Door te bepalen zonder nadere precisering dienaangaande dat de bestuurder en de passagier van de aan het portier grenzende voorzitplaats van de personenauto's en auto's voor dubbel gebruik de veiligheidsgordel moeten dragen, verplicht art. 35.1, K.B. van 1 december 1975 de bestuurder en de passagier die gordel op een gepaste wijze te dragen, d.w.z. dat zij die veiligheidsgordel zo moeten aanbrengen dat hij geschikt is voor het doel waarvoor hij gemaakt is; wettelijk verantwoord is de veroordeling van een bestuurder wegens schending van die wettelijke bepaling op grond dat het dragen van de veiligheidsgordel impliceert dat hij op een volledige en doelmatige wijze wordt bevestigd.
Arrêt :
The full and consolidated version of this text is not available.