Hof van Cassatie: Arrest van 9 Februari 2017 (België). RG C.13.0528.F
Summary :
De fout van de administratieve overheid die haar aansprakelijkheid op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek in het gedrang kan brengen, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een miskenning inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een norm van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, die deze overheid verplicht iets op een bepaalde manier niet te doen of wel te doen (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2017, nr. ... .
Arrêt :
Nr. C.13.0528.F
1. TOUAX, vennootschap naar Frans recht,
2. TOUAX ROM, vennootschap naar Roemeens recht,
Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
a) de eerste minister,
b) minister van Landsverdediging,
c) minister van Vreemdelingenzaken,
Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 mei 2013.
Eerste advocaat-generaal André Henkes heeft op 16 januari 2017 een conclusie neergelegd ter griffie.
Sectievoorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseressen voeren de volgende twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het arrest, dat herhaalt dat de eiseressen "hun rechtsvordering hebben ingesteld op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek" en beslist dat "het Belgisch recht [...] van toepassing is", verklaart die rechtsvordering vervolgens niet-gegrond om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:
"Volgens de [eiseressen] heeft [de verweerder] een fout begaan door deel te nemen aan de beslissing van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en haar lidstaten om militaire operaties in Joegoslavië uit te voeren in strijd met het Handvest van de Verenigde Naties, dat bedreiging of gebruik van geweld in de internationale betrekkingen verbiedt.
Luidens artikel 2.4 ‘onthouden alle leden zich in hun internationale betrekkingen van bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een staat, en van elke andere handelwijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties:
[De verweerder] werpt terecht op dat die bepaling geen enkele rechtstreekse werking heeft en door een particulier niet rechtstreeks voor de rechtbanken mag worden aangevoerd bij ontstentenis van uitvoeringsmaatregelen, wat de [eiseressen] niet betwisten [...];
De [eiseressen] voeren echter aan dat die schending daarom niet minder een fout is in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, waarop zij zich dus mogen beroepen;
‘De extracontractuele fout kan twee verschillende vormen aannemen. Ofwel is ze een handeling of een onthouding die een schending inhoudt van een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde of van een Belgische rechtsnorm die rechtsonderhorigen verplicht op een bepaalde wijze iets niet te doen of iets wel te doen. Ofwel is ze een handeling of een onthouding die geen schending van dergelijke normen oplevert doch neerkomt op een verkeerd optreden, dat beoordeeld moet worden op grond van het criterium van een normaal zorgvuldig en voorzichtig persoon die in dezelfde omstandigheden is geplaatst';
Aangezien de [aan de verweerder] verweten fout niet neerkomt op de schending van een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft en de vordering enkel een dergelijke schending aanvoert, zonder dat ze een verzuim van de algemene zorgvuldigheidsplicht aanvoert of aantoont, is die grondslag niet passend;
[...] De [eiseressen] voeren daarenboven aan dat de militaire operaties waaraan [de verweerder] heeft deelgenomen, het Noord-Atlantisch Verdrag hebben geschonden;
Geen enkele fout kan echter worden afgeleid uit de schending van dat verdrag - gesteld dat die schending bewezen is - aangezien het geen rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde. Om dezelfde als de hierboven weergegeven redenen [...] laat de aangevoerde schending van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet toe tegen [de verweerder] een fout in aanmerking te nemen wanneer het hem verweten gedrag bestaat in de schending van dat verdrag."
Grieven
De eiseressen voerden in hun syntheseconclusie voor het hof van beroep aan dat hun rechtsvordering "niet gegrond is op een internationale rechtsregel die een rechtstreekse werking heeft maar op een burgerrechtelijke fout van [de Belgische Staat]." Zij voerden in substantie aan dat de militaire operaties tegen Servië een schending van het Handvest van de Verenigde Naties en dus een internationaal onrechtmatige daad vormden in de zin van artikel 2.4 van dat handvest; dat België die regel, die het gebruik van geweld verbiedt, heeft miskend "door deel te nemen aan de beslissing die de leden van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie binnen de Noord-Atlantische Raad op 30 juni 1999 hebben genomen, door te beslissen dat de Belgische strijdmachten aan die militaire operatie zouden deelnemen", terwijl die operatie niet werd gevoerd in het kader van de wettige zelfverdediging en nooit vooraf werd goedgekeurd door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, dat "de bombardementen tegen Joegoslavië overduidelijk een daad van agressie waren" in de zin van artikel 8bis van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof en, ten slotte, dat een dergelijke operatie al evenmin rechtmatig was in de zin van het Noord-Atlantisch Handvest, dat nergens bepaalt dat "de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie dwangoperaties mag uitvoeren die niet zijn ingegeven door de noodzaak van de wettige zelfverdediging van haar leden of van een van die leden".
De eiseressen voerden ten slotte aan dat "de Noord-Atlantische Raad waarbinnen [de Belgische Staat] zitting heeft, vanaf het begin van het luchtbombardement de crisis is blijven beheren, in overeenstemming met zijn wil om vanuit een politiek oogpunt een realtime controle over de operaties te behouden; dat de Noord-Atlantische Raad dus steeds zelf de doelwitten voor de bombardementen heeft bepaald; dat bijgevolg [de Belgische Staat], bij monde van zijn ambassadeur, elke beslissing over de vernietiging van de bruggen over de Donau had kunnen blokkeren, maar zich schuldig heeft gedragen door dat niet te doen".
De eiseressen betwistten niet "dat de regel die bedreiging of het gebruik van geweld in internationale betrekkingen verbiedt, zoals vastgelegd in artikel 2.4 van het Handvest van de Verenigde Naties, geen rechtstreekse werking heeft" en evenmin dat een dergelijke regel door een particulier niet rechtstreeks voor de rechtbanken mag worden aangevoerd. Zij voerden aan dat hun rechtsvordering niet gegrond was op de regel die bedreiging of het gebruik van geweld in internationale betrekkingen verbiedt (of op de schending van het Noord-Atlantisch Verdrag) maar "op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek [...] dat de particulieren recht geeft op de vergoeding van de door andermans fout veroorzaakte schade". Zij voerden aan dat "elk onvoorzichtig gedrag als fout kan worden aangemerkt, zelfs zonder schending van een uitdrukkelijke rechtsregel, maar a fortiori wanneer een rechtsregel werd miskend; dat de nalatigheid of het gebrek aan voorzichtigheid waaraan de Staat zich tegenover een vreemdeling of een buitenlandse vennootschap schuldig maakt, op zich geen miskenning van een internationale rechtsregel hoeft te vormen opdat hij aansprakelijk kan worden gesteld"; dat "de stelling volgens welke een onwettige oorlog slechts voor de aangevallen Staten en niet voor particulieren rechten doet ontstaan, voorbijgestreefd is" en dat "de Veiligheidsraad reeds in 1990 heeft gesteld dat, krachtens het internationale recht, een Staat die het Handvest van de Verenigde Naties schendt door een ander land aan te vallen, zijn aansprakelijkheid in het gedrang brengt tegenover particulieren die hierdoor schade hebben geleden". Hieruit leidden zij af dat "het dus geen twijfel lijdt dat het gedrag van de Staat die bestaat in de miskenning van een fundamentele internationale regel, zoals het verbod op het eenzijdige gebruik van geweld tegen een ander land of van de regels van humanitair recht, ook een burgerrechtelijke fout vormt" en dat "een dergelijk gedrag trouwens ook de algemene beginselen van ons rechtsbestel miskent die het optreden van de uitvoerende macht bepalen, namelijk het voorzorgs- en het evenredigheidsbeginsel".
De eiseressen voegden hieraan toe dat de Belgische Staat heeft gehandeld terwijl hij perfect op de hoogte was van de omstandigheden van het internationaal onrechtmatige feit; dat hij "wel diende te weten dat de beslissing van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie van 30 januari 1999, die [hij] mede had goedgekeurd, net tot doel had Servië te bombarderen; [dat hij] zich ervan bewust was dat die bombardementen niet door de Veiligheidsraad waren goedgekeurd en al evenmin een geval van wettige zelfverdediging waren; [dat hij] heel goed besefte dat hij, door luchtsteun te verlenen aan de piloten die aan de bombardementen deelnamen en hun handelingsvrijheid te waarborgen, hen in staat stelde de aldus overeengekomen bombardementen uit te voeren."
Eerste onderdeel
De fout van de administratieve overheid die op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek haar aansprakelijkheid in het gedrang kan brengen, bestaat in een gedraging die ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een miskenning inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een norm van een internationaal verdrag met uitwerking in de interne rechtsorde, waarbij die overheid verplicht is iets niet te doen of iets op een bepaalde manier wel te doen, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert.
Uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek volgt niet dat de Belgische Staat pas aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij een internationaalrechtelijke norm miskent die een rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde; opdat de Belgische Staat aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, is het vereist maar voldoende dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een gedraging die hij volgens een internationale regel niet mag vertonen en die particulieren schade kan berokkenen, en dat die gedraging de schade heeft veroorzaakt waarvan de benadeelde de vergoeding vordert.
De bewuste miskenning door de Belgische Staat van internationale bepalingen die het gebruik van geweld, met uitzondering van het geval van wettige zelfverdediging of zonder voorafgaande toestemming van de Veiligheidsraad, verbieden, is voor het overige noodzakelijkerwijs een gedraging die niet zou worden vertoond door een normaal voorzichtige Staat die erop bedacht is particulieren geen schade te berokkenen, buiten de gevallen van dwingende noodzakelijkheid, welke net in die internationale bepalingen zijn bepaald.
Het arrest, dat de vordering van de eiseressen afwijst op grond dat de aan de Belgische Staat verweten fout, die bestaat in onrechtmatige gedragingen in het licht van artikel 2.4 van het Handvest van de Verenigde Naties of van het Noord-Atlantisch Verdrag, "niet kan worden opgevat als een miskenning van een internationale rechtsregel die rechtstreekse werking heeft" en dat de tekortkoming aan de algemene zorgvuldigheidsplicht niet is bewezen, schendt bijgevolg het wettelijk begrip fout, zoals het in de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vervat is (schending van die bepalingen).
Tweede onderdeel
Zoals hierboven is herhaald, hebben de eiseressen zich wel degelijk beroepen op het "onzorgvuldige gedrag", "de nalatigheid of gebrek aan voorzichtigheid", het gebrek "aan voorzorg en aan evenredigheid" voortvloeiend uit de beslissingen en handelingen van de Belgische Staat in het kader van de militaire operaties in Joegoslavië, die zijn genomen en uitgevoerd met schending van de artikelen 2.4 van het Handvest van de Verenigde Naties en van het Noord-Atlantisch Verdrag.
Het arrest, dat ervan uitgaat dat de eiseressen zich niet hebben beroepen op "een tekortkoming aan de algemene zorgvuldigheidsplicht", miskent derhalve de bewijskracht van hun syntheseconclusie door te weigeren daarin te lezen wat erin staat (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
(...)
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Tweede onderdeel
Hoewel de eiseressen in hun conclusie voor het hof van beroep aanvoerden dat hun rechtsvordering was "gegrond op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek [...]; [dat] elk onvoorzichtig gedrag als fout kan worden aangemerkt, zelfs zonder schending van een uitdrukkelijke rechtsregel, maar a fortiori wanneer een rechts-regel werd miskend; [dat] de nalatigheid of het gebrek aan voorzichtigheid waar-aan de Staat zich tegenover een vreemdeling of een buitenlandse vennootschap schuldig maakt, op zich geen miskenning van een internationale rechtsregel hoeft te vormen opdat hij aansprakelijk kan worden gesteld", en dat "het gedrag van de Staat, dat bestaat in de schending van een internationale regel [...] trouwens ook de algemene beginselen van ons rechtsbestel miskent die het optreden van de uit-voerende macht bepalen, namelijk het voorzorgs- en het evenredigheidsbeginsel", hebben zij evenwel niets meer dan de schending van artikel 2.4 van het Handvest van de Verenigde Naties en van de bepalingen van het Noord-Atlantisch Verdrag aangevoerd, dat een verkeerd optreden kan uitmaken.
Het arrest, dat overweegt dat de eiseressen zich niet hebben beroepen op "een te-kortkoming [van de verweerder] aan de algemene zorgvuldigheidsplicht", geeft aan die conclusie geen uitleg die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent bijgevolg de bewijskracht ervan niet.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Eerste onderdeel
De fout van de administratieve overheid die haar aansprakelijkheid op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek in het gedrang kan brengen, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een miskenning inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een norm van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, die deze overheid ver-plicht iets niet te doen of iets op een bepaalde manier wel te doen.
Het onderdeel dat aanvoert dat het bestaan van een dergelijke fout, die afgeleid wordt uit de schending van een norm van een internationaal verdrag, niet vereist dat die norm rechtstreekse werking in de interne rechtsorde heeft, faalt naar recht.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door sec-tievoorzitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, de sectievoorzitter Albert Fettweis en Martine Regout en raadsheer Mireille Delange, en in openbare te-rechtzitting van 9 februari 2017 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van sectievoorzitter Eric Dirix en overge-schreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.
De griffier, De sectievoorzitter,