Hof van Beroep: Arrest van 3 Februari 2003 (Gent). RG 2001/AR/1212
- Section :
- Case law
- Source :
- Justel N-20030203-1
- Role number :
- 2001/AR/1212
Summary :
Faillissementen--aangifte van schuldvordering--verjaringstermijn--art.72,3e Faillissementswet--stuiting mogelijk--art.2244 B.W.
Arrêt :
in de zaak van :
de ONTVANGER DER DIRECTE BELASTINGEN TE GENT 6, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 33,
appellant, hebbende als raadsman mr. Carmenta Decordier, advocaat te 9041 Gent (Oostakker), Harlekijnstraat 9,
tegen
Mr. Jan DE PAEPE, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Bagattenstraat 124, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van H. R., eertijds wonende te ¿,
geïntimeerde q.q. ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. Antoon Erauw, advocaat te 9000 Gent, Bagattenstraat 124,
velt het Hof het volgend arrest:
1.
Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 6 januari 2003 in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien.
Bij verzoekschrift, neergelegd op 22 mei 2001 ter griffie van het Hof, heeft appellant tijdig en regelmatig naar vorm hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 26 maart 2001, tussen partijen op tegenspraak gewezen door de tweede kamer van de Rechtbank van Koophandel te Gent (AR 342/01). Een exploot van betekening van dit vonnis ligt niet voor.
Procedure in eerste aanleg
2.
Bij vonnis d.d. 9 april 1993 van de Rechtbank van Koophandel te Gent werd de heer R. failliet verklaard. Hierbij werd Meester Jan DE PAEPE, advocaat, als curator aangesteld.
3.
Bij aangifte van schuldvordering d.d. 10 mei 1993 vorderde de Ontvanger der Directe Belastingen te Gent 6 (huidige appellant) opname van zijn schuldvordering voor een bedrag van 113.905 BEF in het bevoorrecht passief van het faillissement van de heer R..
De curator (huidige geïntimeerde q.q.) nam deze vordering op in het bevoorrecht passief, zoals blijkt uit het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen, alsook werd hiermede door de curator rekening gehouden in zijn afrekening met het oog op de slotvergadering.
Op 28 augustus 1996 diende huidige appellant een aanvullende aangifte van schuldvordering in voor een bedrag van 331.803 BEF, waarbij om opname in het gewoon passief werd gevraagd. Er werd toen echter geen procedure bij de Rechtbank van Koophandel te Gent ingeleid om deze opname te horen bevelen.
Op 1 december 1999 werd aan de gefailleerde en aan huidige geïntimeerde q.q. een dwangbevel betekend, dit tot stuiting van de verjaring.
Bij dagvaarding, betekend d.d. 12 januari 2001, vorderde huidige appellant opname ten definitieve titel van zijn schuldvordering voor een bedrag van 331.803 BEF in het bevoorrecht passief van het faillissement van de heer R.. Hij stelde dat de aangifte in het gewoon passief een materiële vergissing betrof, gezien de betrokken belastingaanslag een bevoorrechte schuldvordering betreft.
De curator riep in hoofdorde in dat het recht om nog opname te vorderen verjaard is op grond van art. 72, 3° Faill.W. In ondergeschikte orde verklaarde huidige geïntimeerde q.q. zich akkoord met opname in het bevoorrecht passief voor 217.898 BEF, zijnde de totale schuldvordering (331.803 BEF) onder aftrek van een reeds uitgekeerd dividend ten bedrage van 113.905 BEF.
Bij conclusie, neergelegd op 9 februari 2001, herleidde oorspronkelijke eiser zijn vordering tot opname voor 223.682 BEF in het bevoorrecht passief van het faillissement.
4.
Bij vonnis a quo d.d. 26 maart 2001 verklaarde de Rechtbank van Koophandel te Gent, tweede kamer, de vordering vervallen door verjaring op basis van art. 72, 3° Faill.W. en werd de oorspronkelijke eiser (huidige appellant) tot de gedingkosten veroordeeld.
Procedure in hoger beroep
5.
Het hoger beroep strekt tot het tenietdoen van het vonnis en tot het bevelen van de definitieve opname van de schuldvordering van appellant ten bedrage van 223.682 BEF of 5.544,93 EUR in het bevoorrecht passief van het faillissement van de heer R..
Geïntimeerde q.q. besluit tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Hij vraagt de bevestiging van het vonnis a quo d.d. 26 maart 2001 in al zijn beschikkingen en de veroordeling van appellant tot de kosten van het hoger beroep.
Beoordeling
6.
Art. 72, 3° Faill.W. bepaalt dat het recht in hoofde van de schuldeisers om opname te vorderen voor hun schuldvordering, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen vanaf het faillietverklarend vonnis, behalve voor de schuldvordering die vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening.
Het faillissement van de heer R. dateert van 9 april 1993. De betrokken verjaringstermijn begon derhalve te lopen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe faillissementswet, zijnde vanaf 1 januari 1998.
De Eerste Rechter vertrekt van het standpunt dat de opname slechts gevorderd werd bij dagvaarding d.d. 12 januari 2001, zijnde méér dan drie jaar na 1 januari 1998, zodat de vordering tot opname verjaard is.
Waar de wetgever niet spreekt over een (niet voor verlenging vatbare) vervaltermijn, doch wel over het verjaren van het recht om opname te vorderen, dient onderzocht te worden of er in casu handelingen werden verricht die deze verjaring hebben gestuit.
7.
Er dient vastgesteld te worden dat er door appellant aan de geïntimeerde q.q. op 1 december 1999 een dwangbevel werd betekend met als voorwerp het in casu gevorderde bedrag (stuk 6 appellant). Dit gebeurde derhalve binnen de driejarige termijn van art. 72, 3° Faill.W.
Zowel geïntimeerde q.q. als de Eerste Rechter zijn van oordeel dat het verjaringstuitend effect van het op 1 december 1999 aan geïntimeerde q.q. betekende dwangbevel beperkt blijft tot de verjaring van de fiscale schuldvordering zelf en zich niet uitstrekt tot de verjaring van de vordering tot opname van deze schuld in het passief van het betrokken faillissement.
Het hierbij gemaakte onderscheid m.b.t. de draagwijdte van de stuiting van de verjaring is kunstmatig en wordt juridisch nergens onderbouwd.
Art. 72, 3° Faill.W. legt een verjaringstermijn vast die geldt voor alle schuldvorderingen welke worden aangegeven buiten de termijn zoals bepaald in het faillissementsvonnis. Voor deze verjaringstermijn zijn de bijzondere regels welke de stuiting of de schorsing van de verjaring regelen van toepassing.
Overeenkomstig art. 2244 B.W. vormt een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, een burgerlijke stuiting. Art. 2244 B.W. - dat de stuiting van de bevrijdende verjaring regelt - vindt ook toepassing m.b.t. fiscale vorderingen.
Het op 1 december 1999 aan de curator betekende dwangbevel houdt als gerechtsdeurwaardersexploot een officieel bevel tot betaling in, waarbij de curator vanaf deze betekening op de hoogte was van de gevorderde betaling en bestaande aanvullende schuldvordering.
Dit laatste was trouwens reeds het geval sinds de aangetekende verzending door huidige appellant op 29/09/96 aan geïntimeerde q.q. van zijn aanvullende aangifte van schuldvordering (stukken 1 tot 3 appellant).
Aan dit dwangbevel wordt door art. 2244 B.W. dezelfde waarde toegekend m.b.t. de stuiting van de verjaring als aan een dagvaarding in rechte (vgl. Cass., 28 oktober 1993, R.W. 1994-95, 29).
Aldus dient besloten te worden dat het betrokken dwangbevel niet enkel de verjaring heeft gestuit van de schuldvordering zelf, maar ook van het recht om vooralsnog deze schuldvordering in het passief van het faillissement te doen opnemen.
De vordering van appellant, zoals aangepast bij zijn conclusie voor de Rechtbank van Koophandel te Gent, neergelegd op 9 februari 2001 en gehandhaafd bij conclusie d.d. 26 februari 2001, moet worden ingewilligd. Bij conclusie, neergelegd d.d. 02/10/2002, werd het bedrag van de vordering (waaromtrent geen betwisting meer bestaat) omgezet in 5.544,93 EUR. Het bevoorrecht karakter van de schuldvordering werd door de curator nooit betwist.
8.
De gedingkosten voor de procedure voor de Eerste Rechter blijven overeenkomstig art. 72, 2° Faill.W. ten laste van appellant als schuldeiser, waar deze procedure noodzakelijk was om vooralsnog (buiten de termijn bij vonnis van faillietverklaring bepaald) opname in het passief te vorderen.
De gedingkosten voor huidige beroepsprocedure vallen echter - gelet op bovenstaande beoordeling - lastens geïntimeerde q.q.
O M D E Z E R E D E N E N
H E T HOF
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond:
Vernietigt het vonnis a quo d.d. 26 maart 2001, op tegenspraak gewezen door de tweede kamer van de Rechtbank van Koophandel te Gent (AR 342/01) ;
Opnieuw wijzende:
Verklaart de oorspronkelijke vordering van eiser, huidige appellant, ontvankelijk en als volgt gegrond:
Beveelt de definitieve opname van de schuldvordering van appellant ten bedrage van VIJFDUIZEND VIJFHONDERD VIERENVEERTIG EURO EN DRIEËNNEGENTIG CENT (5.544,93 EUR) in het bevoorrecht passief van het faillissement van de heer R. ;
Leggen de gedingkosten voor de eerste procedure ten laste van appellant, begroot in hoofde van geïntimeerde q.q. op nihil ;
Leggen de gedingkosten voor de beroepsprocedure lastens geïntimeerde q.q., begroot in hoofde van appellant op:
- 185,92 EUR rolrecht verzoekschrift hoger beroep
- 55,78 EUR uitgavenvergoeding neerlegging verzoekschrift hoger beroep
- 446,22 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op drie februari tweeduizend en drie.
Aanwezig:
H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter
J. Baudrez en F. Deschoolmeester, raadsheren
A. Ferdinande, griffier