- Jugement du 4 mars 2014

04/03/2014 - 13/67/A

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer men gedurende minstens 30 jaar het deugdelijk bezit heeft van een weg, is dit bezit verkregen door verjaring.

Wanneer men in gebreke blijft om het bestaan van eventuele bezitsgebreken aan te tonen, is verjaring van de erfdienstbaarheid verkregen.


Jugement - Texte intégral

De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, eerste kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

A.R. nr. 13/67/A INZAKE :

De heer A. V. H., technisch agent, en zijn echtgenote mevrouw G. V., verpleegster, eisers in hoger beroep, verweerders op incidenteel beroep, die als raadsman hebben Mr. Carl Hubrechts, advocaat te 3010 Kessel-Lo, Tiensesteenweg 305

TEGEN :

De Gemeente B, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, verweerster in hoger beroep, eiseres op incidenteel beroep, die als raadsman heeft Mr. Joris Mattijs, advocaat te 2500 Lier, Donk 54

* * * * *

De rechtbank neemt in acht:

- het eerder vonnis van deze kamer van 31.12.2013 waarbij de heropening van de debatten werd bevolen op de zitting van 04.02.2014, en de aldaar vermelde procedurestukken,

- de voor partijen reeds overgelegde stukken en de thans, na heropening debatten, door partijen neergelegde stukken aangaande de bezitsvordering.

1. Procedure

1.1.

De rechtbank herneemt de zaak.

De betwistingen tussen de partijen hebben betrekking op een voetweg die zich bevindt te B., en deels loopt over de percelen gekend onder de kadastrale nummers 101 - 102c 102d 102e 102f 100 99 103c 104 waarvan eisers in hoger beroep de eigenaars zijn.

1.2.

De vorderingen van partijen blijven na vonnis van deze kamer van 31.12.2013 ongewijzigd.

1.3.

Bij vonnis van deze kamer van 31.12.2013 werd het hoger beroep reeds ontvankelijk verklaard. Het incidenteel beroep door verweerster in hoger beroep ingesteld bij conclusie neergelegd ter griffie op 05.04.2013 is ontvankelijk.

2. Beoordeling

2.1.

Voor wat de feitelijke gegevens van de zaak betreft, verwijst deze rechtbank naar de omstandige uiteenzetting daarvan gedaan door de eerste rechter in het vonnis van 27.09.2012 en door deze kamer in haar vonnis van 31.12.2013.

2.2.

Eisers in hoger beroep vorderden voor de eerste rechter om aan verweerster in hoger beroep een verbod op te leggen om de percelen gelegen te B., gekend onder de kadastrale nummers 101 - 102c 102d 102e 102f 100 99 103c 104 te betreden, haar te veroordelen tot betaling van een vergoeding van euro 500,00 per vastgestelde overtreding en van de kosten van het geding.

Verweerster in hoger beroep vorderde voor de eerste rechter bij tegeneis om te horen zeggen voor recht dat zij een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang geniet met betrekking tot de verbindingsweg gelegen xxx, eisers in hoger beroep te veroordelen tot betaling van een bedrag van euro 10.000,00 wegens tergend en roekeloos geding, meer de kosten van het geding.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat naar genoegen van recht bewezen is dat de weg (zoals aangeduid in stippellijn op het kadasterplan) minstens sedert 1944 door het publiek gebruikt werd om zich tijdens de zomermaanden te voet of met de fiets te verplaatsen tussen de xxx en de yyy. De verkrijgende verjaring van de publieke erfdienstbaarheid werd volgens de eerste rechter verworven in 1973, hetzij voor 17.06.1976, datum waarop eisers in hoger beroep het lijdend erf aankochten. De eerste rechter heeft de vordering van eisers in hoger beroep dan ook als ongegrond afgewezen en de tegenvordering gegrond verklaard.

Eisers in hoger beroep kunnen zich niet neerleggen bij de beslissing van de eerste rechter en houden in de eerste plaats voor dat de eerste rechter uitgaat van een wegenis die er gewoon niet was. Op het originele kadasterplan vindt men volgens eisers in hoger beroep geen stippellijn van de kwestieuze weg, wel van de Kerkweg die evenwel niet over hun perceel loopt. Volgens eisers in hoger beroep heeft er nooit een wegenis over hun erf gelopen. Verder stellen zij dat ze louter gedoogd hebben dat fietsers en voetgangers tijdens de droge zomermaanden over hun eigendom mochten rijden. Bovendien zijn volgens eisers in hoger beroep de voorwaarden van artikel 2229 van het burgerlijk wetboek (deugdelijk bezit) teneinde zich te kunnen beroepen op de verkrijgende verjaring niet vervuld.

Verweerster in hoger beroep stelt incidenteel beroep in inzoverre de eerste rechter haar oorspronkelijke tegenvordering tot een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding, ex aequo et bono begroot op euro 10.000,00 als ongegrond heeft afgewezen.

2.3. Betreffende het hoofdberoep

2.3.1. Bestaan van een wegenis over het erf V. H.-V. D. V.

Eisers in hoger beroep stellen dat de eerste rechter in zijn beoordeling vertrok van een wegenis die er niet was. Volgens eisers in hoger beroep bestaat er slechts één buurtweg, met name de zzz die op het originele kadasterplan van 1944 werd aangeduid met een stippellijn en die niet over hun erf doch +/- parallel er mee loopt. Over hun erf loopt volgens eisers in hoger beroep geen wegenis.

Bij exploot van dagvaarding van 24.06.1985 startte verweerster in hoger beroep voor de vrederechter te Lier een procedure lastens eisers in hoger beroep teneinde hen te verplichten de zate van de erfdienstbaarheid van overgang vrij van stoornissen te maken, nu eisers in hoger beroep eerst de duiker hadden weggenomen en vervolgens een poort tot afsluiting van hun erf hadden geplaatst.

Deze procedure werd definitief beslecht bij vonnis in hoger beroep (en op verwijzing na cassatie) van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 09.04.1991. De daarop volgende voorziening in cassatie werd verworpen bij arrest van 11 september 1992. Hangende de bezitsvordering (reintegranda) ingeleid bij exploot van 24.06.1985 werd bij exploot van dagvaarding van 19.07.1988 tevens een eigendomsvordering, m.n. een vordering tot ontkenning van een erfdienstbaarheid, ingeleid door eisers in hoger beroep. Bij vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 08.11.2005 werd de eigendomsvordering op grond van artikel 1371,3° van het gerechtelijk wetboek onontvankelijk verklaard zijn.

Op vraag van de rechtbank werd thans na heropening van de debatten de stukken met betrekking tot de hiervoor vermelde gevoerde procedures door partijen voortgebracht.

De rechtbank stelt vast dat In het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 09.04.1991 dat in kracht van gewijsde is, overwogen werd:

"(...) In tegendeel in de verklaring van eerste geïntimeerde V. H. wordt bevestigd dat er een buurtweg bestaat:

'... de weg is volledig op mijn eigendom...

... V. D. B. heeft hier geen grond achter deze weg en moet hier niet komen met zijn voertuigen.

Ik laat deze weg open voor fietsers en voetgangers.'

Bij voormeld vonnis werden eisers in hoger beroep definitief veroordeeld om de zate van de weg, zoals aangeduid in stippellijn op het plan van het kadaster, aangehecht aan het oorspronkelijk exploot van rechtsingang, opnieuw in de oude toestand te herstellen en het overgangsrecht ten behoeve van de buurtbewoners over deze weg te eerbiedigen. Aan eisers in hoger beroep werd het verbod opgelegd om door middel van enige afsluiting of door het plaatsen van obstakels of door welkdanige feitelijke stoornis ook het gebruik van deze weg over een breedte van minimum 1,20 meter onmogelijk te maken.

Eisers in hoger beroep zijn dan ook slecht geplaatst om thans te bewisten dat er ten tijde van de aankoop van de gronden in 1976 een wegenis over hun eigendom liep.

Ten overvloede verwijst de rechtbank naar de plaatsopneming die op 17.02.1987 door de vrederechter van Lier werd verricht en naar het proces-verbaal van deze plaatsopneming waarin gesteld werd:

"Begeven ons naar de plaats van het geschil te B. tussen de xxx en de yyy,

(...)

en stellen vast:

de kwestieuze weg is gelegen tussen de xxx en de yyy. Van de xxx tot het eigendom van verweerders is de weg verhard en goed berijdbaar. Even voorbij de het woonhuis van verweerders houdt de weg op of beter het uitzicht van een weg op en is afgesloten door een ijzeren poort. Over een lengte van ongeveer 150 m. ligt de zogezegde zate in een weiland en op het erf van een gebuur wiens eigendom aansluit op de yyy. Op dit laatste traject is er geen uitzicht van een weg. Vanaf het erf van de gezegde gebuur naar de yyy toe bestaat er weer een wegenis die door de gemeente B. zou verhard zijn met asfaltspecie, die wij inderdaad aantreffen.

Verweerder wijst ons in het landschap op ongeveer 200 meter van de kwestieueze wegenis naar een mogelijke weg die eerder zou gediend hebben om de xxx te verbinden met de yyy en die zou zijn ingeschreven in het atlas der buurtwegen. Deze laatste weg ligt meer in de richting van B. centrum."

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat in de notariële akte verleden voor notaris C. te B. op 17.06.1976 waarbij eisers in hoger beroep hun onroerend goed aankochten uitdrukkelijk wordt gesteld "goederen hebben recht van wegenis ter breedte van drie meter over de aanpalende goederen van de verkopers naar de xxx, zoals deze thans bestaat" en "de kopers zullen ... de op heden bestaande wegenissen moeten eerbiedigen en mogen uitoefenen."

De rechtbank besluit dat er over het erf van eisers in hoger beroep wel degelijk een wegenis loopt, die overigens het voorwerp geweest is van een bezitsvordering waarover definitief geoordeeld werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 09.04.1991. Het feit dat de bezitsvordering ontvankelijk en gegrond verklaard werd, impliceert het bestaan van de kwestieuze wegenis over de percelen van eisers in hoger beroep.

De zogenaamde "zzz" waarnaar eisers in hoger beroep in hun besluiten verwijzen, is nog een andere verbindingsweg tussen de xxx en de yyy die in de nabijheid ligt van de kwestieuze wegenis over het erf van eisers in hoger beroep, doch die voor onderhavige procedure niet relevant is.

2.3.2. Verkrijging door verjaring

Verweerster in hoger beroep stelt dat zij de erfdienstbaarheid van doorgang bekwam door verjaring, hetgeen door eisers in hoger beroep betwist wordt.

Doordat de bezitsvordering ontvankelijk en gegrond verklaard werd, brengt dit met zich mee dat de kwestieuze wegenis mogelijks door verjaring kan verkregen worden. Deze bijzondere vorm van verkrijging komt er op neer dat het eigendomsrecht over een onroerend goed verkregen wordt door het verstrijken van een periode van minstens 30 jaar indien men kan aantonen dat men gedurende die termijn over het goed een voortdurend, onafgebroken, openbaar en ondubbelzinnig bezit had als ware men er de eigenaar van (art. 2229 B.W.)

Verkrijgende verjaring is aldus een oorspronkelijke wijze van eigendomsverkrijging waardoor iemand die gedurende een lange tijd het (deugdelijk) bezit van een zakelijk recht heeft gehad, hiervan ook houder is geworden. De bezitter wordt dan eigenaar, zonder dat deze eigendomsovergang op enige manier moet worden bekendgemaakt.

De eerste rechter wees er terecht op dat een recht van overgang over een privé-eigendom als "wettelijke erfdienstbaarheid" tot openbaar nut, ten behoeve van de inwoners van de gemeente en van alle belanghebbenden, kan worden verkregen door een dertigjarig voortdurend en onafgebroken, openbaar en niet dubbelzinnig gebruik van een strook grond door eenieder voor het openbaar verkeer, mits dit gebruik geschiedt met de bedoeling de strook als zodanig te gebruiken en niet berust op een eenvoudig gedogen van de eigenaar van de grond (zie ook Cass. 20.05.1983, www.cass.be).

Aldus dient in onderhavige zaak te worden onderzocht of verweerster in hoger beroep gedurende minstens 30 jaar het deugdelijk bezit heeft van de kwestieuze weg.

2.3.2.1. Bezit gedurende minstens dertig jaar

Eisers in hoger beroep kochten het onroerend goed met aanhorigheden bij notariële akte van 17.06.1976 verleden voor notaris C. te B.. Uit deze notariële akte blijkt dat de rechstvoorgangers van eisers in hoger beroep de consoorten R.-V. P. waren, die op 27.06.1928 eigenaar werden (behalve van perceel 99 dat zij op 21.05.1907 aankochten).

In artikel 3 van de notariële akte werd voorzien dat de kopers de op heden bestaande wegenissen moeten eerbiedigen.

De eerste rechter citeerde in het eerste vonnis terecht verschillende verklaringen afgelegd zowel voor als na het inleiden van de procedure aangaande de bezitsvordering (bundel verweerster in hoger beroep - stuk 1), waaruit blijkt dat de kwestieuze weg minstens sedert 1944 door buurtbewoners in de zomer veelvuldig gebruikt werd (te voet of met de fiets) aangezien dit de kortste weg tussen de xxx en de yyy betreft. In 1943 of 1944 werd immers de duiker aangekocht en geplaatst in de aaa, zoals verklaard door eerste eiser in hoger beroep en bevestigd door de heer F. R. (zie PV nr. 875). Door het plaatsen van deze duiker kon de verbindingsweg ter hoogte van het huidige onroerend goed van eisers in hoger beroep door het publiek gebruikt worden, hetgeen blijkbaar in zomer ook veelvuldig gebeurde.

Aldus is verweerster in hoger beroep minstens sedert 1944 in het bezit geweest van de kwestieuze weg. De verjaring van de erfdienstbaarheid werd aldus verkregen in 1974, hetzij voor 17 juni 1976, datum waarop eisers in hoger beroep het lijdend erf aankochten tenzij eisers in hoger beroep aantonen dat het bezit behept is met gebreken.

2.3.2.2. Deugdelijk bezit

De bewijslast van eventuele bezitsgebreken rust op diegene die de deugdelijkheid van het bezit betwist (zie ook Cass. 24 september 2007, Arr. Cass. 2007, afl. 9, 1739; Cass. 9 maart 1992, Pas. 1992, I, 609; Cass. 4 december 1986, Arr.Cass. 1986-87, 448; Cass. 16 februari 1973, Arr.Cass. 1973, 606; Antwerpen 1 december 2008, TBBR 2011, 125-129). Diegene die op verkrijgende verjaring aanspraak wil maken, hoeft dus enkel zijn bezit tout court op te werpen.

Nu in de eerdere procedure de bezitsvordering ontvankelijk en gegrond werd verklaard, komt het aan eisers in hoger beroep toe te bewijzen dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2229 van het burgerlijk wetboek en derhalve het bestaan van eventuele bezitsgebreken aan te tonen.

a. voortdurend en onafgebroken bezit

Een eerste voorwaarde van het deugdelijk bezit betreft haar voortdurend en onafgebroken karakter.

Een bezit is voortdurend wanneer op regelmatige basis bezitsdaden worden gesteld. Het volstaat dat de bezitter handelt zoals een normaal en zorgvuldig titularis zou doen. Het burgerlijk wetboek voert in artikel 2234 evenwel een wettelijk vermoeden in ten voordele van het voortdurende karakter van het bezit. Dit artikel bepaalt immers dat de huidige bezitter die bewijst voorheen het bezit te hebben gehad, ook wordt geacht in tussentijd het bezit te hebben gehad, behoudens tegenbewijs.

Eisers in hoger beroep erkennen in hun besluiten (blz.18) dat de weg gedurende de zomermaanden door de buurtbewoners gebruikt werd. Zoals hoger gesteld werd (punt 2.3), werd dit ook reeds bevestigd in het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 09.04.1991 blz. 3 en het arrest van het Hof van cassatie van 11.09.1992 blz.5: "Overwegende dat het bestreden vonnis vaststelt dat de eiser sub 1 bevestigd heeft in een verklaring dat de litigieuze weg een "buurtweg" was en dat hij die weg openliet "voor fietsers en voetgangers"; dat de eisers niet aanvoeren dat het vonnis de bewijskracht van die verklaring miskent;"

De argumentatie van eisers in hoger beroep dat het gebruik niet voortdurend zou zijn om reden dat de weg tijdens de wintermaanden niet gebruikt werd, werd door de eerste rechter terecht niet gevolgd. Voortdurend dient niet geïnterpreteerd als permanent. Zoals hiervoor gesteld werd, is het criterium dat van een normaal en zorgvuldig titularis. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de eerste rechter dat het gebruik tijdens de zomermaanden van een kerweg die in de wintermaanden onbegaanbaar is door natuurlijke omstandigheden en dit vele opeenvolgende jaren, niet onderbroken is en gezien de aard van de weg als voortdurend dient beschouwd te worden. Het feit dat de niet verharde weg gedurende de wintermaanden ingevolge de weersomstandigheden en derhalve slechte staat van de weg niet gebruikt werd, doet geen afbreuk aan het voortdurend karakter van het bezit.

Het bezit dient daarenboven onafgebroken te zijn, zodat het bezit en derhalve de verjaring niet mag worden verstoord door stuitingsdaden afkomstig van derden. Artikel 2243 van het burgerlijk wetboek beschrijft de stuiting als natuurlijk van aard wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot van de zaak is beroofd,

hetzij door de oude eigenaar, hetzij door een derde. Eisers in hoger beroep sloten in de loop van augustus en september 1984 de weg af door het verwijderen van de zogenaamde "riool-duiker". In oktober 1984 werd dan door middel van een poort met hangslot de toegang tot hun erf volledig afgesloten. Deze handelingen kunnen evenwel geen afbreuk meer doen aan de reeds sedert 1974 verkregen verjaring (zie punt 2.3.2.1). Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat artikel 1370 van het gerechtelijk wetboek aan de bezitter de mogelijkheid biedt om die stuiting te vermijden door het instellen van

een bezitsvordering. In casu werd door verweerster in hoger beroep met succes dergelijke bezitsvordering ingesteld, zodat het bezit als onafgebroken dient te worden beschouwd.

b. ongestoord bezit

Daden van geweld kunnen niet als grondslag dienen voor een bezit waaruit verjaring zou ontstaan.

Eisers in hoger beroep verwijzen naar de verschillende processen-verbaal met klachten die ten verzoeke van hen werden opgesteld en stellen dat er derhalve geen sprake is van een ongestoord bezit.

De processen-verbaal dateren van de periode 1984-1987. Dat er voorheen een stoornis in het gebruik van de wegenis zou geweest zijn, wordt door eisers in hoger beroep niet ten genoege bewezen.

c. openbaar bezit

Een bezit is niet openbaar indien de materiële bezitsdaden worden verborgen, specifiek voor diegene die er belang bij hebben om op de te hoogte zijn van de inbezitneming. Zij moeten het bezit of de bezitsdaden kunnen zien en vaststellen, om desgevallend, de nodige maatregelen te kunnen treffen teneinde zich tegen de verjaring te

verzetten (zie ookCass. 19 juni 2009, Arr. Cass. 2009, afl. 6-7-8, 1744).

Deel 1, deel 2 en deel 4 van de weg is altijd open geweest voor het publiek. Deel 3 hebben eisers in hoger beroep in 1984 trachtten af te sluiten. De weg is op de kadastrale legger aangeduid met een stippellijn.

Uit de verschillende verklaringen voortgebracht door verweerster in hoger beroep (zie punt 2.3.2.1) blijkt dat de kwestieuze weg reeds jarenlang gebruikt werd door de buurtbewoners.

Dat het bezit niet openbaar zou geweest zijn, wordt derhalve niet ten genoege van recht bewezen.

d. ondubbelzinnig bezit

Het bezit is ondubbelzinnig als de bezitsdaden ontegensprekelijk de uiting zijn van het recht waarop de bezitter aanspraak maakt.

Eisers in hoger beroep verwijzen naar een verkeersbord met "doodlopende straat" hetgeen volgens hen in strijd zou zijn met het recht van doorgang waarop zij aanspraak maken en het bezit dubbelzinnig maakt.

De eerste rechter wees er terecht op dat het verkeersbord F45 "doodlopende weg" een aanwijzingsbord (artikel 75 wegcode) is en geen verbodsbord (artikel 68 wegcode). Wagens mogen de straat inrijden, doch worden er op gewezen dat zij op een gegeven moment niet meer kunnen verder rijden. Nergens blijkt uit dat de doorgang voor voetgangers of fietsers zou verboden zijn. In tegendeel, uit stuk 3 zoals voorgelegd door verweerster in hoger beroep, blijkt dat er een onderbord hangt "uitgezonderd fietsers en voetgangers".

2.3.3. Besluit

Verweerster in hoger beroep is minstens sedert 1944 in het bezit van de kwestieuze weg.

Eisers in hoger beroep falen in de op hen rustende bewijslast dat het bezit gebrekkig zou zijn.

Eisers in hoger beroep falen eveneens in de op hen rustende bewijslast dat hun rechtsvoorgangers het publiek gebruik enkel gedoogd zouden hebben. De eerste rechter wees er terecht op dat hun beweerd gedogen na 17.06.1976 niet ter zake doet.

De rechtbank treedt derhalve de eerste rechter bij waar deze oordeelde dat de verkrijgende verjaring van de publieke erfdienstbaarheid werd verworven in 1973, hetzij voor 17 juni 1976, datum waarop eisers in hoger beroep het lijdend erf aankochten.

De vordering van eisers in hoger beroep om aan verweerster in hoger beroep een verbod op te leggen om de percelen gelegen te B., gekend onder de kadastrale nummers 101 - 102c 102d 102e 102f 100 99 103c 104 te betreden, en haar te veroordelen tot betaling van een vergoeding van euro 500,00 per vastgestelde overtreding, werd door de eerste rechter terecht ongegrond verklaard. De tegenvordering van verweerster in hoger beroep om te horen zeggen voor recht dat zij een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang geniet met betrekking tot de verbindingsweg gelegen tussen de xxx en de yyy, werd terecht gegrond verklaard. Het hoger beroep is ongegrond en het eerste vonnis dient op deze punten te worden bevestigd.

2.4. Betreffende het incidenteel beroep

2.4.1.

De oorspronkelijke tegenvordering van verweerster in hoger beroep strekkende tot een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding, ex aequo et bono begroot op euro 10.000,00, werd door de eerste rechter als ongegrond afgewezen. De eerste rechter stelde dat het feit afgewezen te worden van een vordering, niet automatisch impliceert dat men onzorgvuldig geweest is. De eerste rechter wees er op dat gezien de toepassing van artikel 1371 van het gerechtelijk wetboek de bezits- en eigendomsvordering niet samen ingesteld konden worden. De eerste rechter besloot dat niet bewezen is dat eisers in hoger beroep in die mate onzorgvuldig zijn opgetreden dat zulks als foutief dient te worden beoordeeld.

Verweerster in hoger beroep kan zich niet neerleggen bij de beslissing van de eerste rechter en stelt op dit punt incidenteel beroep in. Volgens verweerster in hoger beroep werden zij door eisers in hoger beroep meegesleept in een ware procedureslag. Waar voorheen de buurt vrijelijk en ongestoord gebruik maakte van de wegenis, zijn zij oorzaak geweest van een "rel" in de gemeente: zij dulden het plots niet dat er doorgang over hun erf genomen wordt. Zij handhaaft derhalve haar vordering tot vergoeding wegens tergend en roekeloos geding.

2.4.2.

De rechtsonderhorigen hebben het door de Grondwet gewaarborgd recht om een geschil voor de bevoegde rechtbank te brengen. De niet-foutieve uitoefening van dat recht kan geen andere geldelijke sanctie tot gevolg hebben dat de veroordeling tot de gerechtskosten. De aansprakelijkheid wegens tergend en/of roekeloos geding is een beperkende aansprakelijkheid, waarbij meer dan een gewone fout in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek dient te worden aangetoond.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster in hoger beroep dergelijke fout niet aantoont, meer bepaald dat eisers in hoger beroep hun vordering met een tergend oogmerk of op roekeloze wijze zouden ingesteld hebben. De eerste rechter wees er desbetreffend terecht op dat de juridische gevolgen en interpretatie van de feitelijke gegevens van het ononderbroken gebruik door het publiek van de kerkweg in de periode voorafgaand aan de eigendomsverwerving van het lijdend erf niet evident is.

De tegenvordering van verweerster in hoger beroep werd door de eerste rechter dan ook terecht afgewezen als ongegrond. Het incidenteel beroep is ongegrond.

2.5. Betreffende de kosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van partijen, acht de rechtbank het billijk dat partijen elk worden veroordeeld tot de helft van de kosten van het hoger beroep.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK :

Dit vonnis wordt uitgesproken op tegenspraak en in hoger beroep;

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan werden in acht genomen;

De rechtbank herneemt de zaak;

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk doch ongegrond, en eisers in hoger beroep respectievelijk verweerster in hoger beroep worden er van afgewezen;

Het bestreden vonnis wordt integraal bevestigd;

Eisers in hoger beroep en verweerster in hoger beroep worden elk veroordeeld tot de helft van de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerster in hoger beroep begroot op euro 1.320,00 (rechtsplegingvergoeding) en in hoofde van hen zelf begroot op euro 100,00 (rolrecht hoger beroep) + euro 1.320,00 (rechtsplegingvergoeding) = euro 1.420,00;

De ondergetekende rechters hebben aan de zitting en aan het volledige beraad deelgenomen, en dit vonnis, werd overeenkomstig artikel 782bis, lid 1 van het gerechtelijk wetboek in openbare terechtzitting op vier maart tweeduizend veertien uitgesproken door de voorzitter van de eerste kamer, die voor het wijzen van het vonnis samengesteld was uit

De heer M. DE GENDT, ondervoorzitter, voorzitter van de kamer

Mevrouw I. CAMERLYNCK, rechter

Mevrouw J. NEVEN, rechter

De heer B. VAN ASCH, griffier.

B. VAN ASCH J. NEVEN

I. CAMERLYNCK M. DE GENDT

Mots libres

  • Erfdienstbaarheid

  • verkrijgende verjaring