- Arrêt du 13 juin 2012

13/06/2012 - 2010/AA/701

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

In toepassing van artikel 4 van de wet van 5 december 1968 (CAO-wet) beschikt de representatieve werknemersorganisatie over een toegewezen vordering welke haar op grond van een wettelijk voorrecht in staat stelt in rechte op te treden in het belang van de naleving van de collectieve arbeidsovereenkomst. Dit vorderingsrecht heeft bijgevolg een semiopenbaar en abstract karakter, waarbij het belang van de werknemersorganisatie het individueel belang van de aangesloten werknemers overstijgt. Het recht van de vakorganisatie om in rechte op te treden blijft echter beperkt tot het voderen van de principiële veroordeling van de werkgever tot naleving van de individuele normatieve bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst ten aanzien van haar leden.

Als gevolg van het abstract karakter van dit vorderingsrecht heeft de vakorganisatie niet de verplichting bij het instellen van deze vordering de identiteit van haar leden kenbaar te maken.


Arrêt - Texte intégral

Eindarrest op tegenspraak

tweede kamer

Arbeidsovereenkomst voor bedienden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

___________________

ARREST

A.R. 2010/AA/701

OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN TWAALF

de vakorganisatie (appellante),

Representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te x en met regionale zetel te x, professionele organisatie aangesloten bij het x,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. I. V., advocaat te x,

tegen :

de NV (geïntimeerde)

met maatschappelijke zetel te x,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mrs. N. T. en O. D., advocaten te x.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 9 november 2010 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen,

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 24 december 2010,

- de beschikking met toepassing van artikel 747, par. 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 14 maart 2011,

- de conclusie van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 9 juni 2011,

- de conclusie van appellante, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 14 september 2011,

- de conclusie van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 14 november 2011,

- de conclusie van appellante, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 16 januari 2012,

- de conclusie van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 14 februari 2012,

- het advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 5 april 2012,

- de repliekconclusie van appellante, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 9 mei 2012,

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 februari 2011 en 14 maart 2012.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met dagvaarding van 8 februari 2005, vorderde appellante, hierna genoemd appellante, te horen zeggen voor recht dat geïntimeerde, thans geïntimeerde, hierna genoemd de NV, binnen de maand na de betekening van het tussen te komen vonnis diende over te gaan tot berekening en uitkering van de winstdeelname voor het personeel vanaf het jaar 2000, en dit in toepassing van de bepalingen vervat in de CAO van 10 april 1980, inzonderheid de artikelen 8 e.v., zoals deze bevestigd werden in de CAO van 22 mei 1995, inzonderheid de artikelen 10 e.v., en in toepassing van de CAO van 10 mei 2000, en dit rekening houdende met de berekeningswijze zoals deze voordien steeds werd toegepast, en zoals deze was opgenomen in de ondernemingsstatuten van vóór de statutenwijziging van april 2002, dit op straffe van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging in de uitvoering van het vonnis.

Appellante vorderde bovendien het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van het recht tot kantonnement.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 9 juli 2010, handhaafde appellante haar vorderingen en vorderde zij bovendien de bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten en de NV te veroordelen tot de gerechtskosten.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 2 augustus 2010, vorderde de NV de vordering van appellante onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot de gerechtskosten.

Met vonnis van 9 november 2010 verklaarde de arbeidsrechtbank te Antwerpen de vordering van appellante ontoelaatbaar en werd deze laatste in de gerechtskosten verwezen.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

In het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 24 december 2010, vordert appellante het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen, en opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de NV binnen de maand na de betekening van het tussengekomen arrest dient over te gaan tot berekening en uitkering van de winstdeelname "voor het personeel" vanaf het jaar 2000, en dit in toepassing van de bepalingen vervat in de CAO van 10 april 1980, inzonderheid de artikelen 8 e.v., zoals deze bevestigd werden in de CAO van 22 mei 1995, inzonderheid de artikelen 10 e.v., en in toepassing van de CAO van 10 mei 2000, en dit rekening houdende met de berekeningswijze zoals deze voordien steeds werd toegepast, en zoals deze was opgenomen in de ondernemingsstatuten van vóór de statutenwijziging van april 2002, dit op straffe van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging in de uitvoering van het arrest, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 16 januari 2012, vordert appellante te zeggen voor recht dat de NV binnen de maand na de betekening van het tussengekomen arrest dient over te gaan tot berekening en uitkering van de winstdeelname "aan het bij appellante aangesloten personeel" vanaf het jaar 2000, en dit in toepassing van de bepalingen vervat in de CAO van 10 april 1980, inzonderheid de artikelen 8 e.v., zoals deze bevestigd werden in de CAO van 22 mei 1995, inzonderheid de artikelen 10 e.v., en in toepassing van de CAO van 10 mei 2000, en dit rekening houdende met de berekeningswijze zoals deze voordien steeds werd toegepast, en zoals deze was opgenomen in de ondernemingsstatuten van vóór de statutenwijziging van april 2002, dit op straffe van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging in de uitvoering van het arrest, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten.

Ondergeschikt vordert de appellante de NV minstens te veroordelen tot naleving van de CAO van 10 april 1980, inzonderheid de artikelen 8 e.v., zoals deze bevestigd werden in de CAO van 22 mei 1995, inzonderheid de artikelen 10 e.v., en in toepassing van de CAO van 10 mei 2000, en dit rekening houdende met de berekeningswijze zoals deze voordien steeds werd toegepast, en zoals deze was opgenomen in de ondernemingsstatuten van vóór de statutenwijziging van april 2002, dit op straffe van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging in de uitvoering van het arrest.

Ten slotte vordert de appellante de NV te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding in beide aanleggen.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 14 februari 2012, vordert de NV het bestreden vonnis te bevestigen en de oorspronkelijke vordering van appellante ontoelaatbaar te verklaren en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

Op 10 april 1980 werd door de X (rechtsvoorganger van Y) een bedrijfs- CAO gesloten.

Onder de titel "G. Statutaire deelname en extra-legaal verlofgeld" werd in de artikelen 8, 9 en 10 het volgende bepaald:

"Artikel 8

De statutaire deelname zal zoals in het verleden onder de rechthebbenden verdeeld worden volgens de regel van de proportionaliteit aan de wedde van het betrokken boekjaar.

Artikel 9

Het extra-legaal verlofgeld ten bedrage van vijfenzeventig procent van de bruto maandwedde van mei wordt gewaarborgd voor zover X dat jaar dividend toekent.

Artikel 10

Wanneer statutaire deelname en extra-legaal verlofgeld samen geen equivalent zouden vormen van een volledige bruto maandwedde van mei zal een bijkomende gratificatie worden betaald, op voorwaarde uiteraard van het bestaan van dividend en met respecteren van de R.S.Z.-reglementering".

De toen geldende statuten van X voorzagen in artikel 32 in de mogelijkheid tot toekenning van een deel van de winst onder de bedienden en met name in 3% na voorafname van de wettelijke reserve en rekening houdende met vermeerderingen en verminderingen.

De tekst van voormeld artikel 32 luidde als volgt:

"Het batig saldo dat de resultatenrekening aanwijst vormt de netto-winst van het boekjaar van de vennootschap.

Op de nettowinst wordt eerst de dotatie aan de wettelijke reserve voorafgenomen, zolang het door de wet voorgeschreven bedrag niet bereikt is. Vervolgens kan de algemene vergadering, op voorstel van de raad van bestuur, beslissen het saldo voor het geheel of voor een deel te storten in één of meer reserve-provisiefondsen.

Daarna wordt het bedrag voorafgenomen nodig om een eerste dividend te betalen van vier procent (4%) per jaar berekend op een kapitaal begrensd tot driehonderd drieëndertig frank (F.333) per aandeel.

Het overschot, verminderd met de winsten die vroeger overgedragen werden, wordt verdeeld als volgt:

- vijftien ten honderd aan de bestuurders;

- drie ten honderd te verdelen door de raad van bestuur aan de bedienden volgens hun verdienste;

- het saldo vermeerderd met de vroegere overdrachten, aan de aandeelhouders, te verdelen bij gelijke paarten onder alle aandelen.

Nochtans kan de algemene vergadering, op voorstel van de raad van bestuur, beslissen het saldo voor het geheel of voor een deel naar het volgend jaar over te dragen of in een reservefonds te storten."

De artikelen 9 en 10 van de bedrijfs-CAO van 10 april 1980 werden als volgt gewijzigd door artikel 2 van de bedrijfs-CAO van 6 april 1987:

"Artikel 9

Een gratificatie ten bedrage van vijfenzeventig procent van de bruto maandwedde van de maand maart wordt, voor zover X dat jaar dividend toekent, gewaarborgd aan de bedienden die gedurende het volledige afgesloten boekjaar in dienst zijn geweest.

Artikel 10

Wanneer de statutaire deelname, vermeld in artikel 8, en de gratificatie, vermeld in artikel 9, samen minder zouden bedragen dan het equivalent van een volledige bruto maandwedde van de maand maart, zal het verschil in de vorm van een bijkomende gratificatie worden betaald."

Op 22 mei 1995 werd de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten betreffende de toekenning van een dertiende maand.

De afdeling "G. Statutaire deelname en extra-legaal verlofgeld" met de artikelen 8 tot 13 van de bedrijfs-CAO van 10 april 1980, zoals gewijzigd door de bedrijfs-CAO van 6 april 1987, werd opgeheven en vervangen door de volgende afdeling:

"Artikel 8

De bedienden van X die niet tot de directie behoren hebben recht op een bruto dertiende maand naast de twaalf normale bruto maandwedden.

Deze dertiende maand is gelijk aan het bruto bedrag van de normale bezoldiging van de maand januari volgend op het betrokken boekjaar, en wordt op het einde van die maand uitbetaald.

Artikel 9

De dertiende maand wordt prorata temporis betaald op basis van de gepresteerde werktijd tijdens het betrokken boekjaar.

Artikel 10

Ieder jaar na de Algemene Vergadering wordt een berekening gemaakt volgens de bepalingen van de artikelen 8, 9 en 10 van de CAO van 10 april 1980 zoals die van toepassing waren vóór het van kracht worden van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst.

Indien de som van a) de gratificatie van 75% van een bruto maandwedde zoals die voorzien was in artikel 9 en b) de statutaire deelname zoals die voorzien was in artikel 8, kleiner is dan of gelijk is aan het equivalent van een volledige bruto maandwedde van de maand maart vóór de Algemene Vergadering van april, wordt het daaropvolgende jaar in de maand januari aan de bedienden die op dat ogenblik in dienst zijn een bruto dertiende maand uitgekeerd overeenkomstig de nieuwe artikel 8 en 9.

Indien die som evenwel de bruto maandwedde van de maand maart vóór de Algemene Vergadering van april met een zeker percentage overschrijdt, wordt dat overschrijdingspercentage het daaropvolgende jaar in de maand januari toegepast op de normale bruto wedde van die maand januari bij het berekenen van de dertiende maand van de bedienden die op dat ogenblik in dienst zijn.

Artikel 11

De bedienden die uit dienst treden tijdens het boekjaar of op het einde ervan, ontvangen hun dertiende maand pro rata temporis voor dat boekjaar op het einde van de maand van vertrek en op basis van de normale bruto wedde van die maand.

Bij uitdiensttreding voor de datum van 1 mei, wordt in voorkomend geval het overschrijdingspercentage (waarvan sprake in artikel 10, alinea 3) toegepast dat volgde uit de berekening die in toepassing van artikel 10 werd gemaakt na de Algemene Vergadering die tijdens het jaar voorafgaand aan de uitdiensttreding werd gehouden.

Bij uitdiensttreding na de datum van 30 april, wordt in voorkomend geval het overschrijdingspercentage toegepast dat volgt uit de berekening gemaakt na de Algemene Vergadering gehouden tijdens het jaar van uitdiensttreding.

Artikel 12

Het totaal bedrag van de sommen die, overeenkomstig artikel 32 van de statuten van de X, aan de bedienden moeten verdeeld worden, wordt aangewend om de dertiende maand gedeeltelijk te financieren."

X en Z fusioneerden op 1 januari 2000. Op die datum werd de naam van de fusiebank gewijzigd in Y.

Artikel 27 van de gecoördineerde statuten bepaalde in verband met de winstdeelname het volgende:

"Op de nettowinst, zoals die vastgesteld werd overeenkomstig de vigerende wettelijke bepalingen, wordt eerst de dotatie aan de wettelijke reserve voorafgenomen, zolang het door de wet voorgeschreven bedrag niet is bereikt.

Vervolgens wordt de overblijvende nettowinst vermeerderd met de winsten die vroeger overgedragen werden.

Dit bedrag wordt als volgt aangewend:

Vooreerst kan de algemene vergadering, op voorstel van de raad van bestuur, beslissen het saldo voor het geheel of voor een deel te storten in één of meer reservefondsen.

Vervolgens kan de algemene vergadering, op voorstel van de raad van bestuur, beslissen het saldo geheel of voor een deel over te dragen naar het volgende jaar.

Het eventueel overschot wordt verdeeld als volgt:

- drie ten honderd wordt ter beschikking gesteld van de raad van bestuur die deze winst verdeelt onder de bedienden in verhouding tot hun verdienste

- het saldo wordt toegekend aan de aandeelhouders in evenredigheid van hun aandelenbezit.

Nochtans kan de algemene vergadering, op voorstel van de raad van bestuur, beslissen dit saldo voor het geheel of voor een deel over te dragen naar een volgend jaar of in een reservefonds te storten.

Bovendien kan de algemene vergadering, op voorstel van de raad van bestuur, beslissen om het geheel of een deel van de bestaande reserves uit te keren bij wijze van dividend aan de aandeelhouders in verhouding tot hun aandelenbezit."

Op 10 mei 2000 werd er een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten tussen Y en de representatieve werknemersorganisaties. Artikel 14 van deze CAO luidt als volgt:

"§1. Vanaf september 2000 zullen de sociale partners, die deze CAO hebben ondertekend, onderhandelingen aanvatten met de bedoeling zo snel mogelijk te komen tot één geharmoniseerd statuut voor alle personeelsleden van de NV. In afwachting van zo een geharmoniseerd statuut blijven de bestaande statuten en respectieve arbeidsreglementen van toepassing.

§2. Het geharmoniseerd statuut zal van toepassing zijn op alle medewerkers van Z enX en op alle medewerkers aangeworven door de NV vanaf 01.01.2000.

Het geharmoniseerd statuut zal ook worden aangeboden aan alle medewerkers, die uit andere dan de twee genoemde maatschappijen komen; zij zijn echter vrij te kiezen voor dit nieuwe statuut of voor behoud van hun oorspronkelijk contract; in dit laatste geval worden zij geïntegreerd in de activiteiten van die onderneming waar het arbeidscontract betrekking op heeft.

§3. Het geharmoniseerd statuut zal

- op jaarbasis aan niemand minder geven dan in zijn huidig statuut.

- worden samengesteld uit het beste van de Z/X-systemen.

§4. Na ondertekening van deze CAO zullen partijen eveneens negotiëren over toepassing van elementen die niet direct met het statuut verbonden zijn maar toch financiële repercussies hebben voor de betrokken personeelsleden. Niet-limitatief gaat het dan om compensatie van overuren, meeruren, permanenties en shiftwerk, om het statuut van reizend en semi-reizend personeel, de kilometervergoeding bij opdrachten, enz.

Een technische werkgroep zal na ondertekening van deze CAO een inventaris maken van alle elementen, die volgens hoofdstuk VIII genegotieerd dienen te worden.

§5. De toekenning van 50% van een veertiende maand voor iedereen zal bij die onderhandelingen ook bespreekbaar zijn.

§6. Vanaf september 2000 zullen niet-limitatief de volgende punten onderwerp van onderhandeling uitmaken:

- extra-legaal pensioen,

- hospitalisatieverzekering/gewaarborgd inkomen,

- personeelsvoorwaarden op bank- en verzekeringsproducten van de NV-groep in België."

Op 20 december 2001 sloten de Y en de representatieve werknemersorganisaties de "collectieve arbeidsovereenkomst tot regeling van het geharmoniseerd statuut". Deze CAO werd van kracht op 1 januari 2002.

Onder hoofdstuk V "Remuneratie-Algemene Regels" bepaalt het artikel 10 onder de titel "Jaarlijkse remuneratie":

"De jaarlijkse remuneratie is als volgt samengesteld:

Voor de bedienden en de kaderleden:

-Maandwedde x 12

-Een dertiende maand,gelijk aan eenmaal de vaste bruto maandwedde (baremiek + extra baremiek)

-Het dubbel vakantiegeld."

In de artikelen 11,12 en 13 van deze CAO worden respectievelijk de maandwedde, de dertiende maand en het vakantiegeld gedefinieerd.

Volgens artikel 12 is de "dertiende maand" gelijk aan de normale vaste bruto maandwedde van de maand december.

Artikel 71 van deze collectieve arbeidsovereenkomst bevat de opheffingsbepalingen en luidt als volgt:

"Behoudens andersluidende vermelding, komen de in onderhavige cao opgenomen bepalingen in de plaats van de bepalingen opgenomen in vroegere cao's, statuten of akkoorden X of Z, die dezelfde materies regelden.

De directie en de syndicale afgevaardigden zullen in het eerste trimester 2002 een lijst opmaken van de cao's X en Z (of bepalingen daarin) die nog geldig blijven naast de cao's gesloten sinds de oprichting van de nv. Die lijst zal het voorwerp uitmaken van een nieuwe cao die terzake zal worden gesloten."

Op 18 april 2002 volgde er een statutenwijziging. Het nieuwe artikel 27 luidt nu dat de door de wet opgelegde voorwaarden in acht nemende, de vergadering beslist over de bestemming of de uitkering van de nettowinst. De mogelijke winstdeelneming voor de bedienden wordt niet meer voorzien.

Tijdens verschillende vergaderingen van de ondernemingsraad werd door de werknemersvertegenwoordigers geprotesteerd tegen de afschaffing van de winstdeelname.

Bij aangetekende brief van 7 augustus 2003 stelde de appellante in naam van 17 leden de NV in gebreke voor de afschaffing van de uitkering in de winstdeling.

Dit schrijven luidt als volgt:

"...

De winstdeelneming is vastgelegd in de CAO van 22/05/1995 (X). En voor wat de harmonisering betreft verwijzen wij ook naar art. 14 §3 van de CAO van 10/05/2000.

Deze bepaling laat niet toe dat de Algemene Vergadering de winstdeelneming afschaft.

Tot op heden werd er geen nieuwe CAO getekend die de winstdeling regelt waardoor alles bij het oude blijft.

Wij vragen dan ook dat voor alle bovenvermelde leden de winstdeling met terugwerkende kracht onmiddellijk wordt uitbetaald."

De Y antwoordde met brief van 19 augustus 2003 als volgt:

"Wij bevestigen ontvangst van voormeld schrijven waarin u voor 17 leden met terugwerkende kracht uitbetaling van winstdeelneming vraagt.

De cao X van 22 mei 1995 waarop u zich beroept, is de "collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de toekenning van een dertiende maand". In die cao worden de bepalingen die in de X-cao van 10 april 1980 handelden over de statutaire deelname, opgeheven en vervangen door bepalingen over de dertiende maand en wordt gestipuleerd dat het totaal bedrag van de sommen die, overeenkomstig artikel 32 van de statuten van de x, aan de bedienden moeten verdeeld worden, wordt aangewend om de dertiende maand gedeeltelijk te financiëren.

De cao van de nv van 20 december 2001 tot regeling van het geharmoniseerd statuut, geeft in haar artikel 12 een duidelijke definitie van de dertiende maand in het geharmoniseerde statuut, en stipuleert dat de dertiende maand van het boekjaar 2001 einde december 2001 betaald wordt.

Diezelfde cao zegt in artikel 71: "Behoudens andersluidende vermelding, komen de in onderhavige cao opgenomen bepalingen in de plaats van de bepalingen opgenomen in vroegere cao's, statuten of akkoorden X of Z, die dezelfde materies regelden."

Het is dus duidelijk dat de cao's X terzake niet meer van toepassing zijn. De afschaffing door de Algemene Vergadering van de statutaire deelname was hiervan de logische vertaling naar de statuten van de vennootschap.

Uw leden hebben, zoals de andere personeelsleden, de dertiende maand ontvangen waarop zij recht hadden. Wij kunnen dan ook aan uw verzoek geen gevolg geven."

In de daaropvolgende briefwisseling bleven beide partijen bij hun eerder ingenomen standpunt.

Op 8 februari 2005 dagvaardde de appellante de NV en vorderde zij hetgeen sub. II van dit arrest wordt vermeld.

2. De beoordeling

2.1 Toelaatbaarheid van de vordering van appellante

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

appellante is een feitelijke vereniging, die niet over rechtspersoonlijkheid beschikt en bijgevolg niet bekwaam is om in rechte op te treden (vgl. Cass. 19 april 1968, Pas. 1968, I, 987).

In de mate dat een wettelijke bepaling aan de vakvereniging de mogelijkheid biedt in rechte op te treden, dient deze bepaling als uitzondering te worden beschouwd en aldus restrictief te worden geïnterpreteerd (vgl. Cass. 28 april 1966, R.C.J.B. 1968,34; Brussel 10 februari 1997, J.T. 1997,176) ).

Een dergelijke uitzonderingsbepaling is voorzien bij artikel 4 van de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hierna de CAO-Wet genoemd. Deze bepaling luidt als volgt:

"De organisaties mogen in rechte optreden in alle geschillen die uit de toepassing van deze wet kunnen ontstaan en ter verdediging van de rechten welke haar leden putten in de door haar gesloten overeenkomsten. Het optreden van de organisaties laat het recht van de leden onverkort om zelf op te treden, zich bij een vordering aan te sluiten of in het geding tussen te komen.

Van de organisaties kan evenwel maar schadevergoeding wegens niet-naleving van de uit een overeenkomst voortvloeiende verplichtingen worden gevorderd in de mate waarin zulks door de overeenkomst uitdrukkelijk is geregeld.

Tenzij de statuten het anders bepalen, worden de organisaties in rechte vertegenwoordigd door de persoon die met het dagelijks beheer van de organisatie is belast."

De vraag die zich stelt is of de vordering van de appellante, zoals gesteld in de inleidende dagvaarding, en gewijzigd in hoger beroep, gedefinieerd kan worden als een geschil ter verdediging van de rechten welke haar leden putten in de door haar gesloten overeenkomsten, zoals appellante voorhoudt.

Hiertoe dient de draagwijdte van artikel 4 van de CAO-wet te worden beoordeeld.

Belangrijk is te noteren dat de bekwaamheid van een representatieve werknemersorganisatie, zoals appellante, om een rechtsvordering in te stellen ter verdediging van de rechten welke haar leden putten in een door haar afgesloten collectieve arbeidsovereenkomsten, niet berust op de vertegenwoordiging van het lid in het proces maar de autonome bevoegdheid inhoudt van de werknemersorganisatie om in de plaats van de leden af te dwingen dat de andere contracterende partij de (individuele) normatieve bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst naleeft en dit onafhankelijk van de rechten van de individuele leden.

De representatieve werknemersorganisatie oefent hierbij een eigen vordering uit zodat het door de NV opgeworpen onderscheid tussen materiële en formele procespartij niet terzake dienend is.

Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de bekwaamheid van de representatieve werknemersorganisaties om in rechte op te treden ter verdediging van de rechten welke haar leden putten in de door haar gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten een zeer specifieke en doelgerichte bekwaamheid is.

Normaal vloeit de voor het instellen van een rechtsvordering vereiste hoedanigheid of bekwaamheid voort uit het direct en persoonlijk belang dat de eiser heeft bij de oplossing van het geschil.

Artikel 4 van de CAO-Wet kent aan de representatieve werknemersorganisaties een vorderingsrecht toe waarbij zij geen direct en persoonlijk belang in haar hoofde moet aantonen. Het gaat om een toegewezen vordering waarbij de vakorganisatie op grond van een wettelijk prerogatief optreedt in het belang van het respect als zodanig van de collectieve arbeidsovereenkomst.

In dit opzicht kan van een functioneel belang gesproken worden dat het maatschappelijk doel van de representatieve werknemersorganisaties raakt.

De werknemersorganisatie heeft er als contractpartij bij de collectieve arbeidsovereenkomst immers belang bij dat deze door de werkgever wordt nageleefd ten aanzien van haar leden. In het geval van miskenning door de werkgever van de in de collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen individuele normatieve bepalingen moet de werknemersorganisatie ook bij stilzitten van de werknemers kunnen optreden om te vermijden dat deze bepalingen dode letter blijven. De werknemersorganisatie kan desnoods tegen de wil in van haar leden in rechte optreden (cfr. J. PETIT, De collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, Commentaar bij de wet van 5 december 1968 , Brussel, Reinaert Uitgaven, 1969, 305).

Men kan aldus stellen dat het belang van de werknemersorganisatie het individueel belang van de aangesloten werknemers overstijgt en dat haar vorderingsrecht een semi-openbaar karakter heeft (cfr. J. VAN COMPERNOLLE, Le droit d'action en justice des groupements, Larcier, 1972, 116).

Anderzijds is het recht van de vakorganisaties om namens hun leden in rechte op te treden enger dan het individueel vorderingsrecht van de betrokken werknemers in die zin dat deze alleen kan strekken tot de principiële veroordeling van de werkgever tot naleving van de individuele normatieve bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst ten aanzien van haar leden (cfr. L. PELTZER, "La Capacité des organisations représentatives à agir en personne -Une étude de l'article 4 de la loi du 5 décembre 1968", Soc. Kron. 2002, 7).

Dit is de keerzijde van het gegeven dat het eigen recht van de representatieve werknemersorganisatie om in de plaats van haar leden in rechte op te treden ter verdediging van de rechten die deze laatsten putten in een collectieve arbeidsovereenkomst een abstract karakter heeft en zij bij het instellen van deze vordering de identiteit van haar leden niet kenbaar hoeft te maken (J. PETIT, o.c. 306).

Het toegewezen vorderingsrecht van de vakorganisatie op grond van artikel 4 van de CAO-Wet reikt bijgevolg niet zo ver dat zij ook de veroordeling kan bekomen in betaling van een geïndividualiseerde en welbepaalde geldsom ten behoeve van een derde, welke niet eens moet worden vermeld. Artikel 4 van de CAO-Wet maakt van de representatieve werknemersorganisaties geen titularis van het subjectief recht op loon en het komt alleen aan de individuele werknemer toe zijn concrete patrimoniale belangen te benaarstigen, door bijvoorbeeld vrijwillig tussen te komen in het geding (vgl. Arbh. Gent, 12 april 1989,T.S.R. 1989,308).

Dit alles doet natuurlijk geen afbreuk aan de mogelijkheid van de vakorganisatie om namens haar leden een dergelijke vordering in betaling te stellen met toepassing van artikel 728,§3 van het Gerechtelijk Wetboek, voor zover zij over een schriftelijke volmacht beschikt.

Op grond van het voorgaande komt het arbeidshof samen met het Openbaar Ministerie tot het besluit dat de vordering, zoals deze in eerste aanleg werd gesteld door appellante, en in hoofdorde gehandhaafd werd in hoger beroep, niet kan worden toegelaten.

Deze vordering strekt immers tot de berekening en uitkering, of met andere woorden tot de betaling, van een geïndividualiseerde winstdeelname aan het (aangesloten) personeel.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank kan op dit punt bijgevolg worden bevestigd.

Zoals het Openbaar Ministerie correct stelt past de door appellante in hoger beroep in ondergeschikte orde geformuleerde vordering wel binnen hetgeen de wetgever bij de invoering van de functionele rechtsbekwaamheid bij artikel 4 van de CAO-Wet voor ogen had, nu deze vordering van appellante enkel als doelstelling heeft de rechten welke haar leden putten in de door haar gesloten collectieve overeenkomsten te verdedigen en een principiële veroordeling tot naleving van deze collectieve arbeidsovereenkomsten te bekomen, zodat de vereisten van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek in dit laatste geval vervuld zijn.

Deze in ondergeschikte orde geformuleerde vordering is toelaatbaar en het arbeidshof zal verder onderzoeken of de aldus gestelde vordering gegrond is.

2.2 Het recht op winstdeelname op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst

Appellante stelt dat het bij haar aangesloten personeel van de NV in toepassing van de CAO van 10 april 1980, inzonderheid de artikelen 8 e.v., zoals deze bevestigd werden in de CAO van 22 mei 1995, inzonderheid de artikelen 10 e.v., en in toepassing van de CAO van 10 mei 2000 aanspraak maakt op een winstdeelname.

Het arbeidshof is samen met het Openbaar Ministerie van oordeel dat deze zienswijze van appellante niet kan worden bijgetreden.

In de CAO van 10 april 1980 is er onder titel G inderdaad sprake van "Statutaire deelname en extralegaal verlofgeld".

Bij CAO van 22 mei 1995 werd deze afdeling G van de CAO van 10 april 1980, omvattende de artikelen 8 tot en met 13, zoals gewijzigd door de CAO van 6 april 1987, evenwel uitdrukkelijk opgeheven en vervangen door een nieuwe Titel G "Dertiende maand van de bedienden".

Voor zover in artikel 8 van de CAO van 10 april 1980 als zodanig al een conventioneel recht op een winstdeelname kon worden teruggevonden is hiervan alvast geen sprake meer in het nieuw geformuleerde artikel 8 van de CAO van 22 mei 1995 dat het nog enkel heeft over het recht op een dertiende maand. De statutaire winstdeelname wordt in de nieuwe artikelen 10 en 12 nog uitsluitend gehanteerd als een berekenings- dan wel financieringstechniek van de dertiende maand. Het is dan ook volledig ten onrechte dat appellante voorhoudt dat het recht op een winstdeelname in de CAO van 22 mei 1995 is geïncorporeerd.

Daarenboven kan niet voorbijgegaan worden aan artikel 71 van de CAO van 20 december 2001 tot harmonisering van het statuut.

Deze bepaling voorziet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig dat, behoudens andersluidende vermelding, de in deze CAO opgenomen bepalingen in de plaats komen van de bepalingen opgenomen in vroegere CAO's, statuten of akkoorden X en Y die dezelfde materies regelen.

Artikel 12 van de CAO van 20 december 2001, dat bepaalt dat alle personeelsleden jaarlijks op 15 december een dertiende maand ontvangen voor het lopend jaar gelijk aan de vaste bruto maandwedde van de maand december, komt duidelijk in de plaats van de bepalingen die voorheen het recht op een dertiende maand regelden, als zijnde dezelfde materie. Er is daarin geen sprake meer van de winstdeelname als berekingswijze of financieringstechniek van deze dertiende maand en evenmin nog van een correctie in functie van de regeling die onder de vroegere CAO' s van toepassing was.

Het standpunt van appellante dat het recht op winstdeelname voor het personeel niet is komen te vervallen omdat de CAO van 20 december 2001 de materie "winstdeelname voor het personeel" niet regelt, kan niet worden gevolgd om de eenvoudige reden dat wat appellante noemt "het principe zelf van de winstdeelname" reeds niet meer voorkwam in de CAO van 22 mei 1995, zoals hoger reeds is gebleken.

Wanneer er in de CAO van 20 december 2001 niet uitdrukkelijk afstand werd gedaan van een conventioneel recht op een winstdeelname is dit het loutere gevolg van het feit dat dit recht als zodanig reeds niet meer bestond.

Uit de vaststelling dat in de CAO van 20 december 2001 op geen enkele wijze meer melding wordt gemaakt van de winstdeelname ziet het arbeidshof overigens juist een affirmatie van het feit dat deze geen deel uitmaakt van de conventionele aanspraken van het personeel. Indien de partijen bij deze collectieve arbeidsovereenkomst werkelijk de bedoeling hadden gehad de winstdeelname als onderdeel van het jaarlijks loon bevestigd te zien waren artikel 10 e.v. van de CAO, die op omstandige en gedetailleerde wijze de jaarlijkse remuneratie van het personeel omschrijven, hiertoe de uitgelezen mogelijkheid geweest.

De bemerking van appellante dat ook andere elementen van verloning na het eengemaakt statuut zijn blijven bestaan zonder dat er melding van wordt gemaakt in dit artikel 10 van de CAO doet aan deze vaststelling geen afbreuk nu appellante het argument van de NV niet weerlegt dat deze andere elementen van verloning, zoals het variabel loon, de bonussen, de discretionaire premies, ook voorheen niet bij collectieve arbeidsovereenkomst of akkoorden werden geregeld, doch wel bij individuele overeenkomsten en toezeggingen.

Daarenboven voorziet artikel 71 van de CAO van 20 december 2001 dat "de directie en de syndicale afvaardiging in het eerste trimester 2002 een lijst zullen opmaken van de CAO's X en Z (of bepalingen daarin) die nog geldig blijven naast de CAO'S gesloten sinds de oprichting van de nv en dat die lijst het voorwerp zal uitmaken van een nieuwe CAO die terzake zal worden afgesloten".

Het arbeidshof kan alleen maar vaststellen dat een dergelijke lijst niet werd opgemaakt en dat appellante blijkbaar hierop ook niet heeft aangedrongen.

Waar partijen dus de expliciete mogelijkheid hadden om de gelding van vroegere CAO's of bepalingen daarvan alsnog bevestigd te zien is dit kennelijk niet gebeurd.

Tevergeefs houdt appellante voor dat de winstdeelname niet ter sprake is gekomen tijdens de onderhandelingen van de CAO van 20 december 2001 omdat de partijen steeds aanvaard hebben dat de winstdeelname voor het personeel ook na het afsluiten van de CAO onverminderd van toepassing zou blijven. Appellante houdt hierbij voor dat deze bedoeling van partijen om het recht op de winstdeelname te behouden gedistilleerd kan worden uit de verslagen van de ondernemingsraad van 4 mei 1999 en 20 oktober 2000.

Hoewel artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek de rechter verplicht in de overeenkomsten na te gaan wat de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen is geweest, heeft het geschrift bewijskracht, ingevolge de artikelen 1319, 1320, 1322 en 1341 van hetzelfde wetboek, zowel wat zijn bewoordingen als wat zijn inhoud betreft, zodat de rechter, wanneer er een geschrift is, daarin de wil van de partijen moet vinden (vgl. Cass. 24 maart 1988, Pas. 1988, I, 894; Cass.10 januari 1994, Arr. Cass. 1994, 16).

De uitlegging van de bedingen in een overeenkomst moet derhalve verenigbaar zijn met de tekst van de overeenkomst, bij ontstentenis waarvan de rechter de bewijskracht van het geschrift miskent (vgl. DE BONDT W., "Uitlegging van overeenkomsten naar de geest: mogelijkheden, grenzen, alternatieven", R.W. 1996-97, 1004-1008, en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer).

In casu is de tekst van artikel 12 van de CAO van 20 december 2001 samen gelezen met artikel 71 bijzonder duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar.

Zoals het Openbaar Ministerie terecht stelt werd met deze bepalingen een streep getrokken onder de vroegere regelingen met betrekking tot de aan de personeelsleden toe te kennen derdiende maand, inclusief de winstdeelname als berekenings- en financieringstechniek.

Voor de volledigheid wenst het arbeidshof daarbij nog op te merken dat de directie van de NV in de verslagen van de ondernemingsraad waarnaar appellante verwijst nooit een conventioneel recht op een winstdeelname heeft bevestigd, doch wel het statutair recht daartoe.

Tenslotte verwijst appellante ten onrechte naar artikel 14,§3 van de CAO van 10 mei 2000 waarin werd bepaald dat de sociale partners vanaf september 2000 de onderhandelingen zouden aanvatten om tot het geharmoniseerd statuut te komen dat samengesteld zou worden uit het beste van de Z en X-systemen, waarbij op jaarbasis aan niemand minder gegeven zou worden dan in zijn huidig statuut.

Vermits aan deze bepaling concrete invulling gegeven werd door de CAO van 20 december 2001 houdende het geharmoniseerd statuut kunnen partijen zich als zodanig op deze bepaling niet meer beroepen.

Bovendien wijst niets erop dat aan de in artikel 14,§ 3gestelde principes afbreuk werd gedaan nu, het weze herhaald, het conventioneel recht op een winstdeelname op 10 mei 2000 niet meer tot het (sociaal) statuut X behoorde. Appellante toont overigens op geen enkele wijze aan dat haar leden op jaarbasis minder hebben ontvangen dan in hun vorig statuut.

Vermits de winstdeelname sedert de CAO van 20 december 2001 ook niet meer gehanteerd werd als berekenings -of financieringstechniek van de dertiende maand vermocht de NV, zonder dat haar een schending van enige bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst kan worden verweten, in april 2002 tot een statutenwijziging overgaan in die zin dat het statutair recht op winstdeelname werd afgeschaft.

Samengevat dient te worden besloten dat de bij appellante aangesloten personeelsleden van de NV geen recht op winstdeelname meer kunnen putten in de CAO's van 10 april 1980 en 22 mei 1995 of enig andere collectieve arbeidsovereenkomst.

De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen geen afbreuk aan de voorgaande overwegingen en besluitvorming.

De in hoger beroep in ondergeschikte orde gestelde vordering is derhalve ongegrond.

BESLISSING,

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

De in hoger beroep in hoofdorde gestelde vordering is ontoelaatbaar.

Het vonnis van 9 november 2010 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt bevestigd.

Het arbeidshof doet uitspraak over de in hoger beroep in ondergeschikte orde gestelde vordering die ertoe strekt de NV te veroordelen tot naleving van de CAO van 10 april 1980, inzonderheid de artikelen 8 e.v., zoals deze bevestigd werden in de CAO van 22 mei 1995, inzonderheid de artikelen 10 e.v., en in toepassing van de CAO van 10 mei 2000, en dit rekening houdende met de berekeningswijze zoals deze voordien steeds werd toegepast, en zoals deze was opgenomen in de ondernemingsstatuten van vóór de statutenwijziging van april 2002.

Deze vordering wordt toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

Appellante wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend:

Voor appellante begroot op:

1.320,00 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

Voor de NV begroot op:

1.320,00 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

Aldus gewezen door:

Mevrouw A. ARIËN, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer F. LAMBERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw W. HAES, griffier.

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 13 juni 2012.

Mots libres

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • gerechtelijk privaatrecht

  • hoedanigheid

  • vakvereniging

  • CAO-wet

  • toegewezen eigen vordering

  • semiopenbaar en abstract karakter