- Arrêt du 31 janvier 2013

31/01/2013 - 2012/AB/383

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Opdat een werkloze recht zou hebben op een uitkering als werkloze met gezinslast volstaat het niet dat een onderhoudsgeld vastgelegd is in een overeenkomst of een vonnis. Vereist is dat de onderhoudsverplichting in feite blijft bestaan voor gans de periode waarin de werkloze uitkeringen ontvangt als werkloze met gezinslast en niet teniet gegaan is door een wijziging in de situatie van de persoon ten laste.

De onderhoudsbijdrage waartoe de ouders als gevolg van hun huwelijk gehouden zijn ten aanzien van de kinderen - en die het voorwerp uitmaakte van de overeenkomst voorafgaande aan de echtscheiding - vervalt in de regel van zodra het kind meerderjarig wordt of, indien het zijn studies verder zet, van zodra deze beëindigd zijn.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 31 JANUARI 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. P., wonende te xxx,

appellante, vertegenwoordigd door mr. VANDENPLAS Wilfried, advocaat te 3000 LEUVEN, Dagobertstraat 49

tegen:

1. RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. BEEKEN R. loco mr. DE KETELAERE Jacques, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 155 A

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 12 maart 2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 2e kamer (A.R. 11/1623/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 april 2012,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 13 december 2012 door advocaat-generaal ANDRE,

- de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 28 december 2012 voor de heer P.,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 6 december 2012, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer P. vroeg op 3 augustus 2004 werkloosheidsuitkeringen aan. Hij vermeldde dat hij alleen woonde, maar onderhoudsgeld betaalde voor zijn dochter in uitvoering van een overeenkomst, afgesloten in het kader van een echtscheiding in onderlinge toestemming.

Bij onderzoek bleek echter dat de dochter van de heer P. vanaf 1 mei 2006 deeltijds werkte en bovendien reeds vroeger in het huwelijk getreden was. Verder bleek dat de heer P. gedurende twee periodes niet alleen woonde. Van 4 mei 2006 tot en met 22 mei 2006 woonde hij samen met V. en van 19 mei 2007 tot en met 22 oktober 2007 met T..

2.

Bij beslissing van 16 juli 2011 heeft de Gewestelijk Directeur van het Werkloosheidsbureau te Leuven, de heer P. uitgesloten uit het recht op werkloosheidsuitkeringen als werknemer met gezinslast vanaf 1 mei 2006 tot en met 30 april 2011. De heer P. werd verder uitgesloten uit het recht op werkloosheidsuitkeringen als alleenstaande voor de periodes van 4 mei 2006 tot 22 mei 2006 en van 19 mei 2007 tot en met 22 oktober 2007. De teveel ontvangen werkloosheidsuitkeringen (het verschil tussen de uitkeringen voor een werknemer met gezinslast en een alleenstaande, en verder het verschil tussen de uitkeringen voor een alleenstaande en een samenwonende voor de periode van samenwoonst) werden teruggevorderd.

Verder werd de heer P. bij wijze van sanctie uitgesloten uit het recht op werkloosheidsuitkeringen voor een periode van 9 weken vanaf 16 mei 2011.

3.

Bij verzoekschrift van 16 september 2011 heeft de heer P. beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Leuven tegen deze beslissing.

Bij vonnis van 12 maart 2012, ter kennis gebracht van de heer P. op 20 maart 2012, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering als ongegrond afgewezen. De eerste rechter was met betrekking tot het statuut van de heer P. als werkloze met gezinslast van mening dat het bedrag dat de heer P. aan zijn dochter betaalde niet als een onderhoudsgeld als gevolg van een rechterlijke beslissing kan worden aangezien, omdat zijn dochter al meerderjarig was, gehuwd en deeltijds werkte. Met betrekking tot het statuut van samenwonende oordeelde de eerste rechter dat voldoende bewezen was dat er in de betwiste periode een samenwoonst was.

4.

Bij verzoekschrift van 17 april 2012 heeft de heer P. hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De heer P. stelt dat hij, op basis van een echtscheidingsovereenkomst die geleid heeft tot een echtscheidingvonnis, effectief onderhoudsgeld betaalde voor zijn dochter. Volgens de heer P. ging het wel degelijk om een onderhoudsgeld omdat zijn dochter, als gevolg van een aangeboren handicap, niet in staat was om zelf door te werken in haar onderhoud te voorzien. De heer P. verwijst daarbij naar een vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven waarbij de arbeidsongeschiktheid van zijn dochter wordt vastgesteld, maar haar een uitkering in de ziekteverzekering wordt geweigerd omdat het ging om een handicap die aan het intreden op de arbeidsmarkt voorafging. In zijn aanvullende conclusies, in antwoord op het advies van het openbaar ministerie, geeft de heer P. daarbij aan dat het onderhoudsgeld dat hij betaalde wel degelijk onder de toepassing viel van artikel 110, § 1, 3° van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, omdat de echtscheidingsovereenkomst verplicht aan de rechtbank werd voorgelegd, en deel uitmaakte van het vonnis waarbij de echtscheiding werd toegestaan

Voor wat betreft het statuut van alleenstaande stelt de heer P. dat de heer V. nooit effectief bij hem gewoond heeft, zodanig dat er ook geen sprake kan zijn van een gemeenschappelijke huishouding. Voor wat betreft de heer T., betwist de heer P. niet dat deze bij hem gewoond heeft, maar stelt hij dat dit slechts over een beperkte periode ging, zodanig dat hij evenmin heeft kunnen bijdragen in de lasten van een gemeenschappelijke huishouding.

De heer P. stelt dat hij in ieder geval te goeder trouw is, zodanig dat in toepassing van artikel 169, al. 3, van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 ,de terugvordering dient beperkt te worden tot de laatste 150 uitkeringsdagen. De heer P. vraagt ook dat de hem opgelegde administratieve sanctie vervangen wordt door een sanctie met uitstel.

2.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Volgens de Rijksdienst verviel de onderhoudsplicht van de heer P. ten aanzien van zijn dochter minstens van zodra deze in het huwelijk trad en een eigen inkomen verwierf. De samenwoonst gedurende bepaalde periodes kan volgens de Rijksdienst niet ernstig betwist worden, vermits zij blijkt uit de inschrijving in het bevolkingsregister. Steeds volgens de Rijksdienst kan men ook bijdragen in de gemeenschappelijke lasten van de huishouding, indien men niet over eigen inkomsten beschikt. De Rijksdienst betwist ook dat er toepassing zou kunnen gemaakt worden van de regels inzake goede trouw. De opgelegde sanctie van negen zou in verhouding staan tot de ernst van het feiten.

De situatie als werkloze met gezinslast.

3.

Overeenkomstig artikel 110 § 1, 3° van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (verder het werkloosheidsbesluit) wordt onder werknemer met gezinslast onder meer verstaan de werkloze die alleen woont en effectief onderhoudsuitkeringen betaalt, hetzij op grond van een rechterlijke beslissing, hetzij op grond van een notariële akte in het kader van een procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming of van een scheiding van tafel en bed, hetzij op grond van een notariële akte ten voordele van het kind, dit aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of aan het meerderjarig kind, indien de staat van behoeftigheid voortduurt.

4.

In de overeenkomst die de heer P. afsloot in het kader van de echtscheidingsprocedure op 3 december 2004 werd voorzien dat hij aan de moeder van zijn meerderjarige dochter, bij wie deze verbleef, een maandelijkse onderhoudsbijdrage van 150 euro zou betalen.

Onverminderd de vraag of de overeenkomst op basis waarvan de heer P. een maandelijkse onderhoudsbijdrage betaalde aan de moeder voor het onderhoud van hun gemeenschappelijk kind als een document kan aangezien worden, zoals bedoeld door artikel 110 § 1, 3° van het werkloosheidsbesluit, moet vastgesteld worden dat, bij de aanvraag van de uitkeringen, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een kopie ontving van deze overeenkomst, en op basis daarvan aan de heer P. het statuut toekende van een werkloze met gezinslast. Wanneer dit document thans niet meer als passend zou beschouwd worden, zou moeten vastgesteld worden dat er sprake is van een onverschuldigde betaling die te wijten is aan een fout van de sociale zekerheidsinstelling, zodanig dat in uitvoering van de bepalingen met betrekking tot het Handvest van Sociaal Verzekerde, de terugvordering op die basis niet mogelijk zou zijn.

5.

Zoals de eerste rechter terecht vaststelde, volstaat het echter niet dat een onderhoudsgeld vastgelegd is in een overeenkomst of een vonnis, opdat de betaling van een onderhoudsgeld aan de werkloze steeds het statuut zou geven van een werkloze met gezinslast. Vereist is dat de onderhoudsverplichting blijft bestaan voor gans de periode waarin de werkloze uitkeringen ontvangt als werkloze met gezinslast.

De onderhoudsbijdrage waartoe de ouders ingevolge hun huwelijk gehouden zijn ten aanzien van de kinderen - en die het voorwerp uitmaakte van een overeenkomst van 3 december 2004 - vervalt in de regel van zodra het kind meerderjarig wordt of, indien het zijn studies verder zet, van zodra deze beëindigd zijn (toepassing van artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek; VERSCHELDEN, BROUWERS e.a. Familierecht. Overzicht van Rechtspraak 2001-2006, TPR 2007, afl. 1, nr. 500 en 528). Die onderhoudsverplichting heeft een bijzondere inhoud: ze stoelt op, en is in overeenstemming met, de ‘standing' van het gezinsleven. In de periode waarop de uitsluiting slaat (periode na 1 april 2006) had de dochter niet alleen opgehouden met studeren, ze was gehuwd en werkte. De onderhoudsverplichting op basis van de overeenkomst van 3 december 2004, was aldus volledig vervallen.

6.

Weliswaar blijft na het verval van de onderhoudsplicht in het kader van het huwelijk de gewone onderhoudsplicht tussen ouders en kinderen (met een veel beperktere draagwijdte) bestaan op grond van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek. Het staat echter niet vast dat aan de voorwaarden voor een dergelijk onderhoudsverplichting voldaan was. De behoeftigheid van de dochter staat niet vast, vermits zij vanaf 1 mei 2006 halftijds werkte en ook nog een inkomensgarantie ontving. Bovendien was de dochter van de heer P. gehuwd en had zij aldus een onderhoudsaanspraak ten aanzien van haar echtgenoot, die primeerde op de onderhoudsverplichting van de ouders. (VERSCHELDEN en BROUWERS, geciteerd artikel, nr. 452; Cass. 20.04.2007, R.W., 2008-2009, p. 69).

Verder dient in ieder geval vastgesteld te worden dat een onderhoudsverplichting op deze basis niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een notariële akte of van een vonnis van de rechtbank, zodanig dat artikel 110 van het werkloosheidsbesluit daarop geen toepassing vindt.

7.

De bestreden administratieve beslissing heeft dan ook terecht geoordeeld dat de betaling die de heer P. deed aan zijn dochter - voor zover zij al bewezen is voor de volledige periode - niet kan gekwalificeerd worden als de uitvoering van onderhoudsplicht, maar wel als een schenking, die aan de heer P. niet de hoedanigheid gaf van een werkloze met gezinslast.

Het vonnis van de eerste rechter dient bevestigd te worden.

Het statuut van alleenwonende.

8.

Overeenkomstig artikel 110, § 2, van het werkloosheidsbesluit wordt onder alleenwonende werknemer verstaan, de werknemer die alleen woont met uitzondering van de werknemer bedoeld in § 1, 3° tot 6°. Onder samenwonende werknemer wordt verstaan de werknemer die niet bedoeld is in § 1 nog § 2 van het werkloosheidsbesluit. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 59 van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991 betekent samenwonen het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.

Overeenkomstig artikel 110, § 4, van het werkloosheidsbesluit dient de alleenwonende werknemer ten minste eenmaal per jaar een bewijs te leveren van de samenstelling van zijn gezin door middel van het formulier C 1. Daaruit volgt, aldus het Hof van Cassatie ( Cass. 14.09.1998, J.T.T. 1998, p.441) dat het steeds aan de werkloze is die beroep doet op het statuut van alleenstaande om het bewijs bij te brengen dat hij aan de voorwaarden van dit statuut voldoet.

9.

De heer V. was in de periode van 4 mei 2006 tot 22 mei 2006 ingeschreven op hetzelfde adres als de heer P.. Een dergelijke inschrijving wordt slechts toegekend wanneer het werkelijk verblijf wordt vastgesteld door een politieonderzoek. De oorspronkelijke ontkenning van de heer P. is dan ook niet ernstig.

Zoals vermeld sub 8, komt het aan de heer P. toe het bewijs bij te brengen dat hij aan de voorwaarden voldoet om als alleenstaande beschouwd te worden. De heer P. dient dan ook te bewijzen dat, ondanks de inschrijving van de heer V. op hetzelfde adres, er geen samenwoning was, dus geen gemeenschappelijke regeling van de huishoudelijke aangelegenheden. De omstandigheid dat in het dossier van de RVA vermeld wordt dat volgens de opzoekingen in de beschikbare databanken de heer V. geen inkomen had, is geen voldoende bewijs dat hij niet kon bijdragen in de gemeenschappelijke kosten. De heer V. kan bvb. over spaargeld beschikt hebben.

10.

Voor wat betreft de heer T. betwist de heer P. niet dat deze bij hem gewoond heeft in de periode van 19 mei 2007 tot en met 22 oktober 2007. Uit het dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening blijkt bovendien dat de heer T. over een inkomen beschikte in de periode van 2 mei 2007 tot 17 augustus 2007. Voor die periode was de heer Toporas dus zeker in de mogelijkheid om bij te dragen in de lasten van het huishouden. De heer P. geeft overigens toe dat er gemeenschappelijke aankopen gedaan werden voor wat betreft het eten. De heer P. toont ook onvoldoende aan dat na 17 augustus 2007 de heer T. niet meer kon bijdragen in de gemeenschappelijke lasten van de huishouding. De heer T. beschikte tot 17 augustus 2007 over een eigen inkomen zonder, althans volgens de heer P., bij te dragen in de huur. Hij zal dus zeker over voldoende reserves beschikt hebben om ook nog bij te dragen in de lasten van het gemeenschappelijk huishouden gedurende de volgende twee maanden.

De eerste rechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat in de periodes van 4 mei 2006 tot 22 mei 2006 en van 19 mei 2007 tot en met 22 oktober 2007 de heer P. niet aantoont dat hij het statuut had van alleenstaande. Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook op dit punt bevestigd te worden.

De beperking van de terugvordering.

11.

De heer P. vraagt in ondergeschikte orde dat, in toepassing van artikel 169 van het werkloosheidsbesluit, de terugvordering zou beperkt worden tot de laatste 150 uitkeringsdagen.

Overeenkomstig artikel 169, al. 2, van het werkloosheidsbesluit kan de terugvordering beperkt worden tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning, wanneer de werkloze bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had. Goede trouw in de zin van deze bepaling veronderstelt dat de werkloze in redelijkheid niet kon weten dat hij prestaties ontving waarop hij geen recht had. Goede trouw staat dan ook niet gelijk met de afwezigheid van kwade trouw. De algemene regel is dat de onverschuldigd betaalde uitkeringen dienen terugbetaald te worden, ongeacht het feit of de verzekerde de prestaties al dan niet te goeder trouw ontvangen heeft (behoudens de hypothese dat de onverschuldigde betaling te wijten is fout sociale zekerheidsinstelling; toepassing van het Handvest van de sociaal verzekerde).

12.

De goede trouw is zeker niet bewezen voor de periodes waarin de heer P. samenwoonde. Hij had deze wijziging van zijn woonsituatie in ieder geval moeten ter kennis brengen van zijn verzekeringsinstelling en advies vragen over de gevolgen van deze wijziging op zijn recht op uitkeringen.

13.

De goede trouw is volgens het hof ook onvoldoende bewezen voor wat betreft het statuut van werknemer met gezinslast. Aan de verplichting tot betaling van een onderhoudsbijdrage in het kader van de echtscheidingsregeling was niet alleen wettelijk, maar ook feitelijk een einde gekomen. De heer P. heeft immers op een zeker ogenblik gestopt met de betaling van de bijdrage die hij op de rekening van zijn vroegere partner diende te betalen, zolang zijn dochter bij haar woonde. Deze betaling is ongetwijfeld stopgezet op het ogenblik dat de dochter in de loop van de maand juni 2005 in het huwelijk trad. Dit betekende een heel nieuwe situatie waaraan de heer P. niet achteloos kon voorbijgaan. Wanneer hij besliste om, ondanks het feit dat er een einde gekomen was aan de onderhoudsverplichting zoals die voortvloeit uit de overeenkomst, voort te gaan met de betaling van een onderhoudsgeld, ditmaal rechtstreeks aan zijn dochter (en zonder dat vaststond dat deze behoeftig was), dan had hij ook hier navraag moeten doen bij zijn uitbetalingsinstelling om te weten of hij nog verder het statuut van werkloze met gezinslast kon behouden.

Het erkennen van de goede trouw veronderstelt overigens dat er een absolute zekerheid is dat de heer P. wel degelijk voor gans de betwiste periode een onderhoudsgeld uitkeerde aan zijn dochter. Die absolute zekerheid kan er niet zijn omdat de heer P. die bijdragen uit de hand betaalde, en zichzelf dus geen bewijs verschafte van deze betaling. De enkele verklaring van de dochter dat zij dit onderhoudsgeld ontving, is onvoldoende bewijskrachtig.

De uitsluiting uit het recht op uitkeringen gedurende 9 weken.

14.

De administratieve sanctie van een uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van negen weken werd opgelegd op grond van artikel 153 van het werkloosheidsbesluit, en met name omdat de heer P. een onjuiste verklaring heeft afgelegd of een verplichte verklaring niet of te laat heeft afgelegd.

Uit het administratief dossier blijkt dat het dossier door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd overgemaakt aan de arbeidsauditeur te Leuven met het oog op een eventuele strafrechtelijke vervolging van ditzelfde feit. Uit stuk 4 van het dossier van de heer P. blijkt dat deze effectief een minnelijke schikking heeft aanvaard en een boete betaald heeft van 200 euro .

Zoals door het openbaar ministerie terecht wordt opgemerkt in zijn advies stelt zich de vraag of de opgelegde sanctie, in de vorm van een uitsluiting van het recht op uitkeringen gedurende een periode van 9 weken, in die omstandigheden kan behouden blijven.

15.

In een arrest van 10 februari 2009 (Zolothoukine t./ Rusland) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat het principe non bis in idem, dat zijn grondslag vindt in artikel 14, § 7, van het Internationaal Verdrag met betrekking tot de Burgerlijke en Politieke rechten van 19 december 1966 en artikel 4, § 1, van het Bijkomend Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (inmiddels in België geratificeerd op 13 april 2012), inhoudt dat het verboden is een persoon voor een tweede inbreuk te vervolgen, voor zover aan deze inbreuk identieke feiten, of feiten die in substantie dezelfde zijn, ten grondslag liggen. Administratieve sancties die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden opgelegd, dienen daarbij aangezien te worden als sancties van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Cass. 14 maart 2005, J.T.T. 2005, 224).

Het voorstel van minnelijke schikking van het openbaar ministerie te Leuven had betrekking op dezelfde inbreuken als deze die de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in zijn administratieve beslissing van 16 april 2010 heeft weerhouden om een administratieve sanctie op te leggen.

16.

De toepassing van de regel non bis in idem vereist echter, volgens de klassieke interpretatie, dat de vroegere beslissing, een strafrechtelijke uitspraak zou zijn. Een buitengerechtelijke afhandeling van de zaak door het openbaar ministerie is geen rechterlijke beslissing. In een arrest van 11 februari 2003 (C-187/01 en C-385/01) (NJW, 2003, p.774; de uitgebreide, gelijkluidende conclusie van het openbaar ministerie is gepubliceerd in T. Strafr. 2004, p. 41) oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap echter dat het beginsel non bis in idem mede toepasselijk is op procedures tot beëindiging van strafvervolging waarbij het openbaar ministerie van een lidstaat, zonder rechterlijke tussenkomst, een einde maakt aan een door de staat ingeleide strafprocedure, nadat de verdachte heeft voldaan aan bepaalde voorwaarden, en met name een door het Openbaar Ministerie vastgestelde geldsom heeft betaald. Het Hof overwoog daarbij:

"27. Een procedure tot beëindiging van strafvervolging zoals aan de orde in de hoofdzaken is een procedure waarbij het openbaar ministerie, op basis van een machtiging door de betrokken nationale rechtsorde, besluit de strafvervolging van een verdachte te beëindigen nadat deze heeft voldaan aan bepaalde voorwaarden, onder meer nadat hij een door het openbaar ministerie vastgestelde geldsom heeft betaald.

28. Derhalve moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat in het kader van een dergelijke procedure de strafvervolging wordt beëindigd door een beslissing die afkomstig is van een autoriteit die in de betrokken nationale rechtsorde deelneemt aan de strafrechtsbedeling.

29. In de tweede plaats zij vastgesteld dat een dergelijke procedure de aan de verdachte verweten strafbare gedraging bestraft, aangezien de gevolgen ervan zoals die in de toepasselijke nationale wetgeving zijn voorzien slechts intreden wanneer de verdachte zich ertoe verbindt bepaalde door het openbaar ministerie opgelegde verplichtingen na te komen.

30. In die omstandigheden moet worden geconcludeerd dat wanneer na een procedure zoals die in de hoofdzaken de strafvervolging definitief is beëindigd, de betrokkene moet worden geacht ter zake van de hem verweten feiten bij onherroepelijk vonnis [te zijn] berecht in de zin van artikel 54 SUO. Wanneer de verdachte aan de hem opgelegde verplichtingen heeft voldaan, moet bovendien de in het kader van de procedure tot beëindiging van strafvervolging opgelegde straf worden geacht reeds te zijn ondergaan in de zin van voormelde bepaling.

31. De omstandigheid dat in een dergelijke procedure geen rechter tussenkomt en dat de beslissing waartoe de procedure leidt, geen vonnis is, doet aan deze uitlegging niet af..."

17.

Het hof is van oordeel dat aan deze motivering een algemene draagwijdte kan toegekend worden bij de toepassing van de regel non bis in idem. Wanneer in toepassing van deze regel - en daarover bestaat een algemene consensus - aangenomen wordt dat een administratieve sanctie van strafrechtelijke aard niet meer kan opgelegd worden, of moet vervallen wanneer zij niet definitief geworden is, wanneer de betrokkene het voorwerp uitmaakt van de strafrechtelijke veroordeling voor dezelfde feiten, dan dient noodzakelijk ook aanvaard te worden dat de administratieve sanctie eveneens vervalt wanneer de betrokkene is ingegaan op een voorstel tot beëindiging van de strafvordering door de betaling van een minnelijke schikking, en hij aldus zijn "straf" heeft ondergaan. Er anders over oordelen komt er inhoudelijk op neer toch te aanvaarden dat iemand tweemaal kan gestraft wordt voor eenzelfde feit.

Het hoger beroep dient op die basis, die het hof ambtshalve dient te onderzoeken, gegrond verklaard te worden voor wat betreft de opgelegde sanctie.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek door de heer P.,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Bevestigt het bestreden vonnis en de bestreden administratieve sanctie in zoverre ze de heer P. gedeeltelijk uitsluit uit het recht op werkloosheidsuitkeringen voor de in de administratieve beslissing vermelde periodes en de terugvordering oplegt van de teveel betaalde werkloosheidsuitkeringen.

Hervormt het bestreden vonnis en de bestreden administratieve beslissing in zoverre deze aan de heer P. een sanctie oplegt in de vorm van een uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van negen weken.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de heer P. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 31 januari 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Mots libres

  • ARBEIDSVOORZIENING

  • WERKLOOSHEID

  • Berekening van de uitkeringen

  • Bedrag van de uitkering

  • Werknemer met gezinslast (KB 25/11/1991, art. 110)

  • Werkloosheidsverzekering.