- Arrêt du 8 janvier 2013

08/01/2013 - 2012/AB/410

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De kennisgeving van het ontslag om dringende reden aan het adres dat de werknemer zelf had opgegeven aan zijn werkgever en dat zowel op zijn arbeidsovereenkomst als op zijn loonbrieven werd vermeld zonder dat de werknemer ertegen protesteerde is geldig. De ontslagbrief heeft de werknemer ook bereikt.

Het rapporteren van fictieve bezoeken, op een tijdstip waarop de werknemer bij een andere klant aan het werk is en op een eerder tijdstip dan dat waarop het bezoek zou worden afgelegd maakt misbruik van vertrouwen uit en is een dringende reden tot ontslag van een werknemer die zijn prestaties buiten de onderneming verricht.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 januari 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

1. S. ,

Appellant op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door Meester Van Essche Mario loco meester Pastijn Hans, advocaat te MECHELEN,

Tegen:

1. NV PIETERCIL DELBY'S, met maatschappelijke zetel te 1740 TERNAT, Vitseroelstraat 74,

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel hoger beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Peeters Liesbeth loco meester De Ganck Christian, advocaat te GENT.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid :

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 09-02-2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 10/9543/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 23 april 2012,

de syntheseconclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 1 oktober 2012,

de conclusie en aanvullende- en synthese conclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 31 juli 2012 en 30 oktober 2012,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 11 december 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer S. trad op 9-8-2004 als "sales promotor" in dienst van de nv PIETERCIL DELBY'S met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur ondertekend op 26-7-2004.

Die vennootschap is een verkoop & marketingonderneming die voor haar principalen/partners snelroterende consumentengoederen verdeelt in de grootdistributie en andere kanalen.

Volgens de functiebeschrijving in bijlage aan de arbeidsovereenkomst, was het doel van de functie het "onderhouden en uitbouwen van verkoopsrelaties met bestaande en nieuwe klanten en een maximale ondersteuning te verlenen aan de toegewezen producten in de eigen sector/rayon teneinde de vooropgestelde verkoopsdoelstellingen te behalen in het kader van de afgesproken budgetten."

Art 2 bepaalde dat de normale functie over heel België zou worden uitgeoefend en gedeeltelijk op de zetel van de werkgever voor administratief-commerciële en coördinerende taken, zoals ondersteunende activiteiten, rapportage en overleg.

De heer S. was gebonden aan een vast uurrooster van 8u 35 tot 12u35 en van 13u15 tot 17u gedurende 5 dagen per week.

De arbeidsovereenkomst bevat geen richtlijnen m.b.t. de wijze van rapporteren.

Er was geen commissieloon bedongen.

Op 1-12-2009 schreef de vennootschap hem het volgende:

"Hierbij wensen wij u te informeren over volgend feit:

Vandaag 1 december 2009 heeft D'H. een aantal vaststellingen gedaan die wijzen op een vermoeden van vervalsing van bezoekrapporten.

Gezien we deze zaak grondig wensen uit te zoeken, stellen we u vrij van prestaties vanaf dinsdag 1 december 2009 om 17 u tot en met vrijdag 4 december 2009 om 12 u.

Op vrijdag 4 december 2009 wensen wij u samen met D'H. om 12 u te ontmoeten om deze zaak verder met u te bespreken."

Bij brief van 3-12-2009 stelde de toenmalige raadsman van de heer S. de verbreking van de overeenkomst door de vennootschap vast op 1-12-2009.

De vennootschap zou de heer S. op 1-12-2009 voor de keuze hebben gesteld om ofwel zelf ontslag te nemen ofwel ontslagen te worden. Vervolgens werd zijn arbeidsovereenkomst geschorst tot 4-12-2009. De verbreking werd afgeleid uit de eenzijdige beslissing tot schorsing van de overeenkomst.

De heer S. bood zich op 4-12-2009 aan op het bedrijf en had een gesprek met de werkgever. Op dezelfde dag ontving hij volgend faxbericht:

" Ondergetekende, de heer Jan Christiaens, optredend als gevolmachtigde van de N.V. Pietercil Delby's, met maatschappelijke zetel te 1740 Ternat, Vitseroelstraat 74, deelt u mee dat een einde wordt gesteld aan uw arbeidsovereenkomst.

Op datum van 1 december 2009 hebben wij kennis genomen van een ernstige tekortkoming die u heeft begaan. Deze ernstige tekortkoming maakt voor ons een dringende reden uit die elke verdere samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, en die ons toelaat uw arbeidsovereenkomst te beëindigen zonder opzeggingstermijn of -vergoeding.

Bij onderhavig schrijven betekenen wij u bijgevolg uw onmiddellijk ontslag om dringende reden.

De dringende reden die dit ontslag rechtvaardigt zal u betekend worden binnen de termijn voorzien in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst.

De heer Michel de Brauwer, gedelegeerd bestuurder van de N.V. Pietercil Delby's, heeft uitdrukkelijk volmacht gegeven aan de heer Jan Christaens om deze ontslagbrief namens de vennootschap te ondertekenen.

Mogen wij u verzoeken om de bedrijfswagen, sleutels, en alle andere werkinstrumenten en eigendommen van de vennootschap onmiddellijk terug te bezorgen."

Eveneens op die datum verstuurde de vennootschap de ontslagbrief per aangetekende zending.

Met een aangetekende brief van 8-12-2009 werden de dringende redenen voor het ontslag meegedeeld die als volgt kunnen worden samen gevat:

de dagrapporten werden dikwijls niet opgemaakt op de werkelijke bezoekdata.

Als voorbeeld werd aangehaald dat de heer S. op 20-11-2009 bezoeken zou hebben afgelegd aan Makro te Machelen, Express GB Machelen, maar dat hij pas op 23-11 daarover een rapport opmaakte.

de registratie van het werkelijk bezoektijdstip bleek herhaaldelijk in strijd te zijn met het door de heer S. gerapporteerd bezoektijdstip. Volgende voorbeelden daarvan werden vermeld:

°de heer S. maakte reeds op 3-11-2009 een bezoekrapport om 15u54 betreffende zijn winkelbezoek aan de Delhaize te Hasselt terwijl hij dit bezoek volgens zijn rapportage pas zou hebben afgelegd op die dag tussen 16u en 16u 21

°de heer S. maakte die dag om 15u55 een bezoekrapport aangaande zijn winkelbezoek aan Carrefour Hyper Diest terwijl hij dit bezoek volgens eigen rapportage die dag pas zou hebben afgelegd tussen 17u03 en 17u18.

Hij zou tijdens het onderhoud op 1-12 uitdrukkelijk hebben verklaard en bevestigd dat hij bewust knoeide met de bezoekrapporten in die zin dat de gerapporteerde bezoektijden niet overeenkwamen met de reële bezoektijden en hij fictieve bezoekrapporten opmaakte m.b.t. bezoeken die nooit hadden plaats gehad.

Nadat de heer S. werd vrijgesteld van prestaties tot 4 december met het oog op verder onderzoek,

-zou de vennootschap vanwege de firma Deduco de bevestiging hebben gekregen dat de geregistreerde rapportagetijdstippen inderdaad de reële tijdstippen weergaven en dat de vastgestelde afwijkingen tussen de reële tijdstippen en de gerapporteerde tijdstippen niet aan systeemtechnische feiten konden te wijten zijn.

-zouden de klanten Delhaize en Carrefour hebben bevestigd dat zijn naam niet was vermeld op het aanwezigheidsregister van de leveranciers en hij de Carrefourwinkel te Diest niet had bezocht.

De heer S. had daarover bij het onderhoud van 4 december geen verklaring.

De heer S. betwist de geldigheid van het ontslag zowel naar de vorm als naar de inhoud.

Met dagvaarding van 23-6-2010 spande hij een geding aan voor de arbeidsrechtbank. Hij vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van volgende bedragen:

-23.769 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding

-13.582,29 euro als uitwinningvergoeding

-198,71 euro als loon voor twee feestdagen

de wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen.

Hij vorderde tevens de veroordeling van de vennootschap tot aflevering van volgende sociale en fiscale documenten: verbeterd formulier C4, individuele rekening, fiscale fiche 281.10 in overeenstemming met de gevorderde bedragen, binnen de 4 weken na betekening van het te vellen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per dag vertraging en per niet afgeleverd document.

Bij op 4-11-2010 ter griffie neergelegde conclusie stelde de vennootschap een tegeneis in die ertoe strekte de heer S. te horen veroordelen tot betaling van volgende bedragen:

-9.348, 07 euro als opzeggingsvergoeding

-187,20 euro als onverschuldigd betaald loon

-60 euro als vergoeding voor ontbrekend bedrijfsmateriaal

Met het bestreden vonnis wees de arbeidsrechtban zowel de hoofd- als de tegenvordering als ongegrond af.

Zij achtte niet door een objectief element aangetoond dat het ontslag zou hebben plaats gehad op 1-12-2009 en stelde vast dat de vormvereisten voor het ontslag om dringende reden werden nageleefd.

Zij achtte het ontslag om dringende reden gegrond gelet op het opstellen van valse bezoekrapporten en het niet correct invullend van de tijdsregistratie.

Zij oordeelde dat de heer S. niet de hoedanigheid had van handelsvertegenwoordiger daar hij die taak niet op bestendige wijze uitoefende.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De heer S. is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het hof deze te hervormen en zijn oorspronkelijke vordering in te willigen met veroordeling van de vennootschap tot de kosten van het geding.

De vennootschap stelde incidenteel hoger beroep in bij conclusie. Zij verzoekt het hof het bestreden vonnis te hervormen in de mate het de tegeneis heeft afgewezen en de heer S. te veroordelen tot betaling van een opzeggingsvergoeding t.b.v. 9.348,07 euro, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum van algehele betaling, 187,20 euro als onverschuldigd betaald loon en 60 euro als schadevergoeding, beide bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten tot de datum van algehele betaling.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

Dit geldt eveneens voor het incidenteel hoger beroep.

II.TEN GRONDE

1.Naleving van de vormvereisten voor het ontslag om dringende reden.

naleving van de bij art 35 WAO voorgeschreven termijn

Luidens art 35, 3de lid van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO) mag ontslag om dringende reden niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich erop beroept.

Art 35 lid 4 bepaalt dat alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn.

De heer S. voert aan dat het ontslag om verschillende redenen ongeldig is.

In de eerste plaats houdt hij voor dat het ontslag reeds werd gegeven op 1 december 2009, zodat de opgave van de dringende reden uiterlijk diende te gebeuren bij aangetekende brief van 4-12-2009.

Hij steunt zich hiervoor op volgende elementen:

-het ontbreken van een bewijs dat de vennootschap een aanvullend onderzoek deed tussen de schorsing van de arbeidsovereenkomst op 1 december en 4 december.

- de gerechtelijke bekentenis in de ontslagbrief van 4 december, als volgt geformuleerd

"Op datum van 1 december hebben wij kennis genomen van een ernstige tekortkoming die u heeft begaan. Deze tekortkoming maakt voor ons een dringende reden uit die elke samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt en die ons toelaat de arbeidsovereenkomst te beëindigen zonder opzeggingstermijn of -vergoeding."

-op 1 december werd hij opgebeld door een collega die verwonderd was over zijn ontslag.

-dit ontslag werd door zijn raadsman vastgesteld bij brief van 3 december die door de vennootschap niet werd betwist.

Bovendien haalt hij aan dat de ontslagbrief en de brief met opgave van de dringende reden niet naar zijn correct adres werden gestuurd.

In de ontslagbrief van 4 december werd als datum van kennisname van de feiten inderdaad 1 december vermeld. Op die datum zou de firma Deduco, (die de rapporteringsoftware ter beschikking stelde), hebben gemeld dat er ernstige tegenstrijdigheden en anomalieën voorkwamen in de dagrapporten.

In de brief van 1 december werd vermeld dat er vaststellingen waren die een vermoeden van vervalsing van rapporten inhielden.

De vennootschap legt een brief voor van de firma Deduco waarin zij systeemfouten uitsluit m.b.t. die anomalieën.

Op 1 december werd de heer S. over die feiten gehoord en zou hij hebben bevestigd dat de gerapporteerde bezoekuren niet altijd overeenkwamen met de werkelijke bezoekuren.

In de motivering van het ontslag om dringende reden haalt de vennootschap eveneens aan dat haar was bevestigd dat de heer S. in tegenstelling tot wat in zijn dagrapporten werd vermeld zich op 3-11 niet had aangeboden bij de Delhaize te Hasselt noch bij Carrefour Hyper in Diest.

Er liggen stukken voor van die klanten waarin zij meedelen dat de heer S. zich op die dag niet heeft aangemeld.

Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de vennootschap inderdaad op 1 december kennis had van een deel van de als dringende reden vermelde feiten, die nadien werden aangevuld met de informatie die zij van de klanten Delhaize te Hasselt en Carrefour Hyper te Diest had verkregen.

Er blijkt nergens uit dat reeds op 1 december ontslag zou zijn gegeven.

In de brief van de raadsman van de heer S. van 3-12, die de vennootschap pas heeft bereikt na verzending van de ontslagbrief van 4-12, werd beweerd dat de heer S. voor de keuze werd gesteld ontslag nemen of ontslagen worden en lijdt hij de verbreking af uit de schorsing van de overeenkomst op die datum.

Uit de inhoud van die brief en uit het feit dat de heer S. zich op 4-12 opnieuw aanbood voor een onderhoud, blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat de heer S. op 1-12 niet werd ontslagen.

Het ontslag werd aan de heer S. tijdig ter kennis gebracht met brief van 4-12-2009.

De kennisgeving van de dringende reden gebeurde tijdig, binnen de drie werkdagen na het ontslag met aangetekende brief van 8-12-2009.

Adressering van de ontslagbrief

Er is geen wettelijke bepaling die oplegt dat de ontslagbrief naar het domicilieadres van de betrokkene moet worden gestuurd.

De ontslagbrief werd verstuurd naar het adres dat de heer S. zelf had opgegeven aan de vennootschap en dat zowel op zijn arbeidsovereenkomst als op zijn loonbrieven werd vermeld, zonder dat de heer S. daartegen protesteerde. De ontslagbrief heeft de heer S. ook bereikt.

Het hof is van oordeel dat de ontslagbrief en de motiveringsbrief geldig werden verstuurd naar het door de heer S. opgegeven adres.

2. Gegrondheid van het ontslag om dringende reden

De dringende reden houdt verband met het niet correct rapporteren.

De heer S. diende dagelijks te rapporteren over alle verrichte winkelbezoeken en van de op het winkelpunt uitgevoerde activiteiten (bv. checken aanwezigheid van producten in de rekken, prijscontrole, algemene opvolging).

Daarvoor kreeg de heer S. een PC tablet ter beschikking met een "fieldrapporteringssoftware" ter beschikking gesteld door de firma Deduco.

De heer S. betwist dat er sprake zou zijn van valse bezoekrapporten, nu alle bezoeken effectief werden gepresteerd en gerapporteerd, zij het met vertraging.

Voor het later invullen van de bezoekrapporten geeft hij een aantal plausibele verklaringen, zoals:

-onmogelijkheid het rapport in te vullen terwijl hij in gesprek is met de verantwoordelijken van de supermarkt die hij bezoekt. (gebruikelijk bij bvb. Macro Machelen)

-onmogelijkheid om in bepaalde winkels de productgegevens onmiddellijk te registreren daar dit niet werd toegestaan, bvb. Colruyt .

-problemen met het opladen van de batterij van zijn tablet.

De heer S. geeft aan dat na oplading van de batterij, deze slechts gedurende enkele uren opgeladen bleef en hij deze niet kon laten opladen in de wagen indien hij zich slechts over korte afstanden diende te verplaatsen. Volgens de productinformatie die hij voorlegt, bedroeg de duur 3 uur.

Volgens de informatie die de vennootschap voorlegt was dit 6 uur, doch de heer S. merkt op dat die een recenter model betreft dan zijn tablet.

Aangezien hij 6 tot 14 bezoeken per dag aflegde, was het volgens hem onmogelijk om het apparaat de gehele tijd opgeladen te houden.

De heer S. beweert ook nog dat deze wijze van rapportering achteraf gebruikelijk was in de onderneming en ook door de andere werknemers werd toegepast.

Uit het beperkt aantal rapporteringbladen dat voorligt en die dan nog door de heer S. zelf worden voorgelegd, blijkt inderdaad dat de heer S. zeer frequent zijn rapporten naderhand invulde, zelfs 's avonds laat, hetgeen de werkgever onmogelijk kan zijn ontgaan bij de kennisname van de rapporten gelet op de frequentie van die werkwijze.

Het hof maakt daaruit op dat de werkgever geen problemen had met deze uitgestelde rapportering, zolang hij maar over de vereiste informatie beschikte.

Dit maakt de stelling van de heer S. aannemelijk dat de hoofdzaak was dat de bezoeken werden afgelegd. In de rapporten werd dan doorgegeven hoe het stond met de bevoorrading en met de goede plaatsing van de producten. Het was vooral die informatie die voor de vennootschap van belang was.

Er is echter wel een probleem met het registreren van bezoekrapporten op een ogenblik dat men elders aan het werk is en met het registreren van bezoekrapporten voor de bezoeken worden afgelegd. Daarvan worden in de motiveringsbrief concrete voorbeelden aangehaald.

Hoe kon de heer S. immers op voorhand weten wanneer precies het bezoek zou worden afgelegd en vooral hoelang het zou duren.

De heer S. geeft daarover in conclusie geen enkele verklaring.

Onder punt 3 van de motiveringsbrief worden daarover volgende feiten vermeld:

-op 3 /11 werd een bezoekrapport opgemaakt om 15u54 betreffende een winkelbezoek bij Delhaize te Hasselt, terwijl dit bezoek slechts zou zijn afgelegd tussen 16u06 en 16u21 op die dag volgens de eigen rapportering van de heer S..

-eveneens op 3/11 maakte hij om 15u55 een bezoekrapport aangaande het winkelbezoek bij Carrefour Hyper te Diest, terwijl dit bezoek pas zou zijn afgelegd tussen 17.03 en 17u18.

Wanneer die feiten in verband worden gebracht met de verklaringen uitgaande van die winkelverantwoordelijken dat de heer S. zich er niet heeft aangemeld en niet in die winkel is geweest, moet men besluiten dat het bezwaarlijk om een vergissing kan gaan en kan er niets anders uit worden afgeleid dan dat een fictief bezoek werd geregistreerd.

Aangezien de heer S. zijn prestaties niet binnen de onderneming uitoefende, genoot hij een grote vrijheid.

De rapportering was voor de werkgever de mogelijkheid om controle uit te voeren over zijn prestaties.

De vennootschap onderlijnt dat gelet op de scherpe prijzen die voor dergelijke producten worden toegepast en de sterke concurrentie op de markt van die producten, de winstmarges zeer klein zijn, zodat een optimale uitvoering van de prestaties voor haar uiterst belangrijk is.

Het rapporteren van fictieve bezoeken maakt misbruik van vertrouwen uit en is inderdaad van aard het vertrouwen van de werkgever in de werknemer volledig te niet te doen.

Het hof is van oordeel dat dit een ernstige tekortkoming is die voortzetting van de arbeidsrelatie onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, zodat er sprake is van een dringende reden volgens de omschrijving ervan in art 35, 2de lid WAO.

Het hof treedt derhalve de beslissing van de arbeidsrechtbank bij dat het ontslag om dringende reden gegrond was en de vorderingen van de heer S. ongegrond.

De tegenvordering van de vennootschap houdt verband met de vaststelling van de verbreking van de arbeidsovereenkomst door toedoen van de vennootschap bij brief van de raadsman van de heer S. van 3-12-2009.

Het is niet betwist dat die brief de vennootschap pas heeft bereikt nadat zij zelf ontslag om dringende reden had aangezegd.

Bijgevolg is die tegenvordering ongegrond, zowel wat de gevorderde opzeggingsvergoeding als wat het zogenaamd ten onrechte uitbetaald loon tussen 1 en 4-12-2009 betreft.

Wat de niet teruggave van bepaalde bedrijfsmaterialen betreft: twee kunststofvelgen van het ter beschikking gestelde bedrijfsvoertuig en geheugenkaart fototoestel, legt de vennootschap een proces-verbaal van controle van het voertuig voor, opgesteld op 4-12 en een brief van 10-12, gericht aan de raadsman van de heer S. waarin melding werd gemaakt van de ontbrekende stukken.

Bij teruggave van de bedrijfsgoederen werd voorbehoud gemaakt met betrekking tot nazicht.

Op de brief van 10-12 kwam geen antwoord vanwege de heer S. meer.

Het hof is van oordeel dat voldoende elementen voorliggen met betrekking tot de gegrondheid van de tegenvordering op dit punt.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk.

Verklaart het principaal hoger beroep ongegrond, het incidenteel hoger beroep zeer gedeeltelijk gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in volgende mate;

Veroordeelt de heer S. tot betaling aan de NV PETERCIL DELBY tot betaling van een bedrag van 60 euro, wegens niet teruggave van bepaalde bedrijfsmaterialen en de gerechtelijke intresten daarop.

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer S..

Deze kosten werden door partijen begroot op:

Voor de appellant op:

Niet begroot in hoger beroep;

Voor de geïntimeerde op:

-2.200 euro als rechtsplegingvergoeding voor het Arbeidshof.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Erik VAN LAER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Erik VAN LAER Andre LEURS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 8 januari 2013 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Ontslag om dringende reden

  • Vormvereisten

  • Bedrieglijke rapportering.