- Arrêt du 1 avril 2012

01/04/2012 - 2009/AB/52096

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Art. 1675/7 §2 tweede lid Ger. W. verhindert niet dat de voortzetting van de verkoop van een onroerend goed willekeurig kan zijn.

Wanneer een hypothecaire schuldeiser reeds een grotere afbetaling heeft bekomen dan het bedrag, waarvoor hij bij de schuldbemiddelaar aangifte heeft gedaan en de verkoop van een onroerend goed voor de schuldenaar tot een zwaardere uitgave van woonkosten zal leiden, waardoor zijn aflossingscapaciteit voor zijn overige schulden wordt verminderd, bestaat er rechtsmisbruik bij de uitoefening van het recht op voortzetting van de verkoop van het onroerend goed door de schuldeiser.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 APRIL 2012

11 e KAMER

COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling

op tegenspraak tav. CKV, de heer V., mevr. D. en de schuldbemiddelaar en bij verstek tav. de schuldeisers

definitief

In de zaak:

CENTRALE KREDIETVERLENING NV, met zetel te

8790 WAREGEM, Mannebeekstraat 33,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. DE BOECK Barbara loco mr. GHEKIERE Alain, advocaat te 8870 IZEGEM, Burg. Vandenbogaerdelaan 14.

Tegen:

V. A. en D. S.,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door mr. HEERINCKX Sandra, advocaat te 1500 HALLE, Nijverheidsstraat 36 bus 22.

VAN CAMPENHOUT J., advocaat, in zijn hoedanigheid van schuldbemiddelaar, met kantoor te 1702 GROOT-BIJGAARDEN, Robert Dansaertlaan 82, en verschijnend ter zitting;

In aanwezigheid van:

1. MOBISTAR NV, met zetel te 1030 BRUSSEL, Reyerslaan 70,

2. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, BTW ONTVANGKANTOOR HALLE, 1500 HALLE, Zuster Bernadastraat 32,

3. IWVB, met zetel te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Alsembergsesteenweg 5a,

4. FSMB, met zetel te 1000 BRUSSEL, Zuidstraat 111,

5. CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579/40,

6. IVERLEK, met zetel te 3000 LEUVEN, Aarschotsesteenweg 58,

7. VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ, met zetel te 9320 EREMBODEGEM, Alfons Van de Maelestraat 96,

8. VLAAMSE GEMEENSCHAP, ONROERENDE VOORHEFFING, met zetel te 9300 AALST, Bauwensplaats, 13 bus 2,

9. OCMW ST. PIETERS LEEUW, met kantoor te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Fabriekstraat 1,

10. VLABEL, met zetel te 1210 BRUSSEL, Koning A. II laan 19/7,

11. EANDIS JURIDISCHE DIENST, met zetel te 9090 MELLE, Brusselsesteenweg 199,

12. EANDIS SODV, met zetel te 9090 MELLE, Brusselsesteenweg 199,

13. ELECTRABEL, met zetel te 9000 GENT, Franklin Rooseveltlaan 1,

14. VLAAMSE ZORGFONDS, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning A. II laan 35/7,

15. GEMEENTEBESTUUR SINT-PIETERS-LEEUW, met zetel te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Pastorijstraat 21,

16. ING BELGIE, met zetel te 1000 BRUSSEL, Marnixlaan 24,

17. ALPHA CREDIT, met zetel te 1000 BRUSSEL, Ravensteinstraat 60/15,

18. DEXIA BANK, met zetel te 1000 BRUSSEL, Pachecolaan 44,

19. BELGACOM, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning A. II laan 27,

20. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, BELASTINGEN LENNIK, met regionaal kantoor te 1500 HALLE, Zuster Bernardastraat 32,

21. VAN OUDENHOVE Patrick, notaris, met standplaats te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, H. Consciencestraat 31,

Schuldeisers, niet verschijnend, noch vertegenwoordigd ter zitting.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- de tussenarresten van het hof van 21 december 2009 en 21 juni 2010,

- het arrest van het Grondwettelijk Hof van 16 juni 2011,

- de conclusie na arrest Grondwettelijk Hof voor de appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 24 oktober 2011 en 21 februari 2012,

- de conclusies na arrest Grondwettelijk Hof voor de schuldbemiddelaar neergelegd ter griffie, respectievelijk op 27 september 2011 en 31 januari 2012;

- de voorgelegde stukken.

***

*

De aanwezige partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 5 maart 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

I. VOORGAANDEN

1. Voor een beschrijving van de relevante feiten kan het hof verwijzen naar wat uiteengezet werd in het tussenarrest van 21 december 2009.

2. Voor de beschikking van toelaatbaarheid van 17 maart 2009, werd ten verzoeke van de N.V. Centrale Kredietverlening hierna afgekort tot CKV) op 13 maart 2009 de verkoop aangeplakt van het onroerend goed van de heer A. V. en mevrouw S. D., gelegen (...).

Met verwijzing naar artikel 1675/14 Ger. W. vatte de schuldbemiddelaar de arbeidsrechtbank bij hoogdringendheid met de vraag om de schorsing te bevelen van de gedwongen verkoop van het hierboven vermelde onroerend goed, en dit op straffe van een dwangsom van euro 500.

De schuldbemiddelaar stelde de noodzaak en de opportuniteit van de gedwongen verkoop in vraag, omdat het inkomen van de schuldenaars een volledige terugbetaling van de schuldmassa in het vooruitzicht stelde, terwijl bij een verkoop de schuldenaars een huurpand zouden moeten betrekken waarbij de gemiddelde huur zondermeer het dubbele zou bedragen van de hypothecaire mensualiteit, zodat het verder zetten van de verkoop in zijn ogen rechtsmisbruik uitmaakt.

3. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 20 april 2009 werd gezegd voor recht dat de gedwongen verkoop van het vermelde onroerend goed diende geschorst te worden en dit op straffe van een dwangsom van euro 500 vanaf 20 april 2009 per handeling en per dag dat de gedwongen uitvoering zou worden verder gezet.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 april 2009, tekende de NV Centrale Kredietverlening hoger beroep aan.

Dit beroep beperkte zich niet tot de eigenlijke beslissing van de eerste rechter, maar wenste ook een antwoord op de kritieken die CKV voor de eerste rechter had geformuleerd op de beslissing van toelaatbaarheid.

Wat de verkoop van het onroerend goed betrof, vroeg CKV de toelating tot voortzetting van de verkoop, minstens dat een verhoogde mensualiteit zou worden betaald en dat de intresten verder zouden blijven lopen.

5. In het tussenarrest van 21 december 2009 werd het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond verklaard, wat betreft het incidenteel derdenverzet van CKV tegen de toelaatbaarheidbeschikking van 17 maart 2009.

In dit tussenarrest werden de debatten heropend om partijen toe te laten hun standpunt naar voor te brengen over de vraag of CKV niet berust had in het bestreden vonnis en of het verder nog een belang had bij het ingestelde beroep.

Tevens werd de vraag gesteld of de houding van CKV geen rechtsmisbruik uitmaakte in de mate dat ze de verkoop van het onroerend goed bleef nastreven. Immers uit de briefwisseling bleek dat een meer proportionele oplossing mogelijk was en de schuldbemiddelaar gaf aan dat alle schulden, waaronder deze van CKV, zouden kunnen worden voldaan zonder deze openbare verkoop.

6. In het tussenarrest van 21 juni 2010 werd vastgesteld dat CKV niet ondubbelzinnig berust had, zodat ze een belang behield om hoger beroep aan te tekenen. Dit gebeurde tijdig en op ontvankelijke wijze.

Alvorens verder recht te doen stelde het hof aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag:

Schendt artikel 1675/7 §2, 2° Ger. W. het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in de art. 10 en 11 van de Grondwet en het recht een menswaardig leven te leiden, neergelegd in artikel 23 van de Grondwet,

- in zoverre het de schuldbemiddelingsrechter kennelijk verbiedt om op voorstel van de schuldbemiddelaar in het belang van de boedel en rekening houdend met de menselijke waardigheid van de schuldenaars, de opportuniteit van de verkoop te beoordelen, en te voorzien in een uitstel of afstel van de verkoop in het belang van de boedel,

- terwijl artikel 25 derde lid van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 de curator wel de mogelijkheid geeft om een dergelijke beoordeling voor te leggen aan de rechter-commissaris,

dan wanneer mag aangenomen worden dat een handelaar die een faillissement aanvraagt, een grotere kennis heeft over financiële aangelegenheden en de noodzaak van het nemen van tijdige maatregelen dan een natuurlijke persoon, die geen koopman is en niet in staat is om op duurzame wijze zijn opeisbare of nog de vervallen schulden te betalen.

7. Bij arrest 104/2011 van 16 juni 2011 antwoordde het Grondwettelijk Hof dat artikel 1675/7, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet schendt.

8. CKV herneemt in haar beroepsbesluiten van 21 februari 2012 het beschikkend gedeelte van haar verzoekschrift tot hoger beroep.

In zijn samenvattend beroepsbesluit na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 31 januari 2012 wijst de schuldbemiddelaar er op dat CKV op 23 maart 2009 een aangifte van schuldvordering deed voor een bedrag van euro 21.587,57 en dat dit bedrag inmiddels aan CKV betaald werd vanuit de boedel, zodat de reden van verkoop naar zijn mening zonder voorwerp was geworden.

II. VERDERE BEOORDELING

Het arrest van het Grondwettelijk Hof en de opschorting voor onbepaalde tijd van de verkoop

1. Op grond van art. 28 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moeten het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

2. Op de vraag door het hof gesteld in het tussenarrest van 21 juni 2010 heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest 104/2011 van 16 juni 2011 gezegd dat artikel 1675/7, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet schendt.

3. Art. 1675/7 §2 tweede lid Ger. W. bepaalt:

Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel.

Gelet op het feit dat op de datum van de beschikking van toelaatbaarheid de datum van verkoop van het onroerend goed reeds was bepaald, kon de eerste rechter op grond van de ratio legis van de wetgeving collectieve schuldenregeling de geplande verkoop niet zonder meer en onbepaald schorsen en in die zin is het hoger beroep gegrond.

Rechtsmisbruik

4. Art. 1675/7 §2 tweede lid Ger. W. verhindert niet dat de voortzetting van de verkoop van een onroerend goed willekeurig kan zijn. (E. Dirix, Overzicht van rechtspraak, Beslag en collectieve schuldenregeling, TPR 2007, 2148, nr. 214 en de rechtspraak aangehaald in voetnoot 543).

Er is sprake van rechtsmisbruik als een recht zonder redelijk en voldoende belang wordt uitgeoefend, inzonderheid wanneer het berokkende nadeel buiten verhouding is met het door de houder van het recht beoogde voordeel. De rechter moet bij de beoordeling van de in het geding zijnde belangen, met alle omstandigheden van de zaak rekening houden (Cass. 17 mei 2002, Arr. Cass. 2002, 1306; Cass. 30 januari 2003, RW 2005-06, 1219; TBBR 2004, 405; Cass.6 januari 2011, Pas. 2011, 44 met conclusie Openbaar Ministerie).

Zo werd geoordeeld dat een hypothecaire schuldeiser, die perfect op de hoogte is van de procedure van collectieve schuldenregeling waarbij hij betrokken is, en die quasi volledig zal worden betaald ingevolge de aanzuiveringregeling bekrachtigd door de rechter, misbruik van zijn recht maakt door op een onoordeelkundige wijze een procedure van uit onverdeeldheid treding te benaarstigen waardoor aan de schuldenaar een aanzienlijk nadeel wordt berokkend dat niet in verhouding staat tot het voordeel dat de hypothecaire schuldeiser daaruit kan halen (Bergen, 1 april 2003, P&B 2007, 205; vgl. Beslagr. Bergen 5 juni 2003, P&B, 2007, 192).

5. CKV deed op 23 maart 2009 een aangifte van schuldvordering bij de schuld-bemiddelaar voor een bedrag van euro 21.587,57 uit hoofde van een hypothecaire lening van 1 december 1999 met de melding dat ze genoot van een hypotheek.

Niet betwist wordt dat de schuldbemiddelaar op 22 september 2011 vanuit de boedel het door CKV aangegeven bedrag van euro 21.587,57 reeds aan CKV heeft uitbetaald.

Niettemin formuleerde CKV op 22 april 2009 na het bestreden vonnis volgend tentatief voorstel tot vermijding van de voortzetting van de verkoop van het onroerend goed:

- De achterstand op datum van de beschikking van toelaatbaarheid in hoofdsom, intresten en kosten ten bedrage van euro 4007,24 (+ notariskosten) wordt in het minnelijk plan opgenomen en deze wordt integraal aangezuiverd gedurende de loop van het plan.

- Per 2 september 2008 werd het dossier opeisbaar. Dit heeft onder meer een verhoging van de contractuele rentevoet met een 0,50% tot gevolg zijnde aldus tot 11,45%.

Om aan deze verhoging tegemoet te komen wordt er vanaf de datum beschikking toelaatbaarheid een verhoogde maandsom van euro 327,93 i.p.v. euro 324,69 als boedelschuld stipt betaald op de respectievelijke vervaldag zijnde telkenmale de eerste van de maand te beginnen met 1 april 2009 tot einde van het contract.

Door de betaling van 22 september 2011 bekwam CKV ruimschoots meer dan wat het zelf had voorgesteld in haar brief van 22 april 2009. Dit laatste was voor haar ook al een gunstiger oplossing dan wat ze in haar aangifte van schuldvordering op 23 maart 2009 had opgegeven.

De schuldbemiddelaars en de schuldenaars waren het niettemin eens met dit voor CKV gunstige voorstel. Gelet op het feit dat het voorstel van CKV afhankelijk was van de aanvaarding en homologatie van het op te stellen minnelijk plan, was deze toezegging niet onvoorwaardelijk en hield ze enkel een intentieverklaring in.

Niettemin trok CKV haar suggestie van oplossing terug in, omdat ze de toepassing van art. 1675/7 §2 tweede lid Ger. W. niet wilde aanvaarden.

Ondertussen heeft het Grondwettelijk Hof de visie van CKV aanvaard.

Gelet op de betaling van een groter bedrag dan dat door CKV als oplossing gesuggereerd was en de volledige betaling van de som vermeld in de aangifte van schuldvordering, gelet op de principiële uitspraak in het arrest 104/2011 van 16 juni 2011 van het Grondwettelijk Hof, is het voor het hof niet duidelijk welk (bijkomend) voordeel CKV nog wil nastreven met de voortzetting van de openbare verkoop van het onroerend goed. Op de uitnodiging van het hof om hierover verder toelichting te geven vanuit het voorstel van 22 april 2009 is CKV niet willen ingaan.

6. Het nadeel dat de schuldenaars zullen ondergaan bij de voortzetting van de onroerende verkoop, is echter zwaarwegend.

De schuldenaars hebben tot nu toe ernstige financiële inspanningen gedaan, waardoor de schuldbemiddelaar het door CKV aangegeven bedrag van euro 21.587,57 aan de hypothecaire schuldeiser kon aflossen.

De schuldbemiddelaar kondigt aan dat het mogelijk is om de volledige schulden van de schuldenaars te vereffenen.

Hij wijst er daarbij op dat bij de openbare verkoop de schuldenaars hun aflossings-capaciteit zwaar zal worden gehypothekeerd door de noodzakelijke verhuis- en nieuwe inrichtingskosten. Tevens zullen de schuldenaars verplicht worden om een woning op de huurmarkt te zoeken met een veel grotere huurlast dan de afbetaling die nu op hen weegt; hij schat deze op het dubbele van wat ze nu als mensualiteit betalen.

7. Terecht beschouwen de schuldbemiddelaar en de schuldenaars een uitoefening van het recht op voortzetting van de verkoop van het onroerend goed in de omstandigheden, zoals afgewogen in de randnummers 5 en 6, als rechtsmisbruik.

Het met de onmiddellijke verkoop beoogde doel kan alleszins worden bereikt op een wijze die minder of niet schadelijk is voor de schuldenaars, zoals blijkt uit het schrijven van CKV van 22 april 2009 (vgl. W. Van Gerven, Algemeen deel, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, 185 e.v.).

Rechtsmisbruik wordt gesanctioneerd door de beperking van het recht tot de normale uitoefening of het herstel van de erdoor veroorzaakte schade (Cass. 16 december 1982, Arr. Cass. 1982-83, 578; P. Dauw, Topics van de collectieve schuldenregeling, p. 46, nr. 71).

Gelet op het feit dat zowel CKV als de schuldbemiddelaar en de schuldenaars via het voorstel van 22 april 2009 een minder schadelijke oplossing mogelijk zagen via een overeenkomst in het minnelijk plan, dient eerst te worden nagegaan of via het opstellen van een minnelijk aanzuiveringplan of bij gebreke daaraan via een door de rechter te bepalen gerechtelijke aanzuiveringregeling, de verkoop van het onroerend goed kan worden vermeden, zodat de instrumenterende notaris bevolen wordt de verdere verrichtingen tot dan uit te stellen.

8. De overige twistpunten tussen partijen hebben geen rechtsreeks verband met de vraag tot opschorting van de verkoop, waartoe de eerste rechter gevat werd.

Deze punten dienen opgelost te worden in de aanzuiveringplannen, waarvoor de arbeidsrechtbank in overeenstemming met artikel 1675/14 § 2 Ger. W. bevoegd blijft.

Voor zover als nodig, stelt het hof vast dat CKV geen elementen in de zin van art. 1675/15 Ger. W. inroept die zouden toelaten om de beschikking van toelaatbaarheid te herroepen.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak tav. CKV, de heer V., mevr. D. en de schuldbemiddelaar en bij verstek tav. de schuldeisers,

De tussenarresten van 21 december 2009 en 21 juni 2010 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond:

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de gedwongen verkoop van het onroerend goed van de schuldenaars onbepaald opschortte onder verbeurte van een dwangsom;

Opnieuw recht doende, zegt voor recht dat de door CKV beoogde onmiddellijke voortzetting van de openbare verkoop van de woning van de schuldenaars rechtsmisbruik uitmaakt, gelet op de omstandigheden beschreven in de randnummers II. 5 en 6

Beveelt de instrumenterende notaris om de werkzaamheden van de voorgenomen gedwongen verkoop uit te stellen tot er een definitieve, hetzij minnelijke, hetzij gerechtelijke aanzuiveringregeling zal zijn vastgelegd;

Verzendt bij toepassing van artikel 1675/14 § 2 Ger. W. de zaak terug naar de arbeidsrechtbank te Brussel, voor verdere behandeling als naar recht.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en ondertekend door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 2 april 2012 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • Schuldoverlast

  • Rechtsmisbruik- Verkoop onroerend goed