Hof van Cassatie: Arrest van 24 Februari 2017 (België). RG C.16.0309.N
Summary :
Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van degene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.
Arrêt :
Nr. C.16.0309.N
BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS vzw, met zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Liefdadigheidsstraat 33, bus 2,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
GEMEENTE PITTEM, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren te 8740 Pittem, Markt 1,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de politie-rechtbank te Brugge van 9 november 2015.
Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
1. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.
2. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor reke-ning moet blijven van degene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.
3. Krachtens artikel 1 Wet Civiele Bescherming 1963 omvat de civiele be-scherming alle civiele maatregelen en middelen die moeten dienen om de be-scherming en het voortbestaan van de bevolking te verzekeren, en om 's lands pa-trimonium te vrijwaren in geval van gewapend conflict. Zij heeft ook tot doel bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen, te allen tijde perso-nen bij te staan en goederen te beschermen.
Krachtens artikel 2bis, § 1, 4°, Wet Civiele Bescherming 1963 heeft de civiele be-scherming technische hulpverleningswerkzaamheden tot opdracht.
Krachtens artikel 2bis/1, § 1, Wet Civiele Bescherming 1963 zijn de Staat en de gemeenten gehouden, ten laste van de begunstigden van de prestaties, de kosten te verhalen die respectievelijk aan de diensten van de civiele bescherming en aan de openbare brandweer worden veroorzaakt tijdens de prestaties, welke door die diensten worden verricht buiten de interventies bedoeld in artikel 2bis, § 1. On-verminderd de bepalingen van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, bepaalt de Koning welke van de opdrachten ver-meld in artikel 2bis, § 1, kunnen verhaald worden ten laste van hun begunstigden en deze die gratis moeten uitgevoerd worden.
Krachtens artikel 2bis/1, § 4, van deze wet blijft voor de personen, die de kosten moeten betalen bedoeld in § 1, overeenkomstig de regels van gemeen recht een beroep open tegen de derde aansprakelijken.
Krachtens artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn, voeren de hulpdiensten de technische hulpverleningswerkzaamhe-den gratis uit op voorwaarde dat het gaat om een noodoproep om mensen te beschermen of te redden.
4. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de gemeente de kosten voor technische hulpverleningswerkzaamheden die niet het gevolg zijn van een noodoproep om mensen te beschermen of te redden, niet definitief ten laste blij-ven van de gemeente en zij deze kosten kan verhalen op degene die aansprakelijk is voor de werkzaamheden.
5. De rechter stelt vast en oordeelt dat:
- bij het ongeval van 1 augustus 2013 de lading bonen van de vrachtwagen, ver-zekerde bij de Nederlandse verzekeraar die de eiseres vertegenwoordigt, op de rijbaan terechtkwam;
- de brandweer van de verweerster het wegdek diende op te ruimen;
- de bestuurder van de vrachtwagen verantwoordelijk is voor het verlies van de lading;
- niet betwist is dat de brandweer dringend diende op te treden, en dit in het ka-der van de verplichting van de verweerster om de veiligheid van het wegennet op haar grondgebied te waarborgen;
- de verweerster de actie van de brandweer catalogeert onder de rubriek "techni-sche hulpverleningswerkzaamheden", zoals bepaald in artikel 2bis Wet Civiele Bescherming 1963;
- het in casu niet ging om technische hulp ingevolge een noodoproep om mensen te beschermen maar om een verhaalbare interventie zoals het opkuisen van de rijbaan.
6. De rechter die de eiseres veroordeelt tot betaling van de kosten van de brandweerinterventie voor de opkuis van de rijbaan op grond van de aansprake-lijkheid van diens verzekerde, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
7. In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de rechter dat de eiseres gehouden is tot vergoeding van de opruimingskosten aan de verweerster als begunstigde van de werken, is het gericht tegen een overtollige reden en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 998,35 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2017 uitgesproken door sectievoorzit-ter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.
K. Vanden Bossche B. Wylleman G. Jocqué
B. Deconinck A. Fettweis E. Dirix
VOORZIENING IN CASATIE
VOOR: de VZW BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKE-RAARS, met zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Liefdadigheidstraat 33/2, met ondernemingsnummer 0409.280.711,
eiseres tot cassatie,
bijgestaan en vertegenwoordigd door ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie Beatrix Vanlerberghe, met kantoor te 2000 Antwer-pen, Amerikalei 187/302, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan,
TEGEN: de GEMEENTE PITTEM, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te 8740 Pittem, Markt 1,
verweerster in cassatie,
*
* *
Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,
Aan de Dames en Heren Raadsheren bij het Hof van Cassatie,
Hooggeachte Dames en Heren,
Eiseres heeft de eer een vonnis aan uw beoordeling voor te leggen dat op tegenspraak tussen de partijen op 9 november 2015 in laatste aanleg werd uitgesp-roken door de eerste burgerlijke kamer van de Politierechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Brugge (A.R. nr. 15A81)
*
* *
FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
1. De huidige betwisting betreft de gevolgen van een verkeersongeval dat plaatsvond op 1 augustus 2013 te Pittem. Wat de datum van het ongeval be-treft, vermeldt het vonnis in de eerste alinea van bladzijde 3 dat het ongeval zich voordeed op 1 augustus 2014, terwijl het vonnis op dezelfde bladzijde, onder de eerste alinea van ‘B. Beoordeling' vermeldt dat het ongeval zich voordeed op 1 augustus 2013. Ook de conclusies van de partijen bevatten dezelfde onduidelijk-heid (conclusie verweerster, blz. 2, eerste alinea (1/8/2014), blz. 3, nr. 7 (1/8/2013), het beschikkende gedeelte bij het bepalen van de aanvangsdatum van de interesten (1/8/2013) en de inventaris der overtuigingsstukken (1/8/2013); zie ook conclusie eiseres blz. 2, eerste alinea (1/8/2014), zonder dat eiseres de aan-vangsdatum van de interesten (1/8/2013) betwistte). Uit het gebrek aan betwisting over de aanvangsdatum van de interesten mag worden afgeleid dat er geen betwisting bestond tussen de partijen over de datum van het ongeval, dit is op 1 augustus 2013.
Ter informatie van uw Hof voegt eiseres bij deze voorziening een afschrift van de overtuigingsstukken die verweerster tot staving van haar vordering aan de politierechtbank heeft voorgelegd en waaruit blijkt dat het ongeval zich inderdaad op 1 augustus 2013 heeft voorgedaan.
Bij dit ongeval waren twee voertuigen betrokken, met name enerzijds een Mercedes 200, bestuurd door de G. C. en anderzijds een trekker met aanhangwa-gen, bestuurd door de heer P. O., die reed in opdracht van zijn Nederlandse werk-gever. De vrachtwagencombinatie was verzekerd bij de Nederlandse verzeke-ringsmaatschappij TVM, waarvoor eiseres als vertegenwoordigster optreedt in België.
De heer O. diende klaarblijkelijk kort te remmen voor zijn voorligger (de heer C.) waardoor zijn lading bonen (17t) begon te schommelen en uiteindelijk volledig op de weg terecht gekomen is. De lading bleek niet overdekt te zijn met een zeil.
Het wegdek werd geruimd door de brandweer van de gemeente Pittem.
2. Bij exploot van 25 februari 2015 liet verweerster eiseres dagvaar-den voor de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge tot betaling van een bedrag van euro 616,25.
In het bestreden vonnis wordt de vordering ontvankelijk en gegrond ver-klaard. Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van euro 616,25, meer interesten vanaf 1 augustus 2013.
*
* *
ENIG MIDDEL TOT CASSATIE
Geschonden wetsbepalingen
de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wet-boek,
de artikelen 2bis, §1, 2bis.1, §1 en §2 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming,
de artikelen 2, 3, 4 en Bijlage 1 van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn, in de versie zoals van kracht vóór, en voor zoveel als nodig ook na de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 14 oktober 2013,
artikel 1 van het Retributiereglement inzake brandpreventie - dienstja-ren 2013 en 2014, aangenomen door de gemeenteraad van verweerster op 17 december 2012, gepubliceerd op de website van verweerster overeenkomstig artikel 186 van het Gemeentedecreet.
Aangevochten beslissing
Het bestreden vonnis verklaart de vordering van verweerster ontvankelijk en gegrond en veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerster van een bedrag van euro 616,25, vermeerderd met de interesten vanaf 1 augustus 2013, op grond van de volgende overwegingen :
"l. Op 1 augustus 2013 omstreeks 14.15 uur gebeurde te Pittem op het kruispunt Tieltstraat-Robert de Paepelaan een verkeersongeval waarin een zekere C. G., bestuurder van een Mercedes 200, en O. P., bestuurder van een trekker met aanhangwagen, betrokken waren. Ter plaatse konden de verbalisanten vernemen van O. (Poolse bestuurder die geen Nederlands sprak) dat hij reed in opdracht van zijn werkgever G. Bosman en Zoon Nisse BV, met maatschappelijke zetel in Nederland, Nisse, Drieweg 7. De vrachtwagencombinatie was verzekerd bij de Nederlandse verzekerings-maatschappij TVM, waarvoor [eiseres] als vertegenwoordigster optreedt in België.
O. kon zich deels uitdrukken in het Engels. Uit zijn relaas konden de ver-balisanten opmaken dat hij kort diende te remmen voor zijn voorligger (C.) en dat zijn lading bonen hierdoor is beginnen schommelen en uiteindelijk op de weg terecht kwam.
De verbalisanten konden vaststellen dat de volledige lading (17 ton) bonen op de rijbaan terecht gekomen was. De aanhangwagen was volledig leeg. Op de vraag of zijn lading overdekt was met een zeil, antwoordde O. nega-tief. De verbalisanten konden vaststellen dat het dekzeil opgerold lag op zijn opslagplaats.
Het wegdek lag besmeurd met 17 ton bonen en de brandweer van [ver-weerster] diende het wegdek op te ruimen.
[Verweerster] vordert van [eiseres] de kosten terug van de brandweerin-terventie voor opkuis van het wegdek. Zij verwijst daarvoor naar een schadebestek voor een totaal bedrag van 516,25 euro , gesplitst in (1) vergoe-ding van autopomp, tankwagen, ander voertuig en water en (2) uurlonen 1 sergeant, 2 korporaals, 4 brandweermannen en 1 stag. brandweerman.
[Verweerster] baseert zich op artikel 1382 BW (fout, schade en oorzakelijk verband) voortspruitend uit de miskenning van de verplichting van de be-stuurder om zijn lading zodanig te schikken dat ze niet op de openbare weg kan slepen of vallen (artikel 45.1.4° AVR).
Volgens [eiseres] maken de kosten gepaard gaande met de interventie van de brandweer van [verweerster] geen vergoedbare schade uit in zin van artikel 1382 BW.
2. De bestuurder van de vrachtwagencombinatie, verzekerde van [ei-seres], was verantwoordelijk voor het verlies van lading. Het is geenszins bewezen dat hij kort moest remmen door de fout van een andere wegge-bruiker. Bovendien was zijn lading door eigen nalatigheid onvoldoende beveiligd.
[Eiseres] betwist niet dat de brandweer dringend diende op te treden om de rijbaan weer schoon te maken. Deze interventie kaderde in de verplichting van de gemeente om overeenkomstig artikel 135, §2 Nieuwe Gemeentewet de veiligheid van het wegennet op haar grondgebied te waarborgen.
[Eiseres] betwist wel dat [verweerster] de mogelijkheid zou hebben om de brandweerkosten terug te vorderen van diegene die verantwoordelijk is voor de feiten die de tussenkomst van de brandweer noodzakelijk maakten. De brandweer van de gemeente zou volgens [eiseres] gehandeld hebben in het kader haar "wettelijke veiligheidsplicht", waarbij zij verwijst naar de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en het KB van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn.
In dit verband dient gewezen te worden op de leer van de zogenaamde "loondoorbetalingsarresten" van het Hof van Cassatie. Het Hof verliet in 2001 de leer van de verbreking van het causaal verband en benaderde van dan af de problematiek vanuit het schadebegrip: de uitgaven kunnen een vergoedbare schade uitmaken, behalve wanneer uit de strekking van de wettelijke of reglementaire verplichting blijkt dat de uitgaven definitief voor rekening moeten blijven van degene die ze moet verrichten (Cass. 19.02.2001, Verkeersrecht, 2001/83 en 2001/84; Boone I., Artikel 1382 B.W. en het verhaal van de werkgever uit de overheidssector jegens de derde aansprakelijke, noot onder Cass. 9.03.1999, RCass. 2000, 201; Cass. 10.12.2001, RW 2003-2004, 583; Boone I., De eigen schade van de publiekrechtelijke werkgever, noot onder Cass. 10 april 2003, RABG 1081).
Het komt er dus op aan te weten wanneer een uitgave of prestatie die de overheid doet, definitief ten haren laste moet blijven, en wanneer zij die van de derde aansprakelijke kan terugvorderen. Of een bepaalde uitgave, al dan niet definitief ten laste blijft van diegene die ze deed, is een rechtsvraag. Het staat aan de rechter om te oordelen, door middel van een uitlegging van de overeenkomst, de wet of het reglement, of de gedane uitgave, blijkens de inhoud of strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, al dan niet definitief voor rekening moet blijven van diegene die ze heeft moeten doen (Cass. 18 september 2007, RW 2007-08, 987, NjW 2007, 748 met noot IB).
Artikel 2 KB 25 april 2007 geeft een opsomming van 8 opdrachten die door de hulpdiensten gratis moeten worden uitgevoerd. [Eiseres] catalogeert de actie van de brandweer onder de rubriek "technische hulpverle-ningswerkzaamheden", zoals bepaald in artikel 2bis van de wet van 31 december 1963. Artikel 2, 2° van het KB van 25 april 2007 bepaalt dat de technische hulpwerkzaamheden gratis zijn, op voorwaarde dat het gaat om een noodoproep om mensen te beschermen of te redden. Men kan aanne-men dat interventies die volgens deze regeling "gratis" zijn, in beginsel definitief voor rekening moeten blijven van de overheid en dus geen ver-goedbare schade vormen (I. BOONE en B.WYLLEMAN, De vergoeding van afgeleide schade in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, in H. VUYE en Y. LEMENSE (eds.), Springlevend aansprakelijkheidsrecht, Intersentia, 2011 p. 237).
Er zijn verschillende redenen waarom sommige interventies gratis worden gesteld. Gratis hulpverlening zorgt er voor dat mensen en goederen ade-quaat worden beschermd. Mensen mogen immers niet aarzelen om de hulpdiensten te contacteren vanwege de vrees te moeten betalen (M. VER-BRUGGEN en I. HERRYGERS, Brandweerinterventies: betalen "begun-stigden" de rekening?, T.Gem. 2011/2, 77). In casu ging het niet om gratis technische hulp ingevolge een noodoproep om mensen te beschermen, maar om een verhaalbare interventie zoals daar zijn: opkuisen van de rij-baan, beveiliging van omvallende schouwen, leegpompen van kelders, verwijderen van wespennesten, bevrijden van dieren, edm... (M. VER-BRUGGEN en I. HERRYGERS, Brandweerinterventies: betalen "begun-stigden" de rekening?, T.Gem. 2011/2, 78, voetnoot 10). Deze interventies zijn niet opgesomd in artikel 2 KB 25 april 2007.
Kosten van opdrachten die de Koning niet verplicht gratis stelde kunnen verhaald worden op de begunstigde. Artikel 3 KB 25 april 2007 bepaalt immers dat opdrachten die niet opgesomd zijn in artikel 2 kunnen verhaald worden ten laste van hun begunstigden. De maatschappij dient immers niet op te draaien voor de interventies die louter ten goede komen aan een private partij. Onder begunstigde dient te worden verstaan: de fysieke per-soon of de rechtspersoon in wiens belang de interventie uitgevoerd wordt (artikel 1, §1 KB 25 april 2007). De verzekerde van [eiseres] was verant-woordelijk voor de vervuiling van het wegdek en moest normaal gezien in-staan voor de opruiming ervan. Nu zij dat niet deed of niet kon moest de brandweer het in haar plaats doen. Zij was dus de begunstigde in de zin van artikel 1,§1.
Artikel 4 van het KB 25 april 2007 bepaalt nog dat de hulpverleningszone, van de opdrachten bedoeld in artikel 3 (verhaalbare opdrachten), een lijst opstelt met de opdrachten waarvan de kosten verhaald worden en met hun tarief. Uit deze bepaling volgt echter niet dat het opstellen van een derge-lijke lijst een noodzakelijke voorwaarde zou zijn om de gemeente toe te laten met succes haar kosten te verhalen.
In dit verband is de verwijzing van [eiseres] naar een bijzonder "retribu-tiereglement inzake brandpreventie - dienstjaren 2013 en 2014" met als argument dat de gemeente Pittem enkel een verhaalsmogelijkheid bedong "voor tussenkomsten van haar brandweer in verband met brandpreventie of brandinspectie", niet relevant. Dit retributiereglement heeft betrekking op de vergoeding die de gemeente van bepaalde inwoners individueel vordert als tegenprestatie voor een bijzonder dienst die zij in hun persoonlijk belang levert of voor rechtstreeks en bijzonder voordeel dat zij hen heeft toegestaan en waarvan het bedrag in redelijke verhouding tot het belang van de verstrekte dienst moet staan (vergelijk: Cass. 20 november 1972, Arr.Cass. 1973, 279; Cass. 10 september 1998, Arr.Cass. 1998, 877).
Overigens zijn de kosten voor technische interventies gereglementeerd volgens bijlage 1 bij het KB 25 april 2007, Reglement voor verhaal van de kosten van bepaalde interventies van de operationele eenheden van de ci-viele bescherming.
Uit dit alles volgt dat [verweerster] gerechtigd is haar kosten, die recht-streeks veroorzaakt zijn door het ongeval waarvoor de verzekerde van [ei-seres] aansprakelijk is, terug te vorderen van [eiseres]. Cijfermatig is er omtrent de vordering van [verweerster] geen betwisting."
(Bestreden vonnis, blz. 3-6)
Grieven
Volgens de algemene regel van de artikelen 1382 en 1383 van het Burger-lijk Wetboek is degene die door zijn fout schade veroorzaakt, verplicht deze te vergoeden. Het bestaan van een wettelijke of reglementaire verplichting om op te treden, sluit het bestaan niet uit van een schade in de zin van deze bepalingen, voor zover uit de inhoud of uit de draagwijdte van de wet of het reglement niet blijkt dat de uitgaven of prestaties die moeten worden gedaan, definitief ten laste moeten blijven van degene die daartoe door de wet of het reglement worden ver-plicht.
De wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn, organiseren een bijzonder en alomvattend verhaalsregime met betrekking tot de opdrachten inzake civiele bescherming. Dit impliceert dat het verhaal met betrekking tot op-drachten inzake civiele bescherming uitsluitend door deze bepalingen wordt gere-geld. Buiten de in deze bepalingen opgenomen verhaalsmogelijkheden, is er geen andere mogelijkheid tot verhaal met betrekking tot de opdrachten van de hulp-diensten.
Overeenkomstig artikel 2bis.1, §1, tweede lid van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming bepaalt de Koning welke van de op-drachten vermeld in artikel 2bis, §1 kunnen verhaald worden ten laste van hun be-gunstigden en welke gratis uitgevoerd moeten worden. De opdrachten vermeld in artikel 2bis, §1 zijn onder meer de technische hulpverleningswerkzaamheden (ar-tikel 2bis, §1, 4°) en de strijd tegen rampspoedige gebeurtenissen, de catastrofen en de schadegevallen (artikel 2bis, §1, 6°).
Artikel 2 bis.1, §2 bepaalt dat de koning de wijze van vaststelling en van verhaal van de kosten bedoeld in §1 regelt. Dit verhaal wordt geregeld bij Konink-lijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdien-sten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn.
Artikel 2 van voormeld Koninklijk besluit bepaalt dat gratis door de hulp-diensten worden uitgevoerd, de technische hulpverlening, op voorwaarde dat het gaat om een noodoproep om mensen te beschermen of te redden (art. 2, 2° van voormeld Koninklijk besluit, zowel in de oude als in de nieuwe versie) en de be-strijding van rampspoedige gebeurtenissen en catastrofen (artikel 2, 3° van voor-meld Koninklijk besluit, zowel in de oude als in de nieuwe versie).
Artikel 3 van voormeld Koninklijk besluit (oude en nieuwe versie) bepaalt dat kunnen verhaald worden ten laste van hun begunstigden, de kosten veroor-zaakt door de opdrachten die niet opgesomd zijn in artikel 2. Kunnen derhalve worden verhaald, de technische hulpverleningswerkzaamheden wanneer het niet gaat om een noodoproep om mensen te beschermen of te redden evenals de op-drachten die uitgevoerd worden ter bestrijding van schadegevallen.
Artikel 4, eerste lid van voormeld Koninklijk besluit (versie zoals van kracht voor de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 14 oktober 2013) bepaalt dat, van de opdrachten bedoeld in artikel 3, de gemeente, voor de brandweerdienst waarvan ze voor het beheer instaat, de lijst opstelt met de opdrachten waarvan de kosten verhaald worden met hun tarief. Artikel 4, tweede lid van voormeld Koninklijk besluit bepaalt dat de kosten van de interventies van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming door de Staat worden verhaald volgens de bepalingen vastgesteld in bijlage 1. Hoewel tekst van artikel 4 werd gewijzigd, bleef de inhoud ervan ongewijzigd na de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 14 oktober 2013.
Deze bepaling voorziet in twee onderscheiden verhaalsystemen. Het eerste lid van artikel 4 van voormeld Koninklijk besluit regelt het verhaal door de ge-meente voor opdrachten van de brandweerdienst die verhaald kunnen worden in de zin van artikel 3, waarbij dat verhaal dient te gebeuren overeenkomstig een lijst met opdrachten met vermelding van hun tarief.
Het tweede lid van artikel 4 van voormeld Koninklijk besluit regelt het verhaal door de Staat voor interventies van de operationele eenheden van de Ci-viele Bescherming. Dit verhaal wordt uitgeoefend volgens de bepalingen vastge-steld in bijlage 1 bij het Koninklijk besluit. Deze bepaling en de bijlage 1 zijn uit-sluitend van toepassing op het verhaal uitgeoefend door de Staat voor interventies van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming.
Uit het geheel van bovenvermelde bepalingen, en in het bijzonder uit arti-kel 4 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007, blijkt dat het verhaal door de gemeente voor een brandweerinterventie die kan worden verhaald lastens de be-gunstigde overeenkomstig de artikelen 2bis.1, §1, tweede lid van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en 3, §1 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007, enkel kan gebeuren overeenkomstig een door de ge-meente opgestelde lijst met opdrachten met vermelding van hun tarief. Indien de gemeente heeft nagelaten een dergelijke lijst van opdrachten met vermelding van hun tarief op te stellen, dan kunnen de gemeenten de kosten voor de brandweerin-terventie niet verhalen.
Op 17 december 2012 heeft verweerster een retributiereglement aangeno-men inzake brandpreventie - dienstjaren 2013 en 2014, dat bekendgemaakt werd op de website van verweerster overeenkomstig artikel 186 van het Gemeentede-creet. Artikel 1 van het retributiereglement van verweerster bepaalt dat voor de dienstjaren 2013 en 2014 een retributie gevestigd wordt op alle door de brand-weerdienst uitgevoerde brandpreventie- en brandinspectie-opdrachten waarvoor de wet of het reglement de kosteloosheid niet oplegt. Dit retributiereglement om-vat luidens voormeld artikel 1 enkel een verhaalsmogelijkheid voor door de brandweerdienst uitgevoerde brandpreventie- en brandinspectie-opdrachten waar-voor de wet of het reglement de kosteloosheid niet oplegt, met vermelding van het tarief. Dit reglement bevat daarentegen geen bepaling die betrekking heeft op an-dere technische hulpverleningswerkzaamheden die niet plaatsvinden in het kader van een noodoproep om mensen te beschermen of te redden evenmin als enige bepaling die betrekking heeft op opdrachten ter bestrijding van schadegevallen, met vermelding van hun tarief.
Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, en meer bepaald uit het bestreden vonnis blijkt dat verweerster verhaal uitoefent voor een technische hulpverleningswerkzaamheid die niet plaatsvond in het kader van een noodoproep om mensen te beschermen of te redden, dan wel voor een opdracht uitgevoerd ter bestrijding van een schadegeval. Overeenkomstig de artikelen 2bis.1, §1, tweede lid van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en 3, §1 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 kunnen deze kosten in beginsel wor-den verhaald ten laste van de begunstigde. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 dient dit verhaal evenwel te gebeuren overeenkomstig een lijst met opdrachten opgesteld door de gemeente, met ver-melding van hun tarief.
Het bestreden vonnis beslist dat :
- uit artikel 4 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 niet volgt dat het opstellen door de hulpverleningszone van de lijst bedoeld in deze bepaling een noodzakelijke voorwaarde zou zijn om de gemeente toe te laten met succes haar kosten te verhalen;
- het retributiereglement van verweerster betrekking heeft op de vergoeding die de gemeente van bepaalde inwoners individueel vordert als tegenpres-tatie voor een bijzondere dienst die zij in hun persoonlijk belang levert of voor een rechtstreeks en bijzonder voordeel dat zij hen heeft toegestaan en waarvan het bedrag in redelijke verhouding tot het belang van de verstrek-te dienst moet staan;
- de kosten voor technische interventies overigens gereglementeerd zijn volgens bijlage 1 bij het Koninklijk besluit van 25 april 2007, Reglement voor verhaal van de kosten van bepaalde interventies van de operationele eenheden van de civiele bescherming.
Op grond van bovenvermelde vaststellingen besluit het bestreden vonnis dat verweerster gerechtigd is haar kosten, die rechtstreeks veroorzaakt zijn door het ongeval waarvoor de verzekerde van eiseres aansprakelijk is, terug te vorderen van eiseres.
Door te beslissen dat uit artikel 4 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 niet volgt dat het opstellen door de gemeente (hulpverleningszone) van een lijst met verhaalbare opdrachten een noodzakelijke voorwaarde zou zijn om de gemeente toe te laten met succes haar kosten te verhalen, schendt het bestreden vonnis de artikelen 2bis, §1, 4° en 6°, 2bis.1, §1, tweede lid en §2 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, de artikelen 2, 3, en 4, eer-ste lid (zowel in de oude als nieuwe versies) van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de brandweer die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn, uit welke bepalingen volgt dat technische hulpverleningswerkzaamheden die niet kaderen in een noodoproep om mensen te beschermen of te redden en opdrachten ter bestrijding van schadegevallen, enkel kunnen verhaald worden ten laste van de begunstigde indien zij opgenomen zijn op een lijst opgesteld door de gemeente (hulpverleningszone), met vermelding van hun tarief.
Door nog impliciet, maar zeker te beslissen dat het retributiereglement in-zake brandpreventie - dienstjaren 2013 en 2014 van verweerster niet louter be-trekking heeft op tussenkomsten van de brandweer in verband met brandpreventie of brandinspectie, maar in het algemeen betrekking heeft op de vergoeding die de gemeente van bepaalde inwoners individueel vordert als tegenprestatie voor een bijzondere dienst die zij in hun persoonlijk belang levert of voor een rechtstreeks en bijzonder voordeel dat zij hen heeft toegestaan en waarvan het bedrag in rede-lijke verhouding tot het belang van de verstrekte dienst moet staan, schendt het bestreden vonnis artikel 1 van het retributiereglement inzake brandpreventie - dienstjaren 2013 en 2014 van verweerster, waaruit blijkt dat het reglement enkel betrekking heeft op alle door de brandweerdienst uitgevoerde brandpreventie- en de brandinspectie-opdrachten waarvoor de wet of het reglement de kosteloosheid niet oplegt. Door het retributiereglement, en in het bijzonder artikel 1 van dit re-glement in voormelde zin te lezen, geeft het bestreden vonnis van het retributiere-glement van verweerster, en in het bijzonder van artikel 1 van dit retributieregle-ment, waaruit blijkt dat het reglement enkel betrekking heeft op alle door de brandweerdienst uitgevoerde brandpreventie- en de brandinspectie-opdrachten waarvoor de wet of het reglement de kosteloosheid niet oplegt, bovendien een in-terpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is, en schendt het de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Bur-gerlijk Wetboek).
Door nog te beslissen dat de kosten voor technische interventies overigens gereglementeerd zijn volgens bijlage 1 bij het Koninklijk besluit van 25 april 2007, Reglement voor verhaal van de kosten van bepaalde interventies van de operationele eenheden van de civiele bescherming, maakt het bestreden vonnis niet wettig toepassing van de artikelen 4, tweede lid van en Bijlage 1 bij voormeld Koninklijk besluit, nu deze betrekking hebben op het verhaal van de kosten van de interventies van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming door de Staat, terwijl uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat het door verweerster uitgeoefende verhaal een verhaal is in het kader van artikel 4, eerste lid, waarvoor de gemeente (hulpverleningszone), voor de brandweerdienst (opera-tionele dienst) waarvan ze voor het beheer instaat, de lijst moet opstellen met de opdrachten waarvan de kosten verhaald worden en met hun tarief (schending van artikel 4, eerste en tweede lid en van Bijlage 1 (beiden zowel in de oude als nieu-we versie) van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de op-drachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn).
Door ten slotte te beslissen dat verweerster op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek gerechtigd is haar kosten, die rechtstreeks veroorzaakt zijn door het ongeval waarvoor de verzekerde van eiseres aansprake-lijk is, terug te vorderen van eiseres, schendt het bestreden vonnis nog de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek evenals de artikelen 2bis, §1, 4° en 6°, 2bis.1, §1, tweede lid en §2 van de wet van 31 december 1963 betreffende de ci-viele bescherming, de artikelen 2, 3, en 4, eerste lid (zowel in de oude als nieuwe versies) van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de op-drachten van de brandweer die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn, nu uit het geheel van deze bepalingen voortvloeit dat de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, en het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de brandweer die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn, in een bijzonder verhaalsregime voorzien dat de toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek uitsluit.
*
* *
TOELICHTING
Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 27 december 2004, die het verhaalsregime in de wet van 31 december 1963 invoegde (in-voeging van artikel 2bis.1 van deze wet) blijkt ondubbelzinnig dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om de gemeenten toe te laten een beleid te voeren wat be-treft het verhalen van de kosten voor de brandweerdiensten. De parlementaire voorbereiding bevat met name de volgende toelichting: "Met uitzondering van de dringende medische tussenkomsten zijn en blijven de opdrachten die ertoe strek-ken levens te redden, gratis. De wettelijke lijst met deze prestaties bestaat reeds. De ontworpen maatregelen scheppen de juridische mogelijkheid om de kosten voor de andere diensten op de begunstigden te verhalen. Het staat de gemeenten vrij om van deze mogelijkheid al dan niet gebruik te maken" (eigen onderlijning) (Parl. St, Kamer, 51-1437/022, 20).
De wetgever heeft aldus een wettelijke kader willen scheppen dat het voor de gemeenten mogelijk moet maken de kosten voor brandweerinterventies te ver-halen. Indien de gemeenten van deze mogelijkheid gebruik wensen te maken, moeten zij hiertoe het nodige doen en desgevallend een lijst opstellen met op-drachten waarvan de kosten verhaald worden en met hun tarief, zoals bedoeld in artikel 4 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de op-drachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn. Stellen zij een dergelijke lijst niet op, dan kunnen zij ook de kosten voor brandweerinterventies die niet bedoeld zijn om levens te redden, niet verhalen.
Voormelde toelichting in de parlementaire voorbereiding bevestigt dat de Staat en de gemeenten enkel via het bijzonder verhaalsregime kunnen verhalen op de begunstigden. De rechtszekerheid vereist dat de burgers weten voor welke op-drachten een verhaalsrecht bestaat en welk tarief daarbij aangerekend zal worden.
Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiseres dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden vonnis te vernietigen, te bevelen dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis, de zaak en de partijen te verwijzen naar een andere politierechtbank en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.
Antwerpen, 12 juli 2016
Beatrix Vanlerberghe
Bijlagen
1. Eensluidend verklaard afschrift van het Retributiereglement inzake brandpre-ventie - dienstjaren 2013 en 2014 van de gemeenteraad van de gemeente Pit-tem, aangenomen op 17 december 2012, dat door eiseres werd voorgebracht als stuk 3 voor de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge;
2. Eensluidend verklaard afschrift van het strafdossier dat door verweerster werd voorgebracht als stuk 1 voor de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge;
3. Eensluidend verklaard afschrift van het schadebestek dat door verweerster werd voorgebracht als stuk 2 voor de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge;
4. Eensluidend verklaard afschrift van het interventieverslag van de brandweer dat door verweerster werd voorgebracht als stuk 3 voor de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge;
5. Eensluidend verklaard afschrift van het attest verkeersongeval van 1 augustus 2013 dat door verweerster werd voorgebracht als stuk 4 voor de politierecht-bank West-Vlaanderen, afdeling Brugge;
6. pro fisco verklaring;
7. Het exploot van betekening van deze voorziening aan de verwerende partij.