Hof van Beroep: Arrest van 18 Juni 2003 (Gent). RG 2000/AR/594

Date :
18-06-2003
Language :
Dutch
Size :
4 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20030618-13
Role number :
2000/AR/594

Summary :

Samenvatting 1

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

in de zaak van :

1. N.V. A, met maatschappelijke zetel te .....en ingeschreven in het handelsregister te .... onder nr. ......

2. N.V. DE EUROPEESE GOEDEREN EN REISBAGAGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Tweekerkenstraat 14 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 3.545,

appellanten, hebbende als raadsman mr. Dirk De Beule, advocaat te 2000 Antwerpen, Louizastraat 39, B5, alwaar zij woonstkeuze doen,

tegen

1. EUROFRIGO BRESCIA S.R.L., vennootschap naar Italiaans recht met maatschappelijke zetel Via Aldo Moro 18 te 25124 Brescia, Italia,

eerste geïntimeerde, welke niet verschijnt ter terechtzitting van 21 mei 2003, noch iemand voor haar,

2. COMPAGNIA DI ASSURAZONI DI MILANO SpA, vennootschap naar Italiaans recht met zetel te Milaan (Italië), via del Lauro 7 en inge-schreven in het register van de rechtbank van Milaan onder nr. 313, voorheen LA PREVIDENTE ASSICURAZIONI S.P.A., vennootschap naar Italiaans recht met maatschappelijke zetel te 20125 Milaan (Italië), Via Copernico 39,

tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Edouard Jakhian, advocaat te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Terhulpsesteenweg 187,

velt het Hof volgend arrest:

Het Hof heeft in openbare terechtzitting appellanten en tweede geïntimeerde in hun middelen en conclusies gehoord, alsmede de stukken ingezien. Eerste geïntimeerde, Eurofrigo Brescia S.R.L., is ter terechtzitting niet meer verschenen, noch iemand voor haar. Overeenkomstig artikel 747 wordt onderhavig arrest ook tegenover haar op tegenspraak gewezen.

Het tijdig en op rechtsgeldige wijze ingesteld hoger beroep betreft het vonnis van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde van 25 januari 2000.

I. Voorgaanden.

1. Eurofrigo (eerste geïntimeerde) voerde op 31 januari 1992 een internationaal transport uit van vleeswaren van Zottegem (België) naar diverse bestemmingen in Italië, in opdracht van A (eerste appellante). Tijdens het transport ging een deel van de lading verloren ten gevolge van een zwaar ongeval.

Met dagvaarding van 20 maart 1997 vorderen A en de goederenverzekeraar, Europese Goederen en Reisbagage Verzekeringsmaatschappij (tweede appellante), de veroordeling van Eurofrigo en haar aansprakelijkheidsverzekeraar, thans Compagnia Assurazoni di Milano (tweede geïntimeerde), tot betaling van 658.934 frank (= ¿ 16.334,55).

2. Het bestreden vonnis verklaart deze vordering onontvankelijk wegens ingetreden verjaring op grond van de bepalingen van het Cmr-verdrag.

3. Appellanten zetten in de beroepsakte uiteen dat van verjaring geen sprake kan zijn, nu de verjaring regelmatig was geschorst, overeenkomstig artikel 32.2 van het Cmr-verdrag.

Zij hernemen hun vordering, die strekt tot de veroordeling van geïntimeerden tot betaling van 618.904 frank (= ¿ 15.342,23), uit hoofde van ladingverlies, en 39.300 frank (= ¿ 974,22), uit hoofde van (gedeeltelijke) vermindering van de vrachtprijs.

4. Tweede geïntimeerde besluit in hoofdorde tot de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, wat de verjaring betreft. Ondergeschikt vraagt zij de afwijzing van de tegen haar gestelde vordering, minstens de herleiding van het aan appellanten toekomend bedrag tot 320.000 frank (= ¿ 7.932,59).

II. Bespreking.

1. De verjaring.

Het schadegeval heeft zich voorgedaan op 31 januari 1992. De eerste rechter stelt vast dat eerste appellante op 15 april 1992 een schadeclaim (onder de vorm van een factuur), met de bijhorende documenten, heeft overgemaakt aan eerste geïntimeerde, die hierop reageerde met een schrijven van 30 april 1992, waarin zij verwijst naar haar aansprakelijkheidsverzekeraar.

Eerste appellante werd vergoed door haar goederenverzekeraar, tweede appellante, die bij brief van 16 april 1992 eveneens eerste geïntimeerde in gebreke stelde. Deze schadeclaim was vergezeld van niet nader omschreven stukken.

Aldus kom de eerste rechter vooreerst tot de vaststelling dat eerste appellante geen belang meer kan laten gelden wat het ladingverlies betreft, aangezien zij werd vergoed, en dat de vordering tot (gedeeltelijke) recuperatie van de vrachtprijs verjaard is.

Wat de vordering van tweede appellante betreft, wordt verwezen naar het schrijven van de aansprakelijkheidsverzekeraar van eerste geïntimeerde van 3 juni 1992, waarin zij de verantwoordelijkheid van haar verzekerde afwijst. Volgens de eerste rechter voldoet deze reactie aan de bepaling van artikel 32.2 van het Cmr-verdrag en is de tot dan toe geschorste verjaring opnieuw beginnen lopen, zodat de met dagvaarding van 20 maart 1997 ingeleide vordering verjaard was.

Het Hof kan dit standpunt niet bijtreden.

S De schadeclaim, die eerste appellante op 15 april 1992 heeft gericht aan eerste geïntimeerde, is ongetwijfeld een schriftelijke vordering, die voldoet aan artikel 32.2 van het Cmr-verdrag. Er is duidelijk sprake van een schadevergoeding, die wordt becijferd, en waarbij wordt verwezen naar het kwestieuze transport en het ongeval, waardoor de schade werd veroorzaakt. Bovendien waren alle nodige stukken (facturen en creditnota's) bijgevoegd. Dat deze claim werd opgesteld in de vorm van een factuur en daartoe gebruik gemaakt werd van een voorgedrukt formulier, dat gewoonlijk gebruikt wordt voor facturatie, doet aan de voorgaande vaststellingen geen afbreuk.

S Deze schriftelijke vordering, waardoor de verjaring werd geschorst, komt ook ten goede aan tweede appellante, die, nadat zij als goederenverzekeraar tot vergoeding is overgegaan, gesubrogeerd is in de rechten van haar verzekerde.

S Het schrijven van eerste geïntimeerde van 30 april 1992 bevat geen enkele afwijzing van aansprakelijkheid, maar enkel een verwijzing naar de verzekeringsmaatschappij, die volgens haar voor de schaderegeling dient in te staan.

S Uit het schrijven van AA, verzekeraar van eerste geïntimeerde, van 3 juni 1992 blijkt dat, wat de verantwoordelijkheid voor het schadegeval betreft, verwezen wordt naar een derde partij (FP). Zelfs indien zulks als een impliciete afwijzing van de aansprakelijkheid van haar verzekerde zou kunnen beschouwd worden, dan nog dient te worden vastgesteld dat er van de terugzending van stukken, zoals bepaald in artikel 32.2 van het Cmr-verdrag, geen sprake is. De woorden ¿as per attached copy of CMR' (vrije vertaling door het Hof: zoals blijkt uit bijgevoegde kopie van de CMR) hebben duidelijk betrekking op de verwijzing naar Porpora en niet op de stukken, die bij de schriftelijke vorderingen van appellanten waren gevoegd.

Aangezien derhalve niet blijkt dat de stukken werden teruggestuurd, is de verjaring steeds geschorst gebleven en was de vordering van appellanten bijgevolg niet verjaard op het ogenblik van de dagvaarding.

2. Het belang.

Zowel eerste appellante, als afzender van de goederen, als tweede appellante, die als goederenverzekeraar gesubrogeerd is in de rechten van haar verzekerde, zijn vorderingsgerechtigd, uiteraard met die verstande dat de betaling aan één van hen, de schuldenaars zal bevrijden tegenover de andere.

Hun vorderingen zijn toelaatbaar.

3. De vordering ten aanzien van Eurofrigo.

Nu de verjaring van de vordering van appellanten niet kan worden weerhouden, komt deze vordering, in de mate als gesteld tegen eerste geïntimeerde en mede bij gebrek aan welkdanig verweer, gegrond voor.

4. De vordering ten aanzien van Compagnia di Assurazoni di Milano.

Met betrekking tot deze vordering dient vooreerst te worden opgemerkt dat de onderhandelingen tussen appellanten en tweede geïntimeerde niet tot een definitief akkoord hebben geleid. Weliswaar heeft tweede geïntimeerde op 29 augustus 1994 voorgesteld om te regelen op basis van 18.418.000 Lit., maar dit voorstel werd door appellanten expliciet geweigerd (brieven van 10 juli en 8 september 1995). Op het ogenblik dat appellanten op dit standpunt terugkwamen en meedeelden dat zij bereid waren genoegen te nemen met de betaling van 320.000 frank (= ¿ 7.932,59), zoals vermeld in het schrijven van 7 mei 1996, had tweede geïntimeerde haar aanbod reeds ingetrokken (haar schrijven van 27 maart 1996, waarin zij appellanten terug verwijst naar de verzekerde zelf, Eurofrigo).

Het verzekeringscontract tussen eerste geïntimeerde en tweede geïntimeerde wordt beheerst door het Italiaans recht. De rechtstreekse vordering van appellanten ten aanzien van tweede geïntimeerde wordt geregeld door artikel 1917 van het Italiaans Burgerlijk Wetboek en niet door de (Belgische) Hypotheekwet of de wet op de Landverzekeringen..

Waar de derde-schadelijder in principe niet beschikt over een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid, bepaalt dit artikel (onder meer) dat de verzekeraar de mogelijkheid heeft om, mits een voorafgaandelijke mededeling aan de verzekerde, de verschuldigde schadevergoeding rechtsreeks aan de derde-schadelijder te betalen, en dat hij daartoe verplicht is indien de verzekerde hem hierom verzoekt.

Vraag is derhalve of er in casu een dergelijk verzoek geweest is. Appellanten beantwoorden deze vraag positief onder verwijzing naar hun stuk 12 en de briefwisseling in hun dossier.

Het reeds aangehaald schrijven van eerste geïntimeerde van 30 april 1992 (stuk 12 - dossier appellanten) is een loutere verwijzing naar de verze-keringsmaatschappij, terwijl de verdere briefwisseling de weergave is van de onderhandelingen, gevoerd met de verzekeraar van eerste geïntimeerde. Er ligt geen enkel stuk voor, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat eerste geïntimeerde haar verzekeraar heeft verzocht om de schadevergoeding rechtstreeks te betalen aan de derde-schadelijder, derwijze dat zou kunnen besloten worden dat deze laatste, op grond van voornoemde wetsbepaling, over een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar beschikt.

Tenslotte kan hier nog worden aan toegevoegd dat de vordering in vrijwaring, die eerste geïntimeerde in eerste aanleg heeft geformuleerd ten aanzien van tweede geïntimeerde, enkel strekte tot de veroordeling van tweede geïntimeerde, in de mate eerste geïntimeerde zelf een veroordeling zou oplopen. Het stellen van deze vrijwaringsvordering kan dus geenszins worden beschouwd als een verzoek tot rechtstreekse betaling.

De vordering ten aanzien van tweede geïntimeerde is ongegrond.

Zeer ondergeschikt vragen appellanten onderhavig arrest tegenstelbaar te verklaren aan tweede geïntimeerde. Aangezien zij als partij in de zaak betrokken is, is het evident dat het arrest haar zonder meer tegenstelbaar is.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Melding makende van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en in de hierna volgende mate gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende.

Verklaart de vordering van appellanten toelaatbaar en gegrond ten aanzien van Eurofrigo Brescia S.R.L. en veroordeelt Eurofrigo Brescia S.R.L. om aan appellanten te betalen de som van ¿ 16.317,19 (658.234 frank), meer de verwijlintresten aan 5 % per jaar vanaf 31 januari 1992 tot 20 maart 1997, datum van dagvaarding, en de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet van dan af.

Verklaart de vordering van appellanten toelaatbaar, doch ongegrond in de mate als gesteld tegen Compagnia di Assurazoni di Milano S.P.A.

Verwijst Eurofrigo Brescia S.R.L. in de kosten van de beide instanties, gevallen aan de zijde van appellanten, vereffend op ¿ 462,49 (18.657 frank) kosten dagvaarding, ¿ 39,96 (1.612 frank) kosten gerechtsbrieven, ¿ 312,35 (12.600 frank) rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, ¿ 185,92 rolrecht, ¿ 55,78 uitgavenvergoeding verzoekschrift, ¿ 446,21 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en ¿ 169,40 vertalingskosten.

Verwijst appellanten in de kosten van de beide instanties, gevallen aan de zijde van Compagnia di Assurazoni di Milano S.P.A. en vereffend op ¿ 312,35 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en ¿ 446,21 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, met voorbehoud voor vertalingskosten.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer twaalf bis, recht doende in burgerlijke zaken op achttien juni tweeduizend en drie.

Aanwezig :

Dirk Floren, raadsheer, alleenrechtsprekend,

Achiel Ferdinande, griffier.