We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Hof van Cassatie: Arrest van 23 Juni 2010 (België). RG P.10.0794.F

Date :
23-06-2010
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20100623-1
Role number :
P.10.0794.F

Summary :

De appelrechters die vaststellen dat er meer dan zes maanden liggen tussen de te beoordelen feiten en die waarover reeds uitspraak is gedaan, en dat de beklaagde zich opnieuw heeft ingelaten met handel in verdovende middelen terwijl hij een gevangenisstraf uitzat wegens zijn betrokkenheid bij een vorige identieke handel, beslissen naar recht dat de aan hen voorgelegde misdrijven niet voortkwamen uit hetzelfde strafbaar opzet als de misdrijven waarover reeds uitspraak werd gedaan.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Nr. P.10.0794.F

I. E. A. H.,

II. T. F.,

Mrs. Olivier Martins en Joëlle Vossen, advocaten bij de balie te Brussel,

III. T. L.,

Mrs. Cédric Vergauwen en Joëlle Vossen, advocaten bij de balie te Brussel,

IV. S. M.,

Mrs. Sven Mary en Julien Moinil, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 31 maart 2010.

In de memories die aan dit arrest zijn gehecht, voert de tweede eiser één middel aan terwijl de derde en vierde eiser ieder drie middelen aanvoeren.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

C. Het cassatieberoep van L. T.

(...)

Derde middel

De eiser verwijt het arrest dat het een hem toebehorend bedrag verbeurdverklaart wegens overtreding van artikel 505, 2°, van het Strafwetboek, zonder daarbij vast te stellen dat hij de wederrechtelijke herkomst van de in zijn bezit aangetroffen gelden kende.

De eiser werd wegens dat misdrijf vervolgd omdat hij welbewust een bedrag van 37.800 euro in zijn bezit had, dat een vermogensvoordeel is, verkregen uit de handel in verdovende middelen, of een waarde die in de plaats ervan is gesteld.

In antwoord op een verklaring van de eiser volgens welke een gedeelte van dat bedrag hem toebehoorde, vermeldt het arrest dat de herkomst ervan twijfelachtig is maar dat het geld onbetwistbaar bestemd was voor de aankoop van verdovende middelen.

Noch de twijfel over de herkomst van de geldmiddelen, noch de bewering dat zij bestemd waren om drugs aan te kopen, noch de vaststelling dat zij niet daartoe hebben gediend vermits zij in beslag waren genomen, verantwoorden naar recht de schuldigverklaring aan het feit dat die geldmiddelen zijn aangetroffen alsook de verbeurdverklaring ervan als zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken.

Het middel is gegrond.

De hierna, op grond van dit middel uit te spreken vernietiging, gebeurt binnen de grenzen van de aangeklaagde schending.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

D. Het cassatieberoep van M. S.

Eerste middel

De eiser die schuldig verklaard is wegens op 15 december 2007 gepleegde feiten, bestaande in handel in verdovende middelen, verwijt de appelrechters dat zij geweigerd hebben om artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek toe te passen, ofschoon hij op 3 februari 2009 was veroordeeld wegens tussen 1 augustus 2002 en 1 juni 2007 gepleegde feiten van dezelfde aard.

De bodemrechter oordeelt in feite of de verschillende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van hetzelfde strafbaar opzet.

Het staat evenwel aan het Hof na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten al dan niet die eenheid van opzet naar recht heeft kunnen afleiden.

Het arrest stelt vast dat de te beoordelen feiten losstaan van die waarover reeds zes maanden geleden een uitspraak is gedaan en dat de eiser zich opnieuw heeft ingelaten met handel in verdovende middelen terwijl hij een gevangenisstraf uitzat wegens zijn betrokkenheid bij een vorige identieke handel.

Op grond van die vaststellingen beslissen de appelrechters naar recht dat de aan hen voorgelegde misdrijven niet voortkomen uit hetzelfde strafbaar opzet als de misdrijven waarover reeds uitspraak is gedaan.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser L. T. schuldig verklaart, sub telastlegging D.1, aan de overtreding van artikel 505, 2°, van het Strafwetboek en in zoverre het de verbeurdverklaring beveelt van het bedrag van 37.800 euro dat het voorwerp uitmaakt van het voormelde misdrijf.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt L. T. in drie vierde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige vierde ten laste van de Staat.

Veroordeelt ieder van de overige eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 23 juni 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,