- Jugement du 19 mars 2014

19/03/2014 - 13/2316/A

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De arbeidsrechtbank verzoekt het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken over de prejudiciële vraag of de uitsluiting in artikel 12 van de Arbeidsongevallenwet van de wettelijk samenwonende partner die geen verklaring van samenwoonst heeft afgelegd overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek, strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.


Jugement - Texte intégral

DE ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT.

Eerste kamer.

Rep.nr.

VONNIS van 19 MAART 2014

Mevrouw H L, wonende te ..,

eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. S. Renette, advocaat te 3500 Hasselt, Herkenrodesingel 4 bus 1.

tegen:

F V, met zetel te ...,

verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. S. Joris, advocaat te 3511 Kuringen - Hasselt, Kuringenstraat 11.

1. Procedure

De rechtbank heeft de volgende documenten ingezien:

- de inleidende dagvaarding, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder Gretl Victor op 6 september 2013;

- de beschikking d.d. 22 oktober 2013 in toepassing van artikel 747 Ger. W.

- de besluiten neergelegd ter griffie

- voor verwerende partij op 21 november 2013;

- voor eisende partij op 16 december 2013.

Partijen waren vertegenwoordigd ter zitting van 17 februari 2014 en werden in hun besluiten en middelen gehoord.

2. Feiten

Eisende partij was 7 januari 2008 tot 13 november 2012 wettelijk samenwonend met de heer D M, die op 13 november 2012 naar aanleiding van een erkend arbeidsongeval overleed.

Met schrijven van 17 december 2012 bevestigt verwerende partij dat zij het arbeidsongeval erkent, doch vervolgt: "Op basis van de gegevens die in ons bezit zijn dienen wij te besluiten, en dit overeenkomstig de door de wet gestelde voorwaarden, dat u niet als rechthebbende wordt beschouwd.

Er volgt nog briefwisseling tussen partijen.

Vermits eisende partij zich niet kan akkoord verklaren met de beslissing leidt zij vordering in voor de arbeidsrechtbank.

3. De vordering

De vordering van eisende partij strekt ertoe:

ln hoofdorde

Te zeggen voor recht dat verwerende partij eisende partij niet kan uitsluiten als rechthebbende van een arbeidsongevallenverzekering omdat zij met de heer Moons geen overeenkomst had gesloten waarin overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek voorzien is in een verplichting voor de partijen tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben.

Te zeggen voor recht dat eisende partij overeenkomstig art. 12 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen rechthebbende is van een arbeidsongevallenrente en verwerende partij te veroordelen tot uitbetaling van de rente aan haar.

In ondergeschikte orde

Vooraleer recht te doen navolgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt het art. 12 in samenhang gelezen met art. 5 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang met de artikelen 8 en 14 E.V.R.M., in zoverre die bepaling een onderscheid maakt tussen enerzijds gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben én anderzijds personen die wettelijk samenwonen maar géén overeenkomst overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek mèt een dergelijke voorziene verplichting hebben opgesteld, meer bepaald in zoverre het de lijfrente (gelijk aan 30 percent van het basisloon van de getroffene van een arbeidsongeval die overlijdt) toekent en dus voorbehoudt aan gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een dergelijke overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478, terwijl het die lijfrente niet toekent en dus weigert aan de wettelijk samenwonenden zonder een overeenkomst met een dergelijke voorziening tot verplichte hulp?"

Verweerster tevens te worden tot alle kosten van het geding met inbegrip van de kosten van dagvaarding en rolstelling en de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding zoals voorzien bij artikel 1017, 2° Ger. W., alhier begroot op

euro 1.320,00.

3. Ontvankelijkheid

De vordering is regelmatig naar vorm en termijn ingesteld. Zij is ontvankelijk.

4. Middelen van partijen

4.1. Eiser is van oordeel dat zij aanspraak kan maken op de betaling van de lijfrente voorzien in artikel 12 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, waarin is bepaald:

"Wanneer de getroffene ten gevolge van het arbeidsongeval overlijdt, wordt een lijfrente, gelijk aan 30 pct. van diens basisloon toegekend:

1° aan de echtgenoot die op het tijdstip van het ongeval noch uit de echt, noch van tafel en bed is gescheiden, of aan de persoon die op het tijdstip van het ongeval wettelijk samenwoont met de getroffene;

2° aan de echtgenoot die op het tijdstip van het overlijden van de getroffene noch uit de echt, noch van tafel en bed gescheiden is, of aan de persoon die op het tijdstip van het overlijden van de getroffene wettelijk met hem samenwoont, op voorwaarde dat:

a) het huwelijk of de wettelijke samenwoning gesloten na het ongeval minstens één jaar vóór het overlijden van de getroffene plaatsvond of;

b) uit het huwelijk of de wettelijke samenwoning een kind is geboren of;

c) op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten of één van de wettelijk samenwonenden kinderbijslag ontving.

De overlevende die uit de echt of van tafel en bed gescheiden is en die een wettelijk of conventioneel onderhoudsgeld genoot ten laste van de getroffene, alsmede de langstlevende partner van een ontbonden wettelijke samenwoning die een conventioneel onderhoudsgeld genoot ten laste van de getroffene, heeft eveneens recht op de lijfrente als bedoeld in het eerste lid, zonder dat die rente meer mag bedragen dan het onderhoudsgeld."

Eisende partij is van oordeel dat, ondanks de toekenning van het recht aan de wettelijk samenwonende, er een onverantwoorde ongelijkheid in behandeling blijft bestaan, doordat enkel de samenwoning met overeenkomst conform artikel 1478 B.W. wordt geviseerd.

Artikel 5, tweede lid van voormelde wet definieert het begrip wettelijke samenwoning en de wettelijk samenwonende partner als volgt:

"(...)Voor de toepassing van hoofdstuk II van deze wet wordt verstaan onder:

1° wettelijke samenwoning: de samenwoning van twee partners die overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek een overeenkomst hebben opgesteld waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben;

2° wettelijk samenwonende partner: de persoon die wettelijk samenwoont met een partner en waarbij tussen beide partners een overeenkomst is opgesteld

overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben."

In haar arresten van 21 december 2000 en 21 juni 2001 oordeelde het Grondwettelijk Hof reeds dat de "feitelijk" samenwonenden, zoals de gehuwden, economisch van elkaar afhankelijk konden zijn en dat er op het vlak van de sociale zekerheid gelijkenissen met de gehuwden waren. Niettemin legde de wetgever volgens het Hof aan de gehuwden wederzijdse verplichtingen op en was de vermogensrechtelijke situatie van de gehuwden anders dan die van feitelijk samenwonenden. Bijgevolg oordeelde het Hof dat de verschillende behandeling van de gehuwden en de "feitelijk" samenwonenden op een objectief criterium gesteund was.

Eisende partij is van mening dat de afwezigheid van een overeengekomen hulpplicht tussen de wettelijk samenwonenden is geen gegronde reden voor de weigering van de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen- en beroepsziekteverzekering.

Tussen wettelijk samenwonenden geldt eveneens een bijdrageplicht geldt. Wettelijk samenwonende partners zijn gehouden bij te dragen in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden. Er is tussen wettelijk samenwonenden een duidelijke verplichte solidariteit. De hulpplicht en de bijdrageplicht ressorteren gelijkaardige gevolgen en zijn niet eenvoudig van elkaar te onderscheiden. De vraag rijst waarom de wettelijke bijdrageplicht geen voldoende solidariteit zou tot stand brengen tussen wettelijk samenwonenden om de ene, in geval van overlijden van de andere naar aanleiding van een arbeidsongeval, een recht op schadeloosstelling toe te kennen. Dit geldt eens te meer nu de in de Wet van 11 mei 2007 opgenomen voorwaarde niets zegt over de draagwijdte en grootte van de verplichting tot hulp.

Besluitend kan worden gesteld dat het verschil tussen de hulpplicht uit het huwelijk en de bijdrageplicht in geval van wettelijke samenwoning te klein is om aan dit verschil een dermate belang toe te kennen voor wat betreft de schadeloosstelling van de regelingen inzake arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds.

In hoofdorde meent de eisende partij aldus dat de voorwaarde opgenomen in art. 5, tweede lid van de Wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, zoals gewijzigd door de Wet van 11 mei 2007, discriminerend is ten aanzien van de wettelijk samenwonenden in vergelijking tot gehuwden. De wettelijke bepaling zou de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden en kan om die reden niet worden toegepast. Derhalve vraagt de eisende partij om opgemelde voorwaarde in art. 5, tweede lid juncto art. 12 van de Wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, buiten beschouwing te laten, gelet op de strijdigheid met artikel 10 en 11 van de Grondwet.

Ondergeschikte verzoekt zij deze vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen, en stelt zij voor de vraag als volgt te formuleren:

"Schendt het art. 12 in samenhang gelezen met art. 5 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang met de artikelen 8 en 14 E.V.R.M., in zoverre die bepaling een onderscheid maakt tussen enerzijds gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben en anderzijds personen die wettelijk samenwonen maar geen overeenkomst overeenkomstig artikel 1478 van het burgerlijk wetboek mèt een dergelijke voorziene verplichting hebben opgesteld, meer bepaald in zoverre het de lijfrente (gelijk aan 30 percent van het basisloon van de getroffene van een arbeidsongeval die overlijdt) toekent en dus voorbehoudt aan gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een dergelijke overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478, terwijl het die lijfrente niet toekent en dus weigert aan de wettelijk samenwonenden zonder een overeenkomst met een dergelijke voorziening tot verplichte hulp?"

4.2. De wetsverzekeraar weigert aan eisende partij de voordelen van artikel

12 van de Arbeidsongevallenwet toe te kennen.

Zij stelt dat zij, omwille van het openbare ordekarakter van de wet, niet kan afwijken van de wettelijke bepalingen en voorschriften.

Anders dan eisende partij is zij van oordeel dat niet het feit van de samenwoning op zich het doorslaggevend criterium is, maar wél een economisch criterium, vertaald in een bij notariële akte vastgelegde verplichting tot hulp. In tegenstelling tot gehuwden (art. 213 BW) zijn wettelijk samenwonende partners immers niet gehouden tot een wederzijdse plicht tot hulp, terwijl net deze hulpplicht als vorm van vermogensrechtelijke solidariteit het criterium vormt voor de uitbreiding van de arbeidsongevallenregeling naar wettelijk samenwonenden.

Enkel de wettelijk samenwonenden die bij notariële akte een overeenkomst hebben gesloten in toepassing van artikel 1478 B.W., waarin de partners zich engageren om elkaar financiële hulp te bieden, ook na een eventuele breuk, kunnen als 'rechthebbende' beschouwd worden in de zin van art. 12 AOW en aanspraak maken op de uitkering van een arbeidsongevallenrente na een dodelijk arbeidsongeval van de wettelijk samenwonende partner.

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 mei 2007 werd de voorwaarde van het uitdrukkelijk conventioneel (notarieel) beding tot hulp en financiële steun in de zin van art. 1478 B.W., verantwoord als volgt. De minister van Werk benadrukte dat de juridische toestand van wettelijk samenwonenden, resp. gehuwden weliswaar 'vergelijkbaar', maar daarom nog niet 'gelijk' is;

een gelijkstelling tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden m.b.t. het recht op schadeloosstelling in geval van arbeidsongeval of beroepsziekte zou slechts gerealiseerd moeten worden in de mate dat hun juridische 'situatie' gelijk is.

De minister wees hierbij op het verschil tussen beide samenlevingsvormen m.b.t. de wederzijdse plichten en in het bijzonder op de afwezigheid van een tussen wettelijk samenwonende geldende hulp- en bijstandsplicht en een aan deze plicht gerelateerde (wettelijke) grond tot toekenning van een onderhoudsgeld na beëindiging van de wettelijke samenwoning. De na echtscheiding voortgezette hulpverplichting tussen echtgenoten vormt, volgens de minister, de grondslag voor de toekenning van de lijfrente aan de achterblijvende echtgenoot na een arbeidsongeval, resp. beroepsziekte met dodelijke afloop. De relatie tussen het recht op een lijfrente en het bestaan van een onderhoudsplicht tussen de echtgenoten na echtscheiding zou blijken uit het gegeven dat de gewezen echtgenoot van het slachtoffer slechts rentegerechtigd is in de mate dat hij een onderhoudsgeld genoot.

Uit het voorgaande leidde de minister af dat de situatie van wettelijk samenwonenden slechts gelijk is aan die van gehuwden (voor wat betreft de schadeloosstelling naar aanleiding van een arbeidsongeval), wanneer de partners een overeenkomst hebben gesloten waarin ze een wederzijdse onderhoudsplicht hebben bedongen die voortduurt na beëindiging van de wettelijke samenwoning. De gelijkstelling met gehuwden zou dan ook beperkt moeten blijven tot deze groep wettelijk samenwonenden.

De minister wees er tenslotte op dat de Belgische sociale zekerheid gestoeld is op solidariteit. Het zou niettemin onlogisch zijn dat het socialezekerheidsstelsel solidair moet zijn met de achterblijvende wettelijk samenwonende partner, wanneer de desbetreffende partners zelf niet willen voorzien in een wederzijdse en onderlinge sociale ondersteuning. Nemen de partners daarentegen zelf naar elkaar toe een engagement, dan wil de overheid dat graag ondersteunen.

Met deze opvatting sloot de minister van Werk zich aan bij het advies nr. 1547 van de Nationale Arbeidsraad (Pari. St. Senaat 2004-05, nr. 3-916/5, 16 e.v.).

(Zie Verslag namens de commissie voor de sociale aangelegenheden uitgebracht door de heer Cornil bij het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 12 van de Wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, Pari St. Senaat 2006-07,

nr. 3-916/5, 3, 6, 7 weergegeven in "De uitbreiding van de schadeloosstelling overeenkomstig de resp. regelingen inzake arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds naar wettelijk samenwonende partners", E. ALOFS, Not. Fisc. M. 2009, 311 -327).

Vermits eisende partij niet aan de voorwaarde van artikel 5 van de wet voldoet bij ontstentenis van een overeenkomst conform artikel 1478 B.W. zou de lijfrente niet verschuldigd zijn.

4. Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat artikel 5 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals gewijzigd bij wet van 11 mei 2007 enkel met de gehuwden gelijkstelt de samenwonenden die een overeenkomst hebben gesloten conform 1478 B.W., waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp, die zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben.

De omvang van deze verplichting tot hulp wordt niet wettelijk vastgelegd. Het komt de rechtbank voor dat zelfs de overeenkomst gesloten conform artikel 1478 B.W. en waarbij slechts een symbolische euro als verplichting tot hulp is opgenomen aldus zou volstaan om aan de voorwaarden van artikel 5 te voldoen. De aldus gesloten overeenkomst zou het door de wetgever beoogde doel uithollen. Verder argumenteert eisende partij terecht dat ook in de wettelijke samenwoning zonder overeenkomst partijen aan elkaar een bijdrageplicht verschuldigd zijn, welke eveneens de uitdrukking is van een solidariteit jegens elkaar.

Het komt de rechtbank dan ook voor dat het gepast is in te gaan op het verzoek van eisende partij om voorafgaand volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Schendt het art. 12 in samenhang gelezen met art. 5 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang met de artikelen 8 en 14 E.V.R.M., in zoverre die bepaling een onderscheid maakt tussen enerzijds gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben en anderzijds personen die wettelijk samenwonen maar geen overeenkomst overeenkomstig artikel 1478 van het burgerlijk wetboek mèt een dergelijke voorziene verplichting hebben opgesteld, meer bepaald in zoverre het de lijfrente (gelijk aan 30 percent van het basisloon van de getroffene van een arbeidsongeval die overlijdt) toekent en dus voorbehoudt aan gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een dergelijke overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 B.W., terwijl het die lijfrente niet toekent en dus weigert aan de wettelijk samenwonenden zonder een overeenkomst

met een dergelijke voorziening tot verplichte hulp?"

De rechtbank heeft de voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd.

OM DEZE REDENEN

BESLIST DE ARBEIDSRECHTBANK

Op tegenspraak en na beraadslaging.

De vordering ontvankelijk te verklaren.

Alvorens verder recht te spreken, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt het art. 12 in samenhang gelezen met art. 5 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang met de artikelen 8 en 14 E.V.R.M., in zoverre die bepaling een onderscheid maakt tussen enerzijds gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben en anderzijds personen die wettelijk samenwonen maar geen overeenkomst overeenkomstig artikel 1478 van het burgerlijk wetboek mèt een dergelijke voorziene verplichting hebben opgesteld, meer bepaald in zoverre het de lijfrente (gelijk aan 30 percent van het basisloon van de getroffene van een arbeidsongeval die overlijdt) toekent en dus voorbehoudt aan gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een dergelijke overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 B.W., terwijl het die lijfrente niet toekent en dus weigert aan de wettelijk samenwonenden zonder een overeenkomst

met een dergelijke voorziening tot verplichte hulp?"

De zaak in afwachting van het arrest van het Grondwettelijk Hof naar de bijzondere rol van deze kamer te verzenden.

Overeenkomstig art. 27§1 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof d.d.

6 januari 1989 de verzending van de expeditie van dit vonnis naar het Grondwettelijk Hof te bevelen.

De uitspraak over de kosten aan te houden.

Aldus gewezen door:

Mevrouw R.GYMZA rechter, voorzitter van de kamer;

Mevrouw B.BIJVOET rechter in sociale zaken, werkgever;

De heer L.VANZEER rechter in sociale zaken, werknemer - bediende;

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de kamer, bijgestaan door griffier Mevrouw L.VRANCKEN in de openbare terechtzitting van de arbeidsrechtbank te Hasselt van NEGENTIEN MAART TWEEDUIZEND VEERTIEN.

Mots libres

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SECTOR : Toepassingsgebied

  • gelijkstelling

  • lijfrente

  • wettelijke samenwoning

  • artikel 10 en 11 Grondwet

  • art. 8 EVRM

  • prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof