Koninklijk besluit betreffende de vereisten met betrekking tot de opleiding en de erkenning van de EG-beroepskwalificaties voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de opleidingen.

Date :
10-02-2008
Language :
French Dutch
Size :
9 pages
Section :
Legislation
Source :
Numac 2008000197

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Artikel 1 Dit besluit verzekert onder meer de omzetting van de Richtlijn 2005/36/CE van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, met uitzondering van Titel II van de voornoemde Richtlijn 2005/36/CE (artikelen 5 tot 9) betreffende de vrijheid van dienstverrichting, betreffende de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective.

Titel 1. Definities

Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
  1° richtlijn : Richtlijn 2005/36/EG van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;
  2° wet : de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective, gewijzigd door de wetten van 30 december 1996 en 7 mei 2004;
  3° lidstaat : lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of de Zwitserse Confederatie;
  4° beroepskwalificaties : kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest zoals bedoeld in artikel 18, punt 1°, a), b) en c) en/of beroepservaring;
  5° beroepservaring : de daadwerkelijke en geoorloofde uitoefening van het betrokken beroep in een lidstaat;
  6° opleidingstitel : een diploma, certificaat of andere titel die door een overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat aangewezen bevoegde autoriteit, is afgegeven ter afsluiting van een hoofdzakelijk in de Europese Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding :
  7° minister : de Minister van Binnenlandse Zaken;
  8° bevoegde autoriteit : iedere autoriteit of instelling die door een lidstaat specifiek wordt gemachtigd om opleidingstitels en andere documenten of informatie af te geven of te ontvangen, alsmede aanvragen te ontvangen en beslissingen te nemen als bedoeld in dit besluit;
  9° bevoegde Belgische autoriteit of administratie : de Directie Private Veiligheid van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  10° gereglementeerd beroep : een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties;
  11° gereglementeerde opleiding : elke opleiding die specifiek op de uitoefening van een bepaald beroep gericht is en die uit een studiecyclus bestaat die eventueel met een beroepsopleiding, een beroepsstage of beroepspraktijkervaring wordt aangevuld. De structuur en het niveau van de beroepsopleiding, de beroepsstage of de praktijkervaring worden in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat vastgesteld;
  12° vakgebieden die wezenlijk verschillen : vakgebieden waarvan de kennis van essentieel belang is voor de uitoefening van het beroep en waarvoor de door de migrant ontvangen opleiding qua duur of inhoud in belangrijke mate afwijkt van de in België vereiste opleiding;
  13° aanvrager : onderdaan van een lidstaat;
  14° bekwaamheidsproef : een toets, uitsluitend betreffende de beroepskennis van de aanvrager, die in België wordt verricht volgens de door de minister bepaalde modaliteiten;
  15° aanpassingsstage : de uitoefening van de gereglementeerde beroepsactiviteit in België onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beoefenaar, eventueel gekoppeld aan een aanvullende opleiding.

Titel 2. Toegangsvoorwaarden tot de opleidingen, regels inzake de erkenning van de opleidingen en lesgevers, voorwaarden inzake examens en bekwaamheidsattesten, Commissie Opleiding privédetectives en controle

Hoofdstuk 1. Opleidingsvoorwaarden

Artikel 3 Personen die zich niet kunnen beroepen op het erkenningsregime, bepaald in Titel III kunnen vergund worden om activiteiten van privé-detective uit te oefenen indien zij houder zijn van een bekwaamheidsattest voor privé-detective.
  Dit attest wordt afgeleverd door een daartoe door de minister erkende opleidingsinstelling, conform de bepalingen van artikel 12.

Artikel 4 In afwijking van artikel 3, eerste lid, dienen de personen voor wie de administratie vastgesteld heeft dat zij van de bepalingen van artikel 22, § 1, van de wet genieten, over geen bekwaamheidsattest voor privé-detective te beschikken.

Artikel 5 Elke privé-detective dient om de vijf jaar na de eerste toekenning van het bekwaamheidsattest of na de eerste toekenning van een vergunning, als hij van de bepalingen van artikel 22, § 1, van de wet heeft genoten, zonder enige afwezigheid de bijscholing, bepaald in artikel 6, § 2, beëindigd te hebben, en permanent over het attest van bijscholing te beschikken.

Artikel 6 § 1. a) De basisopleiding van de privé-detectives omvat ten minste tweehonderdvijftig uren, die zijn verdeeld over maximum twee jaar en bestaat uit :
  A. Juridische vorming (zestig uren) :
  a) grondwettelijk recht, miv de grondwettelijke rechten en vrijheden en het Europees Verdrag ter vrijwaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
  b) burgerlijk recht;
  c) strafrecht;
  d) gerechtelijk recht;
  e) de wetgeving toepasselijk op de privé-detectives, op de politiediensten, op de bewakingsondernemingen, op de interne bewakingsdiensten en op de beveiligingsondernemingen.
  B. Socio-psychologische vorming (dertig uren) :
  a) psychologie;
  b) criminologie;
  c) plichtenleer.
  C. Beroepstechnische vorming (zestig uren) :
  a) detectivetechnieken;
  b) informatieverwerking;
  c) rapportering.
  D. De theoretische vakken dienen aangepast te zijn aan de praktijk van het beroep van privé-detective.
  E. 100 uren praktische oefeningen die georganiseerd worden binnen de schoot van de opleidingsinstelling.
  b) Een voor de basisopleiding erkende opleidingsinstelling kan een sectoropleiding inrichten, voor zover deze beantwoordt aan de specificiteit van een bepaald opsporingsdomein. Deze opleiding dient te voldoen aan alle bepalingen van artikel 12, § 2. Elke sectoropleiding zal erkend moeten worden door de minister, na advies van de Commissie Opleiding privé-detectives zoals bepaald in artikel 14.
  § 2. De bijscholing omvat een minimale deelname van 25 uren aan studiesessies over actuele aspecten van het beroep van privé-detective, waarvan minimum 15 uren juridische vorming.

Artikel 7 De opleidingsinstelling dient de kandidaat-cursist voorafgaand aan de inschrijving tot de opleiding in kennis te stellen van :
  1° de wettelijke voorwaarden tot het bekomen van een vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen;
  2° de regels inzake de examens en de herexamens;
  3° de verplichting van bijscholing.
  Teneinde de opleidingen zoals bepaald in artikel 6, te kunnen aanvatten, dient de kandidaat-cursist aan de opleidingsinstelling de volgende documenten te hebben voorgelegd :
  1° een uittreksel uit het Strafregister dat maximum 6 maanden oud is waaruit blijkt dat hij niet veroordeeld is wegens misdrijven zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1° van de wet;
  2° een identiteitsdocument waaruit blijkt dat hij aan de nationaliteitsvereiste voldoet zoals bepaald in artikel 3, § 1, 2° van de wet.

Hoofdstuk 2. Voorwaarden inzake examens en bekwaamheidsattesten

Artikel 8 Om te slagen in de examens moet minimum vijftig percent van de punten behaald worden voor elk gedoceerd vak en minimum zestig percent van de punten voor het totaal van de geëxamineerde vakken.
  Ongeacht de opleidingsinstelling mag niemand zich voor de toepassing van dit besluit georganiseerde examens meer dan viermaal aanmelden, met inbegrip van de herexamens die ten laatste twee maanden na het afleggen van het examen van een vorige examenzitting moeten georganiseerd worden.
  De herexamens kunnen afgelegd worden zonder de verplichting de cursus opnieuw te volgen.
  Wie, na herexamens, niet geslaagd is, dient het geheel van de cursus een tweede keer te volgen om zich voor de examens opnieuw aan te melden.
  De opleidingsinstelling hanteert het examenreglement dat na advies van de Commissie opleiding privé-detectives door de Minister van Binnenlandse Zaken werd goedgekeurd.

Artikel 9 In het kader van de controleopdracht belast aan de administratie :
  1° de administratie mag aanwezig zijn in de verschillende examencommissies van een opleidingsinstelling;
  2° de administratie mag beslissen dat een voor een theoretisch vak gepland examen dient te worden vervangen door een door de administratie opgesteld schriftelijk examen;
  3° de minister mag beslissen dat een door hem erkende exameninstelling voor bepaalde vakken examens zal afnemen.

Artikel 10 De bekwaamheidsattesten worden binnen de twee maanden na de datum van sluiting van de zittijd aan de cursisten gegeven.

Artikel 11 Deze bekwaamheidsattesten zijn geldig voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van uitreiking die op de attesten dient te worden vermeld.

Hoofdstuk 3. Voorwaarden inzake de erkenningen van de opleidingen

Artikel 12 § 1. Om te kunnen worden erkend voor de basisopleiding dient een opleidingsinstelling aan de volgende voorwaarden te voldoen :
  1° de rechtspersoonlijkheid hebben;
  2° een lessenprogramma verstrekken dat door de Minister goedgekeurd is en dat minstens het minimumprogramma omvat zoals voorzien in artikel 6, § 1, van dit besluit;
  3° lesgevers tewerkstellen die :
  a) niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, of tot een lagere correctionele straf wegens huisvredebreuk, schending van het briefgeheim, opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen, diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding op de eerbaarheid, verkrachting, de misdrijven bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek, omkoping van ambtenaren, gebruikmaking van valse namen, heling, uitgifte van ongedekte cheques, meineed, valsmunterij;
  b) geen strafrechterlijke veroordelingen of administratieve geldboetes, schorsing of intrekking van de vergunning van privé-detective in toepassing van de wet of haar uitvoeringsbesluiten hebben opgelopen;
  c) tevens geen feiten hebben gepleegd die een tekortkoming kunnen uitmaken op de beroepsdeontologie van de privé-detective en/of deze van lesgever;
  d) voor het doceren van de cursussen en de praktische oefeningen kunnen aantonen dat zij beschikken over een aangepaste opleidingstitel waarvoor de minister voor elk vak een lijst opstelt of beschikken over een relevante ervaring in de te doceren materie van minstens 5 jaar in de loop van de laatste vijftien jaren;
  4° beschikken of kunnen beschikken over voldoende accommodatie voor het verstrekken van het in dit besluit geregeld onderricht;
  5° voltijds een cursuscoördinator tewerkstellen, belast met de coördinatie van de cursussen en de praktische oefeningen, die door de opleidingsinstelling worden georganiseerd en die aantoont hiertoe over voldoende kennis en beroepsbekwaamheid te beschikken;
  6° geen opleiding voor privé-detective organiseren per correspondentie.
  § 2. Om te kunnen worden erkend voor de bijscholing dient een opleidingsinstelling aan de volgende voorwaarden te voldoen :
  1° de voorwaarden voorzien in § 1;
  2° gedurende twee opeenvolgende cursusjaren de opleiding, bedoeld in artikel 6, § 1 van dit besluit te hebben georganiseerd, zonder dat hierbij inbreuken werden vastgesteld op de voorwaarden opgesomd in § 1 van dit artikel;
  3° jaarlijks minstens één bijscholingscyclus organiseren.
  § 3. De vakinhoud van de cursussen en de praktische oefeningen dient jaarlijks aangepast te worden rekening houdend met evoluties van de wetgeving en de technologie. De gedoceerde vakken moeten duidelijk aantonen dat de privé-detective over geen politiebevoegdheden beschikt.

Artikel 13 § 1. Met de aanvraag tot erkenning zoals bedoeld in artikel 12, §§ 1 en 2, dienen de volgende gegevens en documenten meegestuurd te worden :
  1° de statuten en het huishoudelijk reglement van de opleidingsinstelling;
  2° de gedetailleerde programma's van de lessen;
  3° de modaliteiten betreffende de organisatie van de lessen en de examens;
  4° de lijst van het lerarenkorps en voor elk ervan, de persoonlijke gegevens, een uittreksel van het Strafregister, een curriculum vitae met betrekking tot de beroepsactiviteiten en ieder element dat aantoont dat de voorwaarden bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, d) zijn voldaan;
  5° de regels inzake de samenstelling van de examencommissie;
  6° de bedragen van het inschrijvings- en collegegeld.
  § 2. De opleidingsinstelling stelt de minister onverwijld in kennis van elke wijziging van de in § 1 bepaalde gegevens.

Hoofdstuk 4. Commissie Opleiding privédetectives

Artikel 14 § 1. Een commissie genaamd " Commissie Opleiding privé-detectives " wordt bij het FOD Binnenlandse Zaken door de minister ingesteld en is als volgt samengesteld :
  1° de afgevaardigde van de administratie, die het voorzitterschap waarneemt;
  2° twee vertegenwoordigers van de federale politie aangewezen door de Algemene Directie van de ondersteuning en het beheer;
  3° een vertegenwoordiger van de lokale politie aangewezen door de Vaste commissie van de lokale politie;
  4° drie privé-detectives, die met goed gevolg de vereiste opleiding hebben gevolgd in een erkende opleidingsinstelling, over ten minste twee jaar beroepservaring beschikken en het beroep uitoefenen als hoofdberoep; ze worden gekozen door de minister op voordracht van de beroepsorganisaties van de sector;
  6° twee vertegenwoordigers van de erkende opleidingsinstellingen; ze worden voorgesteld bij gezamenlijke voordracht van de erkende opleidingsinstellingen privé-detective.
  Voor elke vertegenwoordiger wordt een plaatsvervanger aangewezen.
  § 2. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door de administratie.
  § 3. De leden worden benoemd door de minister voor een termijn van vijf jaar. Hun mandaat is vernieuwbaar. Het plaatsvervangend lid vervangt het effectief lid dat verhinderd is. Het mandaat van de leden en van de plaatsvervangende leden eindigt bij hun ontslag. Het mandaat van de leden en van de plaatsvervangende leden die benoemd zijn na de vernieuwing van de commissie eindigt bij de volgende vernieuwing ervan.
  § 4. De commissie opleiding privé-detectives heeft tot taak de minister te adviseren omtrent :
  1° de nadere detaillering van de lessenprogramma's zoals bedoeld bij artikel 6;
  2° de erkenning van de opleidingsinstellingen en hun lesprogramma's;
  3° de toepassing van dit besluit en de voorstellen van eventuele wijzigingen ervan.

Hoofdstuk 5. Controle

Artikel 15 Elk jaar op datum van erkenning bezorgen de verantwoordelijken van de opleidingsinstellingen aan de commissie opleiding privé-detectives een verslag omtrent het programma en de organisatie van de cursussen, de organisatie en de coördinatie van de praktische oefeningen, de namen en titels van lesgevers en de cursisten.
  De opleidingsinstellingen die erkend zijn om de opleiding bedoeld in artikel 6, § 2, te organiseren, vervolledigen het verslag met alle gegevens die aantonen dat het programma voldoet aan de bepaling van artikel 12, §§ 2 en 3.

Artikel 16 De cursuscoördinator en de directeur lichten de minister spontaan en dadelijk in over elke onregelmatigheid inzake het verloop van de opleidingen en examens.

Artikel 17 De nodige faciliteiten worden verleend aan de door de minister aangewezen agenten of ambtenaren die belast zijn met het toezicht op het naleven van de bepalingen van de wet en van dit besluit, zoals het nazicht van de gegevens van het verslag, de toegang tot de lokalen en de documenten, het contact met de inrichters, de lesgevers, de cursuscoördinator, de cursisten en hun eventueel verhoor.

Titel 3. Algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels

Hoofdstuk 1. Kwalificatieniveau

Artikel 18 Voor de toepassing van artikel 20, en teneinde de beroepskwalificaties te beoordelen van de aanvrager die de in de wet bedoelde activiteiten wenst uit te oefenen, worden deze in de hiernavolgende niveaus ingedeeld :
  1° bekwaamheidsattest dat is afgegeven door een overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aangewezen bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, en waaruit blijkt dat een persoon over één van de hiernavolgende beroepskwalificaties beschikt :
  a) een opleiding heeft genoten die niet wordt afgesloten met een certificaat of diploma zoals bedoeld onder punt 2°, 3°, 4° of 5°;
  b) een specifiek examen zonder voorafgaande opleiding heeft afgelegd;
  c) het beroep tijdens de afgelopen tien jaren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, gedurende drie opeenvolgende jaren voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds in een lidstaat heeft uitgeoefend;
  d) op het niveau van het lager of secundair onderwijs een algemene opleiding heeft genoten, waaruit blijkt dat de houder over algemene kennis beschikt.
  2° certificaat ter afsluiting van een cyclus van secundair onderwijs :
  a) hetzij van algemene aard, aangevuld met een andere dan de onder 3° bedoelde studiecyclus of beroepsopleiding en/of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus vereist is;
  b) hetzij van technische of beroepsmatige aard, in voorkomend geval aangevuld met een studiecyclus of beroepsopleiding zoals bedoeld onder a), en/of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus vereist is;
  3° een diploma ter afsluiting van :
  a) hetzij een opleiding op het niveau van postsecundair onderwijs dat verschilt van het onder punt 4° en 5° bedoelde niveau en ten minste 1 jaar duurt, dan wel, in geval van een deeltijdse opleiding, een daaraan gelijkwaardige duur heeft, en waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat men een studiecyclus van secundair onderwijs moet hebben voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs vereist is of een volledige equivalente schoolopleiding van secundair niveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is;
  b) hetzij, in het geval van een gereglementeerd beroep, een opleiding met een bijzondere structuur die gelijkwaardig is aan het onder punt a) vermelde opleidingsniveau, en die opleidt tot een vergelijkbare beroepsbekwaamheid en voorbereidt op een vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheden en taken, zoals bedoeld in bijlage II van de richtlijn;
  4° een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van het postsecundaire onderwijs met een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste vier jaar, dan wel, in geval van een deeltijdse opleiding, een daaraan gelijkwaardige duur heeft, die wordt verstrekt aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is;
  5° een diploma ter afsluiting van een postsecundaire opleiding met een duur van minstens vier jaar of, in geval van een deeltijdse opleiding, met een daaraan gelijkwaardige duur, aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, alsook eventueel ter afsluiting van de beroepsopleiding die als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is.

Hoofdstuk 2. Gelijkgestelde opleidingen

Artikel 19 Wordt gelijkgesteld met een opleidingstitel ter afsluiting van een in artikel 18 bedoelde opleiding, met inbegrip van het betrokken niveau, elke opleidingstitel die, ofwel elk geheel van opleidingstitels dat door een bevoegde autoriteit in een lidstaat is afgegeven, wanneer daarmee een in de Europese Gemeenschap gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door deze lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend en wanneer daaraan dezelfde rechten inzake de toegang tot of de uitoefening van een beroep zijn verbonden, dan wel een voorbereiding vormt op de uitoefening van dat beroep.
  Onder dezelfde voorwaarden als die van het eerste lid wordt met een dergelijke opleidingstitel ook gelijkgesteld elke beroepskwalificatie die weliswaar niet voldoet aan de eisen die in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van oorsprong voor de toegang tot of uitoefening van een beroep zijn vastgesteld, maar die de houder ervan krachtens deze bepalingen verworven rechten verleent.
  Dit geldt met name indien de lidstaat van oorsprong het niveau verhoogt van de opleiding die vereist is voor de toegang tot een beroep of de uitoefening ervan, en indien een persoon die vroeger een opleiding heeft genoten die niet meer voldoet aan de eisen van de nieuwe kwalificatie, verworven rechten geniet uit hoofde van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen; in dat geval wordt de vroeger genoten opleiding door de bevoegde Belgische autoriteit beschouwd, met het oog op de toepassing van artikel 20, als overeenkomend met het niveau van de nieuwe opleiding.
  Worden ook gelijkgesteld met een opleidingstitel, de beroepskwalificaties verkregen door onderdanen van een lidstaat, in een land dat geen lidstaat is, voor zover het lidstaat in kwestie op haar grondgebied, met toepassing van artikel 2, § 2, van de richtlijn, de uitoefening van een gereglementeerd beroep heeft toegestaan.

Hoofdstuk 3. Voorwaarden inzake erkenning

Artikel 20 Worden beschouwd aan de opleidingsvoorwaarden en aan de beroepservaring zoals bedoeld in de artikel 3, § 1, 4° of § 2, 5°, van de wet, te voldoen de personen die op de datum van de indiening van de aanvraag bedoeld om de aanvrager toestemming te verlenen tot het uitoefenen van de in de wet bedoelde activiteiten :
  1° hetzij over het bekwaamheidsattest of opleidingstitel beschikt die in een andere lidstaat verplicht wordt gesteld voor de toegang tot of de uitoefening van deze activiteit op zijn grondgebied;
  2° hetzij de voltijdse uitoefening bewijzen gedurende twee jaar tijdens de tien jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, in een andere lidstaat waar dit soort van activiteiten niet is gereglementeerd en een of meer bekwaamheidattesten of een of meer opleidingstitels bezitten die aantonen dat de houder op de uitoefening van de betrokken activiteiten is voorbereid.
  De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels bedoeld onder punt 1° moeten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
  a) zij moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
  b) zij moeten blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk voorafgaand aan het door de wet vereiste niveau, zoals omschreven in artikel 18.
  De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels bedoeld onder punt 2° moeten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
  a) zij moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
  b) zij moeten blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk voorafgaand aan het door de wet vereiste niveau, zoals beschreven in artikel 18;
  c) zij moeten aantonen dat de houder op de uitoefening van het betrokken beroep is voorbereid.
  De in het eerste lid bedoelde beroepservaring van twee jaar worden echter niet geëist wanneer de aanvrager over een diploma of certificaat beschikt van een reglementeerde opleiding dat de voorbereiding van de houder tot de uitoefening van de betrokkene activiteiten.

Hoofdstuk 4. Procedure

Artikel 21 § 1. De aanvraag tot erkenning van de beroepskwalificaties uitgaande van de aanvrager, die de activiteiten bedoeld in de wet wil uitoefenen, moet worden ingediend volgens de volgende modaliteiten :
  1° de aanvraag wordt ingediend bij de bevoegde Belgische autoriteit;
  2° de aanvraag omvat het nationaliteitsbewijs van de aanvrager;
  3° de aanvraag bevat een kopie van het bekwaamheidsattest en/of de opleidingstitel waarnaar de aanvrager verwijst en, in voorkomend geval, de documenten die de relevante beroepservaring aantonen;
  4° de aanvraag en de bijlagen worden opgesteld in het Nederlands, het Frans of het Duits of gaan vergezeld van een voor eensluidend verklaarde vertaling van deze documenten in een van deze talen.
  § 2. In geval van gegronde twijfel kan de bevoegde Belgische autoriteit de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vragen om bevestiging van de echtheid van de in die andere lidstaat afgegeven getuigschriften en opleidingstitels.
  In geval van gegronde twijfel, wanneer de opleidingstitels zoals omschreven in artikel 2, 6°, zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat en een opleiding omvatten die geheel of gedeeltelijk is gevolgd in een rechtmatig op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde instelling, mag de bevoegde Belgische autoriteit bij de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar het diploma vandaan komt, nagaan :
  a) of de opleidingscyclus aan de instelling die de opleiding heeft verzorgd, officieel is gecertificeerd door de onderwijsinstelling die gevestigd is in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is;
  b) of de opleidingstitel dezelfde is als de titel die zou zijn verleend indien de opleiding in zijn geheel was gevolgd in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is;
  c) of de opleidingstitel dezelfde beroepsrechten verleent op het grondgebied van de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is.
  § 3. De bevoegde Belgische autoriteit mag de aanvrager verzoeken om informatie en/of bijkomende documenten betreffende zijn opleiding of zijn relevante beroepservaring te bezorgen om het niveau en de inhoud ervan evenals het eventueel bestaan van aanzienlijke verschillen met het in België vereiste niveau van de opleiding te bepalen.

Artikel 22 De bevoegde Belgische autoriteit bevestigt ontvangst van het dossier aan de aanvrager binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst en zij informeert hem, in voorkomend geval, over elk ontbrekend document.

Artikel 23 De minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, neemt een beslissing met betrekking tot de aanvraag binnen de drie maanden nadat de volledigheid van het dossier is vastgesteld. Deze uiterste datum kan met één maand worden verlengd.
  In deze beslissing kan de minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, eisen dat de aanvrager met vrucht een bekwaamheidsproef aflegt of met vrucht een aanpassingsstage doorloopt in een van de volgende gevallen :
  a) wanneer de duur van de opleiding waarvan de aanvrager overeenkomstig artikel 18, 1° of 2°, melding maakt, ten minste één jaar korter is dan de duur van de in de ontvangende lidstaat vereiste opleiding;
  b) wanneer de door hem gevolgde opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de in België vereiste opleidingstitel;
  c) wanneer het in België gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde beroepswerkzaamheden omvat die niet bestaan in het overeenkomstige beroep in de lidstaat van oorsprong van de aanvrager in de zin van artikel 4, § 2, van de richtlijn, en dit verschil wordt gekenmerkt door een specifieke opleiding die in België vereist is en betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke vallen onder het bekwaamheidsattest of de opleidingstitel die de aanvrager overlegt.
  Alvorens deze beslissing te nemen, en wanneer deze gebaseerd is op een van de wezenlijke verschillen bedoeld onder punt b) of c) van het tweede lid, gaat de minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, na of de door de aanvrager in het kader van zijn beroepservaring in een lidstaat of derde land verworven relevante kennis deze wezenlijke verschillen geheel of gedeeltelijk kan overbruggen.
  Tegen deze beslissing, of het uitblijven van een beslissing binnen de opgelegde termijn, kan beroep worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel. Er kan geen beroep worden aangetekend tegen de beslissing van voornoemde rechtbank van eerste aanleg.

Artikel 24 De bekwaamheidsproef vindt plaats volgens de door de minister bepaalde modaliteiten. De minister bepaalt de vakken waarop deze proef betrekking heeft in functie van de wezenlijke verschillen die zijn geconstateerd.

Artikel 25 De aanpassingsstage, de evaluatie ervan en het statuut van de stagiaire worden bepaald door de minister.

Hoofdstuk 5. Talenkennis

Artikel 26 De begunstigden van de erkenning van beroepskwalificaties moeten beschikken over de kennis van het Nederlands, het Frans of het Duits.

Hoofdstuk 6. Administratieve samenwerking

Artikel 27 De bevoegde Belgische autoriteiten werken nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong bij de toepassing van deze titel. Zij zien toe op de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde informatie.

Artikel 28 De bevoegde Belgische autoriteit wisselt informatie uit met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong over tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties die genomen zijn, en over alle andere specifieke ernstige feiten die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van werkzaamheden bedoeld in de wet, met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, in voorkomend geval, met inachtneming van de artikelen 122 tot 133 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
  In het omgekeerde geval, op aanvraag van de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat, gaan de bevoegde Belgische autoriteiten de juistheid van deze feiten na, bepalen de aard en de omvang van het in te stellen onderzoek en stellen de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat in kennis van de consequenties die zij daaruit trekken ten aanzien van de verstrekte informatie.

Titel 4. Overgangsen slotbepalingen

Artikel 29 Het koninklijk besluit van 14 september 1992 betreffende de uitreiking van het certificaat voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de instellingen gemachtigd om dit certificaat af te leveren, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 9 juni 1997 en 17 februari 2005, wordt opgeheven.

Artikel 30 De personen die in het bezit zijn van een certificaat, afgeleverd conform het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1992 worden beschouwd als houders van het bekwaamheidsattest, die in toepassing van het huidig koninklijk besluit toegang geeft tot het beroep van privé-detective.

Artikel 31 Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 10 februari 2008.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL.