- Arrêt du 24 juin 2013

24/06/2013 - 2012/AB/911

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De (absolute) nietigheid van de opzegging tast de geldigheid van het ontslag niet aan.

De werknemer kan evenwel na de betekening van de nietige opzegging afstand doen van het recht zich te beroepen op het ontslag; deze afstand kan blijken uit het voortzetten van de arbeidsprestaties tegen loon.

Indien afstand wordt gedaan van het recht het ontslag in te roepen is het gevolg dat de arbeidsovereenkomst zal voortduren tot op het ogenblik dat er een andere beëindigingshandeling plaatsvindt.

In dat geval berust de oorsprong van de opzeggingsvergoeding op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever bij het verstrijken van de opzeggingstermijn en niet op de betekening van de nietige opzegging.


Arrêt - Texte intégral

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 JUNI 2013.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Op tegenspraak conform art. 747 § 1 G.W.

Definitief

In de zaak:

N.V. KINNARPS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1780 WEMMEL, Heide 15.

Appellante, vertegenwoordigd door Mr. P. DION loco Mr. S. CORBANIE, advocaat te Diegem.

Tegen:

G. , wonende te xxx.

Geïntimeerde, noch verschijnend noch vertegenwoordigd.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 17 april 2012,

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 september 2012;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de appellante partij in haar middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 3 juni 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

 

1. FEITEN

Volgens de gegevens op het werkloosheidsbewijs C4 trad de heer G. in dienst van de NV Kinnarps (hierna genoemd de NV) op 22 maart 2004 en oefende hij de functie uit van monteur - magazijnier. Een geschreven arbeidsovereenkomst wordt niet bijgebracht.

Met gewone brief, waarvan de NV voorhoudt dat deze overhandigd werd aan de heer G. op 27 januari 2006, doch waarvan geen door de heer G. ondertekend exemplaar wordt bijgebracht, betekende de NV de opzegging aan de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 28 kalenderdagen die aanvang nam op 30 januari 2006 om te eindigen op 26 februari 2006.

Op 24 februari 2006 leverde de NV een werkloosheidsbewijs C4 af, waarin melding werd gemaakt van de opzegging door de brief van 27 januari 2006, en van het feit dat de tewerkstelling werd beëindigd op 24 februari 2006.

Met brief van 6 maart 2006 meldde de vakorganisatie van de heer G. dat de RVA weigerde werkloosheidsvergoedingen te betalen, daar de kennisgeving van de opzegging gebeurde van hand tot hand, en vorderde zij betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 20 werkdagen loon.

Met brief en telefax van 16 mei 2006 betwistte de raadsman van de NV de vordering van de heer G., in essentie op grond van het argument dat deze zich te laat op de nietigheid van de opzegging had beroepen.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 19 februari 2007 vorderde de heer G. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betaling door de NV van 1.757,04 EUR bruto opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest. Tevens vorderde hij de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 25 augustus 2011, vorderde hij in hoofdorde tevens de veroordeling van de NV tot de kosten van het geding, en in ondergeschikte orde de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag van 75,00 EUR, minstens tot het oud bedrag van 200,00 EUR.

c.-

Met vonnis van 17 april 2012 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering in volgende mate gegrond; zij veroordeelde de NV tot betaling aan de heer G. van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 1.757,04 EUR onder aftrek van de wettelijke inhoudingen die aan de bevoegde instanties moeten gestort worden, en tot betaling van de wettelijke intrest op het bruto bedrag vanaf 24 februari 2006 en de gerechtelijke intrest vanaf de dagvaarding. De NV werd tevens veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van de heer G. begroot op de kosten van dagvaarding.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 september 2012, tekende de NV hoger beroep aan tegen dit vonnis. Zij vorderde dat het arbeidshof:

- de beslissing in eerste aanleg zou hervormen door de aan de heer G. toegewezen vordering als ongegrond te verklaren

- te zeggen voor recht dat de heer G. zijn recht op betaling van een opzeggingsvergoeding verzaakt heeft wegens het betaald presteren van de volledige opzeggingstermijn zonder enige vorm van protest;

- indien deze vordering niet zou worden toegewezen, te zeggen voor recht dat de redelijke termijn voor het zich beroepen op de absolute nietigheid werd overschreden;

- de heer G. te veroordelen tot de betaling van de gedingkosten en van de rechtsplegingsvergoeding zowel in eerste aanleg als in beroep, begroot op 440,00 EUR per aanleg.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Artikel 37 § 1 vierde lid van de Arbeidsovereen-komstenwet bepaalt:

"Indien de opzegging uitgaat van de werkgever, kan de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid enkel geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld."

b.-

De NV betwist niet en het arbeidshof stelt vast dat de op 27 januari 2006 betekende opzegging absoluut nietig is, daar de kennisgeving van de opzegging niet gebeurde met aangetekende brief of per gerechtsdeurwaardersexploot.

De (absolute) nietigheid van de opzegging tast de geldigheid van het ontslag niet aan.

(vgl. Cass. 14 december 1992, J.T.T. 1993, 226, noot D. Votquenne; Cass. 6 januari 1997, J.T.T. 1997, 119; Cass. 12 oktober 1998, R.W. 1998-99, 1351, noot)

De werknemer kan evenwel na de betekening van de nietige opzegging afstand doen van het recht zich te beroepen op het ontslag; deze afstand kan blijken uit het voortzetten van de arbeidsprestaties tegen loon.

(vgl. Arbh. Antwerpen 25 maart 1993, T.S.R. 1993, 269; Arbh. Brussel 24 oktober 2001, J.T.T. 2002, 426; Arbh. Gent 15 oktober 2001, J.T.T. 2002, 343)

Wanneer een partij die een onmiddellijk ontslag kon inroepen dit niet doet maar voortgaat met het leveren/doen leveren van arbeidsprestaties, kan dit niet anders worden uitgelegd dan als een afstand van het recht het ontslag in te roepen en de minstens stilzwijgende wil de arbeidsovereenkomst te laten bestaan.

(vgl. Arbh. Gent 23 februari 2001, R.W. 2001-2002, J.T.T. 2002, 417)

Dat het stilzitten van de werknemer na kennisgeving van een nietige opzegging, terwijl hij het onmiddellijke ontslag kon inroepen, wordt uitgelegd als een afstand van recht, past in een verbintenissenrecht dat geëvolueerd is van een zuivere wilsleer naar een wilsvertrouwensleer. De werkgever mag er in dergelijke situatie van voortgezette arbeidsprestaties rechtmatig op vertrouwen dat zijn werknemer het ontslag niet meer inroept.

(vgl. W. Rauws, De nietigheid van de opzegging: een probleem van verbintenis- en ontslagrecht, in CBR-Jaarboek 2003-2004, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn 2004, 385)

c.-

In voorliggende betwisting stelt het arbeidshof vast dat de heer G. zich niet binnen een redelijke termijn op het ontslag ten gevolge van de nietige opzegging op 27 januari 2006 heeft beroepen, zodat hij geacht moet worden afstand te hebben gedaan van het recht zich hierop te beroepen.

Inderdaad kan de werknemer die zich niet binnen een redelijke termijn na de absoluut nietige opzegging op het ontslag beroept, het recht verliezen later nog de onmiddellijke beëindiging in te roepen.

(vgl. Cass. 28 januari 2008, J.T.T. 2008, 239, noot; Cass. 28 januari 2008, NjW 2008,402, noot I. Plets; Arbh. Brussel 26 juni 2009, J.T.T. 2009, 38; Arbh. Brussel 8 september 2009, J.T.T. 2010, 45)

d.-

Indien afstand wordt gedaan van het recht het ontslag in te roepen is het gevolg dat de arbeidsovereenkomst zal voortduren tot op het ogenblik dat er een andere beëindigingshandeling plaatsvindt.

(vgl. W. Rauws, Enige aspecten van de opzegging in het gemene en in het maritieme ontslagrecht, in Liber Amicorum Hubert Libert, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn 1999, 254-257)

In dat geval berust de oorsprong van de opzeggingsver-goeding op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever bij het verstrijken van de opzeggingstermijn en niet op de betekening van de nietige opzegging.

(vgl. Arbh. Antwerpen, 15 maart 1996, Soc.Kron. 1996, 430, noot H. Funck; Arbh. Brussel 24 oktober 2001, J.T.T. 2002, 426; Arbh. Brussel 26 juni 2009, J.T.T. 2009, 38; Arbh. Brussel 8 september 2009, J.T.T. 2010, 45)

e.-

Het staat niet ernstig ter discussie dat de NV de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft beëindigd op 24 februari 2006, zoals overigens bevestigd op het werkloosheidsbewijs C4 van dezelfde datum.

Het bewijs van het ontslag kan immers blijken uit de vermeldingen die voorkomen op het door de werkgever ingevulde werkloosheidsformulier C4.

(vgl. Arbrb. Charleroi 19 november 1991, R.R.D. 1992, 132)

In voorliggende betwisting heeft de werkgever op het op 24 februari 2006 afgeleverde werkloosheidsbewijs C4 melding werd gemaakt van het feit dat de tewerkstelling werd beëindigd op 24 februari 2006.

f.-

Gelet op de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de NV op 24 februari 2006, heeft de heer G. met toepassing van artikel 38 § 1 en artikel 59 van de Arbeidsovereenkomstenwet recht op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 28 kalenderdagen loon.

De verschuldigde opzeggingsvergoeding werd in het bestreden vonnis dan ook correct becijferd op 1.757,04 EUR.

g.-

Ten onrechte argumenteert de NV onder referte aan het cassatiearrest van 16 mei 2011 dat de heer G. geen recht heeft op betaling van een opzeggingsvergoeding daar hij afstand heeft gedaan van dit recht door zich niet te beroepen op de absolute nietigheid van de door de NV betekende opzegging binnen een redelijke termijn.

Het is juist dat het Hof van Cassatie met arrest van 16 mei 2011 - in een terloopse overweging - heeft geoordeeld dat een werknemer rechtsgeldig afstand kan doen van zijn recht op ontslagvergoeding van zodra dit recht is ontstaan.

(Cass. 16 mei 2011, J.T.T. 2011, 301, noot D. Votquenne en A. Votquenne)

Doch terecht oordeelde de arbeidsrechtbank dat de referte aan dit arrest en dit principe in voorliggende betwisting niet relevant is: het enige wat hieruit kan worden afgeleid is dat de heer G. door zich niet binnen een redelijke termijn te beroepen op het ontslag na absoluut nietige opzegging, rechtsgeldig afstand kan doen van de opzeggingsvergoeding die hem verschuldigd is op grond van het ontslag ten gevolge van deze absoluut nietige opzegging van 27 januari 2006, maar niet dat hij hierdoor ook rechtsgeldig afstand doet van de opzeggingsvergoeding die verschuldigd werd door de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de NV op 24 februari 2006.

Zoals hoger reeds geoordeeld, berust in dat geval de oorsprong van de opzeggingsvergoeding op de beëindi-ging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever bij het verstrijken van de opzeggingstermijn en niet op de betekening van de nietige opzegging.

(vgl. Arbh. Antwerpen, 15 maart 1996, Soc.Kron. 1996, 430, noot H. Funck; Arbh. Brussel 24 oktober 2001, J.T.T. 2002, 426; Arbh. Brussel 26 juni 2009, J.T.T. 2009, 38; Arbh. Brussel 8 september 2009, J.T.T. 2010, 45)

h.-

Het hoger beroep van de NV dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak ten opzichte van de NV en zoals op tegenspraak ten opzichte van de heer Geersoms en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst de NV in de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de heer G. vereffend op NIHIL en in hoofde van de NV op 440,00 EUR rechtsplegings-vergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

D. RYCKX : Raadsheer.

S. ALAERTS: Raadsheer in sociale zaken als werkgever,

J.P. VAN CONINGSLOO : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

S. ALAERTS, J.P. VAN CONINGSLOO,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 24 juni 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Absoluut nietige opzegging

  • Gevolgen.