheidsredenen konden ingeroepen worden voor haar studies. Uit het verslag blijkt wel dat mevrouw D. sinds september 2010 de studies vroedkunde volgde, maar dat zij werd uitgeschreven vanaf 1 januari 2011 om dat zij niet in staat was haar inschrijvingsgeld te betalen en in gebreke bleef een aantal schoolfacturen te voldoen.

In een apart verslag wordt het recht op leefloon onderzocht vanaf 1 maart 2011.

Bij beslissing van 8 april 2011 heeft het ocmw aan mevrouw D. een leefloon toegekend, rekening houdend met een bijdrage van 275 euro die de vader betaald in de huur. De beslissing preciseerde dat mevrouw D. haar werkbereidheid diende aan te tonen. Over de periode van 1 september 2010 tot 28 februari 2011 werd geen beslissing genomen. Uit stuk 10 van het dossier van het ocmw Halle blijkt dat zulks verband hield met het feit dat het ocmw inmiddels beslist had beroep in te stellen tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

Uit de verdere sociale verslagen blijkt dat mevrouw D. zich de facto naar deze beslissing geschikt heeft en actief meegewerkt heeft aan de jobcoaching, die haar werd voorgesteld. Zij heeft om financiële redenen het appartement, dat zij betrok, moeten verlaten en is bij haar moeder gaan inwonen. Het ocmw is tijdelijk tussengekomen in de kosten van de opvang van haar jongste kindje in de crèche, teneinde haar toe te laten actief naar werk te zoeken. Tenslotte blijkt uit de sociale verslagen en de besluiten dat het inmiddels tot een relatiebreuk gekomen is tussen mevrouw D. en haar partner.

3.

Het hof is van oordeel dat het leefloon eveneens kan toegekend worden, onder de voorwaarden zoals bepaald werden door de eerste rechter, voor de periode van 1 september 2010 tot 28 februari 2011.

Mevrouw D. heeft zich opnieuw ingeschreven voor de studies van vroedvrouw, zoals zij steeds van plan geweest was. Ingevolge de motieven van de bestreden administratieve beslissing van 25 februari 2010 heeft op dat ogenblik het ocmw Halle zich nooit uitgesproken over de vraag of de studies van mevrouw D. als een billijkheidsreden konden aanzien worden. Het hof is van oordeel dat niet a priori kan uitgesloten worden dat deze studies, die aansloten bij de vooropleiding van mevrouw D. (BSO, sectie verzorging, met een 7e jaar) een billijkheidsreden konden uitmaken om vrijgesteld te worden van de verplichting werkbereid te zijn. Gelet op de tekorten in de sector zouden deze studies zeker de mogelijkheden op de arbeidsmarkt van de betrokkene hebben kunnen verbeteren, op voorwaarde uiteraard dat zij in deze studies slaagde.

Anderzijds blijkt uit de sociale verslagen dat, op het ogenblik dat het ocmw Halle op 7 april 2011 besliste dat het leefloon enkel toegekend werd op voorwaarde dat mevrouw D. werkbereid was, en zij aldus geen toelating kreeg om haar studies verder te zetten, mevrouw D. zich daarbij neergelegd heeft en alles gedaan heeft wat het OCMW haar vroeg (zie verslag van 21 juni 2011: " Zij houdt zich aan alle gemaakte afspraken, komt langs bij jobcoach Patrick, schreef zich in voor Nederlandse lessen bij GLTT en vond een kinderdagverblijf voor haar zoon"). Haar werkbereidheid in het algemeen staat dan ook vast.

3. De tegenvordering wegens schending van artikel 1057 van het Gerechtelijk wetboek en wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

Mevrouw D. vordert een schadevergoeding van 2.500 euro . Deze vordering steunt enerzijds op de schade die zij zou geleden hebben omwille van het feit dat het verzoekschrift in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd was, en anderzijds op het feit dat het hoger beroep enkel ingesteld werd met de bedoeling de verschuldigde betaling zo lang mogelijk uit te stellen.

Het hof heeft reeds geoordeeld dat het hoger beroep voldoende gemotiveerd was.

Anderzijds kan aan het ocmw Halle het recht niet ontzegd worden om hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep kan moeilijk als tergend en roekeloos beschouwd worden omdat voor de arbeidsrechtbank de auditeur geadviseerd had om de vordering van mevrouw D. af te wijzen.

De tegenvordering is ongegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Evoceert de betwisting voor wat betreft de periode van 1 september 2010 tot 28 februari 2010.

Veroordeelt het ocmw Halle tot betaling aan mevrouw D. van een leefloon, categorie persoon met gezinslast, waarbij bestaansmiddelen ten belope van 275 euro per maand mogen worden aangerekend.

Verklaart de tegenvordering in graad van beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek het ocmw Halle tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van mevrouw D. op 273,50 euro voor de procedure voor de arbeidsrechtbank en 364,65 euro voor de procedure voor het arbeidshof

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 22 december 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Mots libres

  • SOCIALE VOORZORG

  • Recht op maatschappelijke integratie

  • Leefloon. Wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie. Koninklijk Besluit van 11 juli 2002, art. 34.