Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2006, Zaak 2004/A J1812
Summary :
personenbelasting;beroepskosten;niet-aftrekbare kosten;voorwaarde van aftrekbaarheid van de beroepskosten;opleidingskosten
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2006, Zaak 2004/A J1812
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2006, Zaak 2004/A J1812
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2006, Zaak 2004/A J1812 Document date : 22/11/2006 Keywords : personenbelasting / beroepskosten / niet-aftrekbare kosten / voorwaarde van aftrekbaarheid van de beroepskosten / opleidingskosten Decision : Gunstig Document language : NL Modification date : 29/01/2009 Name : Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2006, Zaak 2004/A J1812 Version : 1 Court : appeal
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2006, Zaak 2004/A J1812
Beroepskosten. Niet-aftrekbare kosten. Voorwaarde van aftrekbaarheid van de beroepskosten. Opleidingskosten.
Samenvatting
Studiekosten, en dan meer in het bijzonder de kosten verbonden aan een MBA -opleiding in het buitenland, vormen geen aftrekbare beroepskosten wanneer blijkt dat die vorming, gevolgd op uitsluitend initiatief van de belastingplichtige en zonder enige verplichting vanwege diens werkgever, tot doel had een functie, die hij sedertdien nooit meer heeft uitgeoefend bij zijn oude werkgever, te verbeteren en anderzijds hem uiteindelijk in staat te stellen een nieuwe functie uit te oefenen in de schoot van een vennootschap die geen enkele band heeft met zijn oude werkgever en met andere verantwoordelijkheden die beter beantwoorden aan de kwalificaties die hij heeft verworven door het volgen van de MBA -opleiding.
Volledige tekst
HOF van BEROEP te BRUSSEL
Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak: 2004/A J1812
Openbare terechtzitting van 22/11/2006
IN ZAKE VAN:
1.De heer D. L. , 2.Mevrouw E. R., appellanten,
vertegenwoordigd door Mter L. loco J. DR, advocaat, (…)
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, in de persoon van de heer gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, wiens burelen gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr V.d.V. loco C., advocaat, ( …)
**************
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 12 december 2003 (A.R. nr. 02/383/A), waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd en waartegen door appellanten een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 12 juli 2004.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
De feiten
Eerste appellant was na zijn studies als burgerlijk ingenieur van 1 augustus 1992 tot 15 augustus 1995 als project manager global masterdatabases tewerkgesteld bij P&G.
Op 15 augustus 1995 nam hij ontslag bij P&G. Van september 1995 tot juni 1996 volgde hij aan het I. te F. (Frankrijk) een MBA-programma. De kosten verbonden aan deze opleiding bedroegen 706.908 BEF voor 1995.
Vanaf 12 augustus 1996 heeft eerste appellant zijn loopbaan hernomen bij M., en niet bij ziin oude werkgever P&G. Van zijn nieuwe werkgever ontving eerste appellant een merkelijk hogere vergoeding dan voorheen het geval was.
Voor het aanslag jaar 1996 bracht eerste appellant een bedrag van 778.648 BEF in mindering van zijn belastbaar inkomen, waarin begrepen voormeld bedrag van 706.908 BEF. Dit bedrag werd door de administratie verworpen en het forfait werd toegepast.
Het door appellanten bij de gewestelijke directeur ingediende bezwaar werd als ongegrond afgewezen.
Op 25 februari 2002 legden appellanten een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Bij het bestreden vonnis van 12 december 2003 wees de rechtbank te Leuven de vordering van appellanten af op de overweging dat geen oorzakelijk verband tussen de MBA-opleiding en een beroepsactiviteit werd aangetoond of, anders geformuleerd, op de overweging dat niet werd aangetoond dat het volgen van de MBA-opleiding noodzakelijk was om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
Discussie
Appellanten stellen dat de administratie en ook de eerste rechter de in art. 49 W.I.B. 1992 gestelde voorwaarden opdat kosten als beroepskosten aftrekbaar zouden zijn, nl. dat deze kosten een band vertonen met de beroepswerkzaamheid en dienen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, te nauw interpreteren. Zij wijzen ter zake op de verruimende tendensen in de rechtspraak.
Zo dient er niet een noodzakelijk verband te bestaan met de actueel uitgeoefende werkzaamheid. Evenzeer kan de band tussen enerzijds de gevolgde studie, meer in het bijzonder een vervolmakingcursus na basisstudie, en anderzijds de toekomstige en onmiddellijk nadien aangevatte werkzaamheid worden aangenomen, mits die in het verlengde ligt van deze cursus, hetgeen volgens appellanten in deze het geval was. Bovendien was volgens appellanten het behalen van een MBA in I. een conditio sine qua non om bij M. te worden tewerkgesteld.
Verder is het niet zo dat enkel studiekosten die werden gedaan om een identieke functie niet te verliezen als noodzakelijk en derhalve als aftrekbaar worden aangemerkt. Zo wordt volgens appellanten de aftrekbaarheid van opleidingskosten aangenomen indien deze de belastingplichtige toelaten zijn beroep met neer bekwaamheid uit te oefenen of zich in dezelfde sector te specialiseren.
Louter ondergeschikt merken appellanten op dat het de administratie niet is toegestaan om de opportuniteit, het nut of de normaliteit van de gedane uitgaven te beoordelen.
************
Het hof stelt aan de hand van de door partijen neergelegde stukken vast dat eerste appellant in deze geen loopbaanonderbreking bij zijn vroegere werkgever heeft gekregen, maar wel zijn ontslag heeft ingediend. Uit stuk 4 van appellante„ blijkt dat eerste appellant in aanmerking kwam voor heraanwerving door zijn vroegere werkgever, zonder dat er daartoe in hoofde van deze werkgever een verplichting bestond en zonder dat eerste appellant verplicht was weder in dienst te treden bij zijn vroegere werkgever.
Verder blijkt ui stuk 2, a van appellanten, dat een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van eerste appellant bij zijn vroegere werkgever bevat dat hij "verantwoordelijk" was ''voor het leiden van een project waarbij P&G’s centrale, wereldwijde databank voor Materialen en Leveranciers in een volledig nieuw kleedje gestopt werd”. (…) Dit project hield 2 fasen in, eerst Analyse & Design, gevolgd door een Implementatie. De fase Analyse & Design bestond uit volgende taken: • Definiëren van de strategische systeemarchitectuur, met een kosten/batenanalyse van de verschillende mogelijke technologieën. Voorstellen uitwerken voor het topmanagement van de MSD-afdeling en hun goedkeuring verkrijgen. Het communiceren van de nieuwe svsteemarchitectuur aan de informatica- en gebruikersafdelingen. • Uitwerken van verbeterde bedrijfsprocessen rondom het nieuwe systeem, in nauwe samenwerking met de verschillende gebruikersafdelingen in Ondersoek & Ontwikkeling, Logistiek & Productie en Centrale Aankoop • Uitwerken van de concrete systeemspecificaties (voor programma's, schermen, datatabellen, ... ) • Uitwerken van een 12-maandenplanning voor de implementatie en de uitrolling van het nieuwe systeem De fase Implementatie hield volgende taken in: • Begeleiden van een team van 5 programmeurs voor het programmeren van de systeemspecificaties • Opstellen van een opleidingsprogramma voor de gebruikers • Opstellen van een conversieplan, afdeling per afdeling In de uitvoering van deze taken kan de Project Manager beschouwd worden als een soort "interne consultant ", die instaat voor het uitvoeren en begeleiden van complexe projecten, met een belangrijke informatica-technische component ".
Uit stuk 6 van appellanten blijkt dat eerste appellant bij zijn nieuwe werkgever de volgende taken en verantwoordelijkheden droeg : "M&Co helpt grote multinationale ondernemingen bij het uitvoeren van belangrijke projecten van strategische, organisatorische of operationele aard. Deze projecten worden steeds in teamverband en in nauwe samenwerking met de klant uitgevoerd. De taken van aangever, als “Associate Consultant”, binnen een dergelijk team omvatten onder meer: • het analyseren van een aantal specifieke problemen en het uitwerken van concrete aanbevelingen, b.v. voor - de selectie van het informaticasysteem bij een fusie van twee banken - het verhogen van de verkoop in een verzekeringsmaatschappij door het invoeren van segmentatietechnieken en bijhorende informaticatoepassingen - de introductie van een nieuwe organisatie, nieuwe bedrijfsprocessen en nieuwe ondersteunende systemen in een verzekeringsmaatschappij • het voorstellen van de uitgewerkte aanbevelingen aan het topmanagement en het verkrijgen van hun goedkeuring • het communiceren van deze aanbevelingen in de organisatie • het begeleiden van het management bij het van implementeren van deze aanbevelingen, “.
Ten onrechte houden appellanten ter zake voor dat het zou gaan om gelijkaardige functies. Waar in de functie van eerste appellant bij zijn vroegere werkgever de hoofdklemtoon lag bij de component informatica en deze functie louter intern werd vervuld, maakt in zijn functie bij zijn nieuwe werkgever de component informatica slechts één segment uit van zijn taak van adviseur naar het management van externe klanten toe, taak die bijgevolg veel ruimer is en die bovendien niet intern maar ten aanzien van externe klanten wordt vervuld.
Vanuit dat oogpunt beschouwd, sluit de gevolgde MBA-opleiding beter aan bij de functie bij de nieuwe werkgever van eerste appellant.
Eerste appellant heeft aldus zijn beroepsloopbaan bij zijn vroegere werkgever onderbroken met het oog op het zich perfectioneren door het behalen van een MBA, welke hem toeliet een nieuwe beroepsloopbaan bij een nieuwe werkgever aan te vatten, die beter aansloot bij de verworven kennis, maar die geen verband vertoont met de voorheen ontvangen inkomsten.
Er dient te worden aangenomen dat studiekosten, en dan meer in het bijzonder de kosten verbonden aan een MBA-opleiding in het buitenland, geen aftrekbare beroepskosten uitmaken wanneer, zoals in deze, blijkt dat deze vorming, gevolgd op uitsluitend initiatief van de belastingplichtige en zonder enige verplichting vanwege diens werkgever, tot doel had een functie, die hij sedertdien nooit meer heeft uitgeoefend bij zijn oude werkgever, te verbeteren en anderzijds hem uiteindelijk in staat te stellen een nieuwe functie uit te oefenen in de schoot van een vennootschap die geen enkele band heeft met zijn oude werkgever en met andere verantwoordelijkheden die beter beantwoorden aan de kwalificaties die hij heeft verworven door het volgen van de MBA-opleiding (in dezelfde zin, zie : Brussel, 18 januari 2001, F.J.F., 2001, 295),
De belastingplichtige blijft in gebreke aan te tonen dat het volgen van de MBA-opleiding noodzakelijk was om ofwel zijn activiteiten bij zijn oude werkgever verder te kunnen zetten (feit dat overigens wordt tegengesproken door het feit dat eerste appellant niet voor loopbaanonderbreking, maar voor het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst met zijn vroegere werkgever koos), ofwel dat hij van deze laatste een hoger inkomen zou verkrijgen (in dezelfde zin, zie : Brussel, 18 januari 2001, voormeld).
Terzake wordt dit eerste bewijs geenszins geleverd door de verklaring van de vroegere werkgever dat eerste appellant voor wederaanwerving in aanmerking kwam, en wordt dit tweede bewijs in generlei mate geleverd door het feit dat eerste appellant bij zijn nieuwe werkgever een hoger inkomen genoot dan bij zijn vroegere werkgever.
Bijgevolg dienen de kosten verbonden aan de gevolgde MBA-opleiding in deze te worden beschouwd als kosten met een persoonlijk karakter, die niet aftrekbaar zijn van de beroepsinkomsten.
Derhalve dient het hoger beroep van appellanten te worden afgewezen.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, echtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van i 5 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond;
Veroordeelt appellanten tot de gerechtskosten, begroot op 485,88 EUR voor appellanten en op 485,88 EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22 -11- 2006 alwaar aanwezig waren en zitting namen:
- J.V., raadsheer - C. D. N.; griffier.
|
|||||||