Indien ieder der partijen verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 10 maart 1900, het recht heeft de overeenkomst te doen eindigen mits inachtneming van een opzeggingstermijn, moet de betekening van deze opzegging, al gaat ze uit van de werknemer of van de werkgever, op straffe van nietigheid geschieden door overhandiging aan de andere partij van een geschrift ofwel bij een ter post aangetekende brief ofwel bij een deurwaardersexploot; een mondelinge betekening is derhalve zonder uitwerking. (Wet van 10 mei 1900, art. 19, alinéa 1; wet van 10 december 1962, art. 3.)
Arrêt :
The full and consolidated version of this text is not available.