Overeenkomst betreffende de aanneming van éénvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van de goedkeuring van uitrustingen en stukken van motorvoertuigen gedaan, in Genève, op 20 maart 1958.

Date :
20-03-1958
Language :
French Dutch
Size :
24 pages
Section :
Legislation
Source :
Numac 1996014174

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Bijvoegsel 66: Reglement nr. 67.

Artikel M Datum van inwerkingtreding in de hoedanigheid van bijlage aan de Overeenkomst: 1 juni 1987.
  Eenvormige voorschriften betreffende de goedkeuring van de speciale uitrusting van auto's die vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruiken voor hun aandrijving

  Reglement nr. 67. - Eenvormige voorschriften betreffende de goedkeuring van de speciale uitrusting van auto's die vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruiken voor hun aandrijving.

Artikel M1 1. TOEPASSINGSGEBIED.
  Dit reglement is van toepassing op de speciale uitrusting van auto's die vloeibaar gemaakte petroleumgassen voor hun aandrijving gebruiken.

Artikel M2 2. DEFINITIES.
  Voor wat betreft dit reglement wordt verstaan onder:
  2.1. "speciale uitrusting":
  het reservoir,
  de toebehoren bevestigd op het reservoir,
  de verdamper, die gescheiden of gecombineerd mag zijn met de ontspanner,
  de LPG afsluitklep,
  de buigzame leidingen,
  een op afstandbediende vulklep.
  2.2. "reservoir", elke houder bestemd voor de opslag van vloeibaar gemaakte petroleumgassen:
  2.2.1. een reservoir kan van klasse "A" of van klasse "B" zijn;
  2.2.2. de kenmerken die het onderscheid uitmaken tussen klassen "A" en "B" worden aangegeven in paragraaf 8;
  2.3. "type van reservoir", reservoirs voor vloeibare petroleumgassen die onder elkaar geen noemenswaardige verschillen vertonen voor wat betreft volgende kenmerken: diameter, inhoud, dikte, vorm, materiaal en klasse;
  2.4. "toebehoren bevestigd op het reservoirs", volgende uitrusting die gescheiden of gecombineerd kan zijn:
  2.4.1. vulklep met anti-terugslagklep(pen),
  2.4.2. peilmeter,
  2.4.3. vullingsgraadbegrenzer,
  2.4.4. veiligheidsklep (overdrukventiel),
  2.4.5. dienstkraan,
  2.4.6. doorstroombegrenzer(s),
  2.4.7. combinatiekraan,
  2.4.8. gasdichte doos;
  2.5. "dienstkraan", een toestel die de opening en de sluiting toelaat van de LPG voeding van de verdamper/ontspanner;
  2.6. combinatiekraan", een toestel dat samengesteld is uit een gedeelte of het geheel van de toebehoren vermeld in de paragrafen 2.4.1 tot 2.4.6;
  2.7. "type van toebehoren bevestigd op het reservoir", toebehoren die onder elkaar geen noemenswaardige verschillen vertonen voor wat betreft het materiaal of de technologie;
  2.8. "verdamper", een toestel dat de vloeibare petroleumgassen in staat stelt om van vloeistof- naar gasfase over te gaan;
  2.9. "type van verdamper", verdampers die onder elkaar geen noemenswaardige verschillen vertonen voor wat betreft het materiaal of de technologie;
  2.10. "ontspanners", een toestel dat toelaat de druk van de vloeibaar gemaakte petroleumgassen te verlagen tot de dienstdruk van de verdamper of de menger; de verdamper en de ontspanner mogen gescheiden of samengesteld zijn;
  2.11. "type van ontspanner", ontspanners die onder elkaar geen noemenswaardige verschillen vertonen voor wat betreft het materiaal of de technologie;
  2.12. "afsluiter", een toestel om de voeding van LPG te openen of te sluiten;
  2.13. "type van afsluiter", afsluiters die onder elkaar geen noemenswaardige verschillen vertonen voor wat betreft het materiaal of de technologie;
  2.14. "buigzame leidingen", leidingen die de petroleumgassen in vloeibare of gasvormige toestand en bij verschillende drukken, van het ene punt naar het andere vervoeren;
  2.15. "type van buigzame leidingen", leidingen die onder elkaar geen noemenswaardige verschillen vertonen voor wat betreft volgende kenmerken:
  diameter, dikte, materiaal en klasse;
  2.16. "op afstand bediende vulklep", een toestel dat toelaat om het reservoir van op afstand te vullen (dwz. van buiten het voertuig);
  2.17. "type van op afstand bediende vulklep", op afstand bediende vulkleppen die onder elkaar geen noemenswaardige verschillen vertonen voor wat betreft het materiaal of de technologie;
  2.18. "vloeibaar gemaakt petroleumgas (LPG)", elk produkt dat hoofdzakelijk uit volgende koolwaterstoffen is samengesteld: propaan, propeen (propyleen), n-butaan, isobutaan, isobuteen (isobutyleen) en buteen (butyleen).

Artikel M3 3. AANVRAAG TOT GOEDKEURING.
  3.1. De aanvraag tot goedkeuring van een type van reservoir, toebehoren bevestigd op het reservoir, verdamper, ontspanner, afsluitklep, buigzame leidingen en op afstand bediende vulklep moet aangeboden worden door de houder van het fabrieks- of handelsmerk of van zijn behoorlijk gevolgmachtigd vertegenwoordiger;
  3.2. Zij moet vergezeld zijn van de hierna vermelde stukken in drie exemplaren, en met volgende aanduidingen:
  3.2.1. voor een type van reservoir:
  3.2.1.1. een gedetailleerde beschrijving van het type van reservoir,
  3.2.1.2. een tekening van het reservoir op een aangepaste schaal en voldoende gedetailleerd,
  3.2.1.3. controle op het naleven van de specificaties vermeld in paragraaf 6 van dit reglement;
  3.2.2. voor een type van toebehoren bevestigd op het reservoir:
  3.2.2.1. een gedetailleerde beschrijving van het type van toebehoren bevestigd op het reservoir,
  3.2.2.2. een tekening van deze toebehoren op een aangepaste schaal en voldoende gedetailleerd,
  3.2.2.3. controle op het naleven van de specificaties vermeld in paragraaf 6 van dit reglement;
  3.2.3. voor een type van verdamper en/of ontspanner:
  3.2.3.1. een gedetailleerde beschrijving van het type van verdamper en/of ontspanner,
  3.2.3.2. een tekening van de verdapmer en/of ontspanner op een aangepaste schaal en voldoende gedetailleerd,
  3.2.3.3. controle op het naleven van de specificaties vermeld in paragraaf 6 van dit reglement;
  3.2.4. voor een type van afsluiter:
  3.2.4.1. een gedetailleerde beschrijving van het type van afsluiter,
  3.2.4.2. een tekening van de afsluiter op een aangepaste schaal en voldoende gedetailleerd,
  3.2.4.3. controle op het naleven van de specificaties vermeld in paragraaf 6 van dit reglement;
  3.2.5. voor een type van buigzame leiding:
  3.2.5.1. een gedetailleerde beschrijving van de buigzame leiding,
  3.2.5.2. een tekening van de buigzame leiding op een aangepaste schaal en voldoende gedetailleerd,
  3.2.5.3. controle op het naleven van de specificaties vermeld in paragraaf 6 van dit reglement;
  3.2.6. voor een type van een op afstand bediende vulklep:
  3.2.6.1. een gedetailleerde beschrijving van de op afstand bediende vulklep,
  3.2.6.2. een tekening van de op afstand bediende vulklep op een aangepaste schaal en voldoende gedetailleerd,
  3.2.6.3. controle op het naleven van de specificaties vermeld in paragraaf 6 van dit reglement;
  3.3. Op aanvraag van de technische dienst belast met de goedkeuringsproeven, moet een monster van reservoir, op het reservoir bevestigde toebehoren, verdamper en/of ontspanner, afsluiter, buigzame leidingen of op afstand bediende vulklep geleverd worden. Bijkomende monsters moeten verstrekt worden op aanvraag.
  3.4. De bevoegde overheid vergewist er zich van dat er geschikte maatregelen getroffen zijn om een doelmatige controle te verzekeren van de overeenstemming van de produktie alvorens de type goedkeuring te verlenen.

Artikel M4 4. AANDUIDINGEN.
  4.1. De monsters van de op het reservoir bevestigde toebehoren, verdampers, ontspanners, afsluiters, buigzame leidingen en op afstand bediende vulkleppen, die voor goedkeuring worden aangeboden moeten het fabrieks- of handelsmerk van fabrikant dragen en ook de typeaanduiding en, voor de buigzame leidingen eveneens de fabrikatiedatum; dit merk moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.
  4.2. Op iedere uitrusting moet een voldoende grote plaats ter beschikking zijn om het goedkeuringsmerk aan te brengen; deze plaats moet aangeduid zijn op hierboven in de punten 3.2.1.2, 3.2.2.2, 3.2.3.2, 3.2.4.2, 3.2.5.2 en 3.2.6.2 vermelde tekeningen.
  4.3. Op elk reservoir moet een plaat zijn gelast die goed leesbaar volgende aanduidingen bevat:
  het serienummer;
  de inhoud in liter;
  het merk "LPG"
  de dienstdruk/proefdruk (bijvoorbeeld 25/30)
  de woorden "vullingsgraad/maximum: 80%";
  het jaar en de maand van goedkeuring (bijvoorbeeld 83/09);
  het goedkeuringsmerk bedoeld in paragraaf 5.4.

Artikel M5 5. GOEDKEURING.
  5.1. Indien de monsters van de uitrustingen die ter goedkeuring werden aangeboden beantwoorden aan de voorschriften van de paragrafen 6.1 to. 6.5 van dit Reglement wordt voor dit type van uitrusting de goedkeuring verleend.
  5.2. Elke goedkeuring voorziet in een homologatiemerk waarvan de eerst twee cijfers (nu 00 voor het Reglement in zijn huidige vorm) de reeks amendementen aanduiden die overeenkomen met de recentste belangrijke technische wijzigingen, op datum van de aflevering van de goedkeuring, aan het Reglement aangebracht. In geval van goedkeuring van een reservoir, moet een derde teken (letter A of B) de klasse aanduiden.
  Dezelfde verdragsluitende Partij mag dezelfde alfanumerieke code niet toekennen aan een ander type van uitrusting.
  5.3. De goedkeuring, weigering of uitbreiding van goedkeuring van een type van LPG uitrusting en/of een deel van uitrusting in toepassing van dit Reglement, wordt meegedeeld aan de verdragsluitdende Partijen die dit Reglement toepassen, door middel van een fiche overeenkomstig het model in bijlage 1 van dit Reglement.
  5.4. Op elke uitrusting die overeenstemt met een goedgekeurd type in toepassing van dit Reglement, moet goed leesbaar op de plaats bedoeld in paragraaf 4.2 hierboven, naast de aanduidingen voorgeschreven in de paragrafen 4.1 en 4.3, een homologatiemerk worden aangebracht dat als volgt is samengesteld:
  5.4.1. een cirkel met daarin de letter "E" met daarin het onderscheidingsnummer van het land dat de erkenning heeft verleend; (1 voor de Duitse Bondsrepubliek, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden, 6 voor België, 7 voor Hongarije, 8 voor Tsjechoslowakije, 9 voor Spanje, 10 voor Yougoslavië, 11 voor het Verenigd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 14 voor Zwitserland, 15 voor de Duitse Demoratische Republiek, 16 voor Noorwegen, 17 voor Finland, 18 voor Denemarken, 19 voor Roemenië, 20 voor Polen, 21 voor Portugal, 22 voor de Vereniging van de Socialistische Sovjet Republieken.
  De volgende cijfers zullen toegekend worden aan andere landen in kronologische volgorde van hun bekrachtiging van de Overeenkomst betreffende de aanneming van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van de goedkeuring van de uitrusting en stukken van motorvoertuigen of van hun toetreding tot deze Overeenkomst en de aldus toegekende nummers zullen door de Secretaris generaal van de UNO worden meegedeeld aan de verdragsluitende partijen van de Overeenkomst).
  5.4.2. rechts van de cirkel voorzien in paragraaf 5.4.1 het nummer van dit Reglement, gevolgd door de letter "R", een streepje en het goedkeuringsnummer. Dit nummer is samengesteld uit het homologatie-nummer van het type bestanddeel dat voorkomt op de goedkeuringsfiche opgesteld voor het type (zie par. 5.2 en 11 en Bijlage 1), voorafgegaan door de twee cijfers die de meest recente serie van wijzigingen aan dit Reglement aangeven.
  5.5. Het homologatiemerk moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.
  5.6. Bijlage 2 van dit Reglement bevat voorbeelden van de hierboven vermelde homologatiemerken.

Artikel M6 6. NAUWKEURIGE OPGAVE DER VERSCHILLENDE LPG UITRUSTINGEN.
  6.1. Algemene voorschriften.
  6.1.1. De speciale uitrusting van voertuigen die LPG als aandrijving gebruiken moet op een juiste en veilige manier werken.
  De materialen van de uitrusting die met LPG in aanraking komen moet er met verenigbaar zijn.
  De delen van de uitrusting waarvan de juiste en veilige werking kan worden beïnvloed door LPG, verhoogde druk of trillingen moeten onderworpen worden aan de overeenkomstige proeven die in de bijlagen van dit Reglement worden beschreven. Het is vooral belangrijk om te voldoen aan de paragrafen 6.2 tot 6.7.
  6.2. Voorschriften betreffende de reservoirs.
  6.2.1. De reservoirs voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen moeten een type homologatie overeenkomstig de bepalingen van bijlage 8 van dit Reglement hebben verkregen.
  6.3. Voorschriften betreffende de toebehoren bevestigd op het reservoir.
  6.3.1. Het reservoir moet uitgerust zijn met toebehoren die afzonderlijk mogen zijn of ondergebracht in een combinatiekraan die een gedeelte of het geheel van volgende toebehoren bevat:
  6.3.1.1. vulklep met terugslagklep(pen),
  6.3.1.2. peilmeter,
  6.3.1.3. automatische inrichting die de vullingsgraad van het reservoir tot 80% van zijn inhoud begrenst,
  6.3.1.4. overdrukklep (facultatief voor de reservoirs van klasse B),
  6.3.1.5. dienstkraan,
  6.3.1.6. doorstroombegrenzer(s),
  6.3.2. Het reservoir mag indien nodig uitgerust zijn met een waterdichte doos.
  6.3.3. De toebehoren vermeld in paragraaf 2.4 moeten de type goedkeuring overeenkomstig de bepalingen van bijlage 3 van dit Reglement hebben bekomen.
  6.4. Voorschriften betreffende de verdamper en de ontspanner.
  De verdamper en de ontspanner die afzonderlijk of samengesteld kunnen zijn, moeten de type goedkeuring overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4 van dit Reglement hebben bekomen.
  6.5. Voorschriften betreffende de LPG afsluitkleppen.
  De LPG afsluitkleppen moeten de type goedkeuring overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5 van dit Reglement hebben bekomen.
  6.6. Voorschriften betreffende de buigzame leidingen.
  De buigzame leidingen moeten de type goedkeuring overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6 van dit Reglement hebben bekomen.
  6.7. Voorschriften betreffende de op afstand bediende vulkleppen.
  De op afstand bediende vulkleppen moeten de type goedkeuring overeenkomstig de bepalingen van bijlage 7 van dit Reglement hebben bekomen.

Artikel M7 7. WIJZIGING VAN HET TYPE VAN LPG-UITRUSTING EN UITBREIDING VAN GOEDKEURING.
  7.1. Elke wijziging aan een type van LPG uitrusting moet aan de administratieve dienst die de goedkeuring van de type uitrusting heeft verleend ter kennis gebracht worden. Deze dienst kan dan:
  7.1.1. hetzij van oordeel zijn dat de aangebrachte wijzigingen geen noemenswaardige ongunstige invloed zullen hebben en dat deze uitrusting in elk geval nog aan de voorschriften voldoet,
  7.1.2. hetzij aan de technische dienst belast met de proeven, een nieuw proces-verbaal vragen.
  7.2. De bevestiging of de weigering van een goedkeuring wordt met opgave van de wijzigingen, meegedeeld aan de Partijen van het Verdrag die dit Reglement toepassen volgens de procedure vermeld in paragraaf 5.3.
  7.3. De bevoegde overheid die de uitbreiding van goedkeuring verleent, kent aan elke mededelingsfiche van uitbreiding van goedkeuring een serienummer toe.

Artikel M8 8. KENMERKEN VAN KLASSEN VAN RESERVOIR.
  8.1. Klasse A.
  8.1.1. Een reservoir van klasse A is een reservoir dat ontworpen is om te worden gebruikt met een "overdruk-" of een "ontlastingsklep".
  8.2. Klase B.
  8.2.1. Een reservoir van klasse B is een reservoir dat ontworpen is om zonder een "overdruk-" of een "ontlastingsklep" te worden gebruikt.
  8.2.2. De mogelijkheid kan nochtans voorzien zijn om er een "overdruk-" of een "ontlastingsklep" op te monteren.
  8.2.3. Indien een reservoir van klasse B voorzien is van een opening om een "overdruk-" of "ontlastingsklep" te monteren, moet deze opening vermeld zijn op de documenten van de typegoedkeuring. Indien er geen overdrukklep (ontlastingsklep) aanwezig is, moet de opening afgesloten zijn door middel van een gelaste bout.

Artikel M9 9. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE.
  9.1. Elke uitrusting die in toepassing van dit Reglement een goedkeuringsmerk draagt, moet overeenstemmen met het goedgekeurd type en voldoen aan de voorschriften van paragraaf 6 hierboven.
  9.2. Teneinde na te zien of aan de voorschriften van paragraaf 9.1 is voldaan, moeten geschikte controles op de produktie worden uitgevoerd.
  9.3. De titularis van de goedkeuring zal in het bijzonder:
  9.3.1. Er zich van verzekeren dat er procedures bestaan controle van de produkten, 9.3.2 Toegang hebben tot het controlemateriaal dat dient om de overeenstemming van de produkten met elk goedgekeurd type na te gaan.
  9.3.3. Er zich van vergewissen dat de resultaten van de proeven worden opgetekend en dat de bijgevoegde dokumenten gedurende een periode, vastgesteld in overleg met de administratieve dienst, ter beschikking blijven.
  9.3.4. De resultaten van elk type van beproeving ontleden teneinde de stabiliteit en de kenmerken van de produkten na te zien en te verzekeren;
  hierbij mag rekening worden gehouden met de verschillen die kunnen optreden ten gevolge van een industriële produktie.
  9.3.5. Er zich van vergewissen dat elk type van produkt ten minste onderworpen werd aan de proeven voorgeschreven in de bijlagen 6, 8, 9 en 10 van dit Reglement.
  9.3.6. Er zich van vergewissen dat elk monster of proefstaafje dat niet voldoet aan de type proef aanleiding geeft tot een nieuwe staalname en een nieuwe beproeving. Alle nodige maatregelen zullen genomen worden om de conformiteit van de onderzochte produktie te herstellen.
  9.4. De bevoegde overheid die de type goedkeuring heeft verleend, kan op ieder ogenblik de methoden nazien die voor de controle van overeenstemming voor elke produktieeenheid worden toegepast.
  9.4.1. De registers van de proeven en van de produktie zullen aan de inspecteur voorgelegd worden bij elke bezoek.
  9.4.2. De inspecteur kan willekeurig monsters kiezen die in het laboratorium van de fabrikant zullen worden beproefd. Het minimum aantal stalen kan bepaald worden in functie van de resultaten die de fabrikant bij zijn eigen nazicht heeft bekomen.
  9.4.3. Indien de kwaliteit onvoldoende is of indien het noodzakelijk blijkt de geldigheid van de proeven uitgevoerd in toepassing van paragraaf 9.4.2 te controleren, kan de inspecteur monsters kiezen om naar de technische dienst te versturen die de type goedkeuring heeft uitgevoerd.
  9.4.4. De bevoegde overheid kan om «t even welke proef uitvoeren die in dit Reglement wordt voorgeschreven.
  9.4.5. De normale frekwentie van de bezoeken die door de bevoedgde overheid wordt toegestaan is één per jaar. Indien een bezoek een slecht resultaat oplevert moet de bevoegde overheid er over waken dat alle nodige maatregelen worden getroffen om de overeenkomst van de produktie zo spoedig mogelijk te herstellen.
  9.5. Bovendien zal elk reservoir getest worden op een druk van:
  3000 kPa voor klasse A
  4500 kPa voor klasse B
  overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 3.3 van bijlage 8 van dit Reglement.
  9.6. Elke buigzame drukleiding moet gedurende een halve minuut, onderworpen worden aan een proef met gas bij een druk van 4 500 kPa.
  9.7. Van de gelaste reservoirs moet één reservoir op tweehonderd en één van de resterende aan de radiografische controle voorzien in paragraaf 3.4.1 van bijlage 8 worden onderworpen.
  9.8. Elk lot van 100 reservoirs (of minder) van klasse B moet het voorwerp uitmaken van een breekproef bij een hydraulische druk overeenkomstig paragraaf 3.2 van bijlage 8.

Artikel M10 10. SANCTIES BIJ NIET-OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE.
  10.1. De goedkeuring afgeleverd voor een type van uitrusting in toepassing van dit Reglement kan ingetrokken worden, indien de voorschriften van paragraaf 9 niet worden in acht genomen.
  10.2. Indien een Partij van de Overeenkomst die dit Reglement toepast een goedkeuring die ze eerder heeft verleend intrekt, moet ze de andere Partijen van de Overeenkomst die dit Reglement toepassen hiervan onmiddellijk in kennis stellen door het zenden van een copie van de goedkeuringsfiche, waarop aan het einde in hoofdletters de ondertekende en gedateerde vermelding "GOEDKEURING INGETROKKEN" staat aangegeven.

Artikel M11 11. OPMERKING BETREFFENDE DE KLASSEN VAN RESERVOIR.
  Voor elke goedkeuring van een type van reservoir volgens de bepalingen van dit Reglement overeenkomstig paragraaf 6.2, hetzij voor een reservoir van klasse A of van klasse B, vormt artikel 3 van de Overeenkomst waaraan dit Reglement is gehecht geen beletsel voor de verdragsluitende Partijen om op de door haar ingeschreven voertuigen de aanwezigheid te verbieden van:
  reservoirs van klasse A (voorzien van een "overdrukklep" of een ontlastingsklep") of van klasse B indien deze voorzien zijn van overdrukklep" of van een "ontlastingsklep",
  hetzij
  reservoirs van klasse B die niet voorzien zijn van een "overdrukklep" of van een ontlastingsklep".

Artikel M12 12. DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUKTIE.
  Indien de houder van een goedkeuring definitief stopt met de fabrikatie van een type van uitrusting dat overeenkomstig dit Reglement werd goedgekeurd, verwittigd hij hiervan onmiddellijk de overheid die de goedkeuring heeft verleend, die op haar beurt, de andere Partijen aan de Overeenkomst die dit Reglement toepassen hiervan onmiddellijk in kennis stelt door het zenden van een copie van de goedkeuringsfiche, waarop op het einde in hoofdletters de ondertekende en gedateerde vermelding "PRODUKTIE GESTOPT" staat aangegeven.

Artikel M13 13. NAMEN EN ADRESSEN VAN DE TECHNISCHE DIENSTEN DIE MET DE GOEDKEURING BELAST ZIJN EN VAN DE ADMINISTRATIEVE DIENSTEN.
  De Partijen van de overeenkomst die dit Reglement toepassen delen aan het Secretariaat van de Organisatie van de Verenigde Naties de namen en adressen van de technische diensten mee die met de goedkeuringsproeven belast zijn en van de administratieve diensten die de goedkeuring afleveren en waaraan de goedkeurings- en weigerings- of uitbreidingsfiches of intrekking van goedkeuring uitgegeven in de andere landen, moeten toegestuurd worden.

  BIJLAGEN.

Artikel N1 Bijlage 1. (Formulier niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-11-1996, p. 29578).

Artikel N2 Bijlage 2. Voorbeeld van goedkeuringsmerk van een LPG uitrusting. (Zie paragraaf 5.6 van dit Reglement).
  -E4 67R-002439 a = 8 mm.
  Het hierboven vermelde goedkeuringsmerk aangebracht op een LPG uitrusting, betekent dat deze uitrusting werd goedgekeurd in Nederland (E4) in toepassing van Reglement Nr. 67, onder goedkeuringsnummer 002439. De twee eerste cijfers van het goedkeuringsnummer betekenen dat de goedkeuring werd afgeleverd overeenkomstig de voorschriften van Reglement Nr. 67 in zijn originele vorm.
  -E4 67R-00A2439 a = 8 mm.
  Het hierboven vermelde goedkeuringsmerk aangebracht op een LPG reservoir, betekent dat dit reservoir behoort tot klasse A en goedgekeurd werd in Nederland (E4) in toepassing van Reglement Nr. 67, onder goedkeuringsnummer 00A2439. De twee eerste cijfers van het goedkeuringsnummer betekenen dat de goedkeuring werd afgeleverd overeenkomstig de voorschriften van Redglement Nr. 67 in zijn originele vorm.
  -E4 67R-00B2439 a = 8 mm.
  Het hierboven vermelde goedkeuringsmerk aangebracht op een LPG reservoir, betekent dat dit reservoir behoort tot klasse B en goedgekeurd werd in Nederland (E4) in toepassing van Reglement Nr. 67, onder goedkeuringsnummer OOB2439. De twee eerste cijfers van het goedkeuringsnummer betekenen dat de goedkeuring werd afgeleverd overeenkomstig de voorschriften van Reglement Nr. 67 in zijn originele vorm.

Artikel N3 Bijlage 3. Voorschriften betreffende de goedkeuring van toebehoren van LPG reservoirs.
  1. De materialen die worden gebruikt voor de toebehoren van LPG reservoirs moeten wanneer ze in contact komen met LPG, met dit gas verenigbaar zijn.
  Om deze verenigbaarheid te testen moet men er over waken dat voldaan is aan de voorschriften vermeld in de paragrafen 2, 3 en 4 van bijlage 9.
  2. Vulklep (*).
  2.1. De vulklep moet kunnen weerstaan aan een druk van 5 000 kPa.
  2.2. De vulkep moet voorzien zijn ofwel van twee terugslagkleppen waarvan ten minste één gasdicht is, ofwel van een gasdichte terugslagklep en een afsluiter. Ten minste één der terugslagkleppen moet binnnen het reservoir zijn gemonteerd.
  2.3. De gasdichte terugslagkleppen moeten dicht zijn tot een druk van ten minste 50 kPa.
  2.4. De vulklep moet voldoen aan de voorschriften van paragraaf 2.6 van deze bijlage.
  2.5. De vulklep moet voorzien zijn van een stop om elke vervuiling te vermijden.
  2.6. Het apparaat moet voldoen aan de proeven beschreven in de paragrafen 5, 6, 7 en 8 van bijlage 9.
  3. Inhoudsmeter.
  3.1. Het apparaat dat toelaat om het vloeistofniveau in het reservoir te meten, moet van het type zijn met een indirecte verbinding (bijvoorbeeld magnetisch) tusssen de binnen- en de buitenzijde van het reservoir.
  3.2. De inhoudsmeter moet ontworpen zijn om te weerstaan aan een druk van 5.000 kPa.
  3.3. Het apparaat moet voldoen aan de proeven beschreven in paragraaf 5 van bijlage 9.
  4. Vullingsgraadbegrenzer.
  4.1. Indien de vullingsgraadbegrenzer een vlotter bezit, moet deze weerstaan aan een druk van 5.000 kPa bij 50 C. De verbinding tussen de vlotter en het sluitorgaan van het apparaat mag niet kunnen vervormd worden onder normale gebruiksomstandigheden.
  4.2. Het sluitorgaan van de vullingsgraadbegrenzer moet weerstaan aan een druk van 5.000 kPa en mag - in gesloten toestand - een vuldebiet van ten hoogste 1 l/min doorlaten.
  4.3. Indien het apparaat geen vlotter heeft mag het niet mogelijk zijn om na sluiting met vullen verder te gaan, met een vuldebiet van meer dan 1 l/min.
  4.4. Het apparaat moet voldoen aan de proeven beschreven in de paragrafen 5, 6, 7, 11 en 12 van bijlage 9 en indien het apparaat een vlotter heeft ook aan de trilproeven voorzien in bijlage 10.
  5. Veiligheidsklep.
  5.1. De veiligheidskleppen moeten ontworpen zijn om zich bij een druk van 2500 +- 200 kPa te openen.
  5.2. De veiligheidsklep moet in staat zijn om ten minste volgend debiet te lozen (vastgesteld met lucht, samengeperst tot een druk die 20% boven de dienstdruk van het reservoir ligt):
  0,82XQ = 10,66 A
  met Q = m3/min lucht bij 15 C en 100 kPa (abs.)
  A = buitenoppervlak van het reservoir in m2.
  5.3. De veiligheidsklep moet binnen het reservoir in de gasfase worden gemonteerd.
  5.4. Het apparaat moet voldoen aan de proeven voorgeschreven in paragraaf 9 van bijlage 9.
  6. Gasafnamekraan.
  6.1. De gasafnamekraan moet opgevat zijn om - zowel in gesloten als in open toestand - aan een druk van 5 000 kPa te weerstaan.
  6.2. Het apparaat moet voldoen aan de proeven voorgeschreven in paragrafen 5, 6, 7 en 8 van bijlage 9.
  7. Doorstroombegrenzer.
  7.1. De doorstroombegrenzing van LPG aan de uitgang van het reservoir moet verwezenlijk worden met een doorstroombegrenzer.
  7.2. De doorstroombegrenzer moet weerstaan aan een druk van 5 000 kPa.
  7.3. De doorstroombegrenzer moet sluiten wanneer het drukverschil over de begrenzer tot 100 kPa is gestegen.
  7.4. De doorstroombegrenzer moet voorzien zijn van een buisje dat toelaat om de drukken in evenwicht te brengen. Indien de doorstroombegrenzer gesloten is, mag het lekdebiet via het buisje niet meer dan 1 liter/minuut bedragen.
  7.5. De doorstroombegrenzer moet binnen het reservoir worden gemonteerd.
  7.6. Het apparaat moet voldoen aan de proeven voorgeschreven in paragrafen 5 en 10 van bijlage 9.
  8. Gasdichte doos.
  8.1. De gasdichte doos moet met afgesloten uitgangsopening gasdicht zijn onder een manometrische gasdruk van 10 kPa.
  8.2. De uitlaatopening van de gasdichte doos moet ten minste 500 mm2 doorsnede hebben.
  (*) De aannemingsvoorschriften voor de vulklep zouden internationaal éénvormig moeten worden gemaakt.

Artikel N4 Bijlage 4. Voorschriften betreffende de goedkeuring van de ontspanner en van de verdamper.
  1. Deze bijlage heeft tot doel de voorschriften betreffende de goedkeuring van de ontspanner en de verdamper te bepalen.
  2. Ontspanner.
  2.1. De materialen van de ontspanner die tijdens het gebruik in contact komen met vloeibaar petroleumgas, moeten bestand zijn tegen de inwerking met het LPG proefgas. Om dit na te gaan mag n-hexaan als proefvloeistof worden gebruikt.
  2.2. De materialen van de ontspanner die tijdens het gebruik in contact komen met het verwarmend medium van de drukregelaar, moeten bestand zijn tegen de inwerking van dit medium.
  2.3. De ontspanner mag geen lekken vertonen wanneer, met de uitgangen naar de verdamper afgesloten, een druk gelijk aan tweemaal de door de fabrikant vermelde afsteldruk wordt aangebracht.
  3. Verdamper.
  3.1. De materialen van de verdamper die tijdens het gebruik in contact komen met vloeibaar petroleumgas, moeten bestand zijn tegen de inwerking met het LPG proefgas. Om dit na te gaan mag n-hexaan als proefvloeistof worden gebruikt.
  3.2. De materialen van de verdamper die tijdens het gebruik in contact komen met het verwarmend medium, moeten bestand zijn tegen de inwerking van dit medium.
  3.3. De verdamper moet zodanig zijn ontworpen, dat wanneer het geheel ontspanner-verdamper met LPG wordt gevoed onder een druk van 5 000 kPa er geen gasdebiet is.
  3.4. Het vak van de verdamper dat het verwarmend medium bevat mag geen lekken vertonen.

Artikel N5 Bijlage 5. Voorschriften betreffende de goedkeuring van de afsluitklep.
  1. De materialen van de afsluiklep die tijdens het gebruik in contact komen met vloeibaar petroleumgas, moeten bestand zijn tegen de inwerking met het LPG proefgas. Om dit na te gaan mag n-hexaan als proefvloeistof worden gebruikt.
  2. Beproeving van dichtheid en weerstand.
  2.1. De afsluitklep moet zijn ontworpen om te weerstaan aan een druk van 5 000 kPa.
  2.2. De afsluitklep moet zijn ontworpen om dicht te blijven bij een druk van 5 000 kPa.
  2.3. Na 20 cycli van openen en sluiten, wordt de stroom naar de afsluitklep afgesneden;deze moet dan dicht zijn bij een druk van 500 kPa; de klep moet zich tijdens deze proef in de stand bevinden die door de fabrikant als normale werkingsstand is aangegeven.
  3. Het eventueel electrisch systeem moet geïsoleerd zijn van het lichaam van de afsluitklep.
  4. Een electrisch bediende afsluitklep moet gesloten zijn wanneer de electrische stroom wordt onderbroken.

Artikel N6 Bijlage 6. Voorschriften betreffende de goedkeuring van de buigzame leidingen en hun verbindingsstukken.
  Doel
  Deze bijlage heeft tot doel de voorschriften te bepalen, betreffende de goedkeuring van buigzame leidingen voor LPG met een diameter tot 20 mm.
  1. Algemene voorschriften.
  1.1. De leiding moet ontworpen zijn om te weerstaan aan een maximum dienstdruk van 2 500 kPa.
  1.2. De leiding moet zodanig ontworpen zijn dat ze kan weerstaan aan temperaturen begrepen tussen - 25 C en + 80 C 1).
  1.3. De binnendiameter moet overeenstemmen met de waarden van tabel 1 van de norm ISO 1307-1975.
  2. Bouw van de leiding 2.1 De leiding moet bestaan uit een gladde voering en een deklaag van geschikt synthetisch materiaal, met één of meer tussenliggende versterkingslagen.
  2.2. De versterkingslagen moeten met behulp van een bekleding tegen corrosie beschermd worden; indien de versterkingslagen uit corrosiebestendig materiaal (bvb. roestvrij staal) bestaan is die bekleding niet nodig.
  2.3. De bekleding en de deklaag moeten glad zijn en vrij van poriën, holten en vreemde bestanddelen.
  De tijdens de vervaardiging aangebrachte perforaties in de deklaag worden niet als onvolkomenheden beschouwd.
  2.4. Om blaasvorming te voorkomen moet de deklaag geperforeerd zijn.
  3. Opgave en proeven betreffende de deklaag.
  3.1. Treksterkte en rek.
  3.1.1. De drukleiding waaruit de proefstukken worden genomen dient vooraf gedurende 3 x 24 uren gevuld te zijn geweest met vloeibaar propaan of Npentaan van 23 +- 2 C.
  3.1.2. De proef wordt uitgevoerd volgens de norm ISO 37-1977.
  3.1.3. De treksterkte moet ten minste 7 N/mm2 bedragen en de rek bij de breuk ten minste 150%.
  3.2. Weerstand tegen droge warmte.
  3.2.1. De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale norm ISO 1881982. Het proefstuk moet gedurende 7 x 24 uren aan lucht van 70 +- 1 C worden blootgesteld.
  3.2.2. De maximaal toelaatbare verandering van de treksterkte is +- 25%.
  3.2.3. De maximaal toelaatbare verandering van de rek bij breuk is een toename van 10% of een afname van 30%.
  3.3. Weerstand tegen N-pentaan.
  3.3.1. Het proefstuk moet gedurende 3 x 24 uren ondergedompeld worden in vloeibaar pentaan van 23 +- 2 C.
  3.3.2. De maximaal toelaatbare massaverandering is een toename van 10% of een afname van 5%.
  4. Voorschriften en beproevingsmethoden voor de deklaag.
  4.1. Treksterkte en rek.
  Zie paragraaf 3.1.
  4.2. Weerstand tegen droge warmte.
  Zie paragraaf 3.2.
  4.3. Weerstand tegen n-hexaan 4.3.1. Het proefstuk moet gedurende 3 x 24 uren ondergedompeld worden in nhexaan van 23 +- 2 C.
  4.3.2. De afname van de treksterkte moet kleiner zijn dan 35%.
  4.3.3. De afname van de rek bij breuk moet kleiner zijn dan 35%.
  4.3.4. De volumevergroting moet kleiner zijn dan 30%.
  4.4. Weerstand tegen ozon.
  4.4.1. De proef wordt uitgevoerd volgens de norm ISO 1431/1-1980.
  4.4.2. De proefstukken moeten bij een rek van 20% gedurende 5 x 24 uren blootgesteld worden aan lucht van 40 C met een ozonconcentratie van 50 ppcm.
  4.4.3. Er mag geen barstvorming optreden.
  5. Voorschriften voor de leidingen zonder koppelingen.
  5.1. Gasdichtheid (permabiliteit).
  5.1.1. Een drukleiding met een vrije lengte van 1 meter wordt vastgemaakt aan een reservoir, gevuld met vloeibaar propaan van 23 C +- 2 C.
  5.1.2. De proef wordt uitgevoerd volgens de norm ISO 4080-1978.
  5.1.3. Het verlies door de wand van de slang mag niet meer bedragen dan 95 cm3 per meter slang en per periode van 24 uur.
  5.2. Weerstand tegen lage temperaturen.
  5.2.1. De proef wordt uitgevoerd volgens methode B van de norm ISO 45721978.
  5.2.2. De beproevingstemperatuur is -25 C +- 3 C.
  5.2.3. Er mag geen barstvorming of breuk optreden.
  5.3. Verlies.
  5.3.1. Een drukleiding met een lengte van 2 meter, gevuld met vloeibaar propaan of n-pentaan, wordt gedurende 6 weken bij een temperatuur van 23 C +- 2 C opgeslagen.
  5.3.2. Het verlies uit de leiding mag ten hoogste 30g per m2 binnenwand bedragen.
  5.4. Buigproef.
  5.4.1. Een lege leiding met een lengte van ongeveer 3,5 m moet zonder breuk 3 000 maal de hieronder voorgeschreven buigproef kunnen ondergaan.
  Vervolgens moet ze aan de in paragraaf 5.5.2. vermelde proefdruk kunnen weerstaan.
  5.4.2.

  Inwendige diameter     Straal van de        Afstand tussen de
  van de drukleiding     wielen (in mm)      middelpunten (in mm)
       (in mm)
                                            Verticaal  Horizontaal
       
    tot 13                    102              241         102
    van 13 tot 16             153              356         153
    van 16 tot 20             178              419         178


  5.4.3. De machine voor deze proef bestaat uit een stalen geraamte waarop twee houten wielen zijn gemonteerd, elk met een velgbreedte van ca.130 mm.
  Over de omtrek van beide wielen moet een groef zijn aangebracht ter geleiding van de te testen drukleiding. De straal van de wielen gemeten vanaf de bodem van de groef, moet overeenkomen met deze opgegeven in paragraaf 5.4.2.
  De wielen moeten in hetzelfde verticaal vlak zijn gemonteerd en de afstand tuussen de middelpunten van de wielen moet overeenkomen met de waarden opgegeven in paragraaf 5.4.2.
  Elk wiel moet vrij om zijn as kunnen draaien. Een aandrijf-mechaniek trekt de leiding op de wielen met een snelheid van 4 volledige bewegingen per minuut.
  5.4.4. De leiding moet in S-vorm over de wielen worden aangebracht. Het uiteinde dat over het bovenste wiel loopt moet worden voorzien van een dusdanig zware massa dat de slang volledig tegen de wielen aanligt. Het over het onderste wiel lopende uiteinde wordt bevestigd aan de aandrijfmechaniek die zodanig dient te zijn afgesteld dat de slang een totale afstand van 1,2 meter in beide richtingen aflegt.
  5.5. Hydraulische drukproef en bepaling van de minimum barstdruk.
  5.5.1. De proef wordt uitgevoerd volgens de methode beschreven in de norm ISO 1402-1974.
  5.5.2. De proefdruk bedraagt 5000 kPa gedurende 10 minuten; daarbij mogen geen lekken optreden.
  5.5.3. De barstdruk moet ten minste 10.000 kPa bedragen.
  6. Koppelingen 6.1 De koppelingen moeten uit staal of messing zijn vervaardigd, met een oppervlak dat tegen corrosie bestand is.
  6.2. De koppelingen moeten van een type zijn om te solderen.
  6.2.1. De sluitmoer moet van schroefdraad met spoed UNF zijn voorzien.
  6.2.2. De afdichtingsconus moet van een type met een verticale halve hoek van 45 zijn.
  7. Buigzame leidingen (combinatie leiding-koppelingen).
  7.1. Behalve indien de versterking van de leiding uit materiaal vervaardigd is dat bestand is tegen corrosie, moet de koppeling zodanig gebouwd zijn dat het niet nodig is om zijn buitenste deklaag de verwijderen.
  7.2. De drukleiding moet onderworpen worden aan een test met drukimpulsen volgens de norm ISO 1436-1978.
  7.2.1. De test moet worden uitgevoerd met circulerende olie van 93 C en een druk van minstens 2500 kPa.
  7.2.2. De leiding moet onderworpen worden aan 150 000 impulsen.
  7.2.3. Na de impulstest dient de leiding de in paragraaf 5.5.2. genoemde drukproef te doorstaan.
  7.3. Gasdichtheidsproef.
  7.3.1. De buigzame leiding moet zonder lekken gedurende 5 minuten een gasdruk van 3 000 kPa kunnen doorstaan.
  8. Merken.
  8.1. Elke leiding moet met tussenruimten van ten hoogst 0,5 m voorzien zijn van de hierna volgende aanduidingen. Deze aanduidingen moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn en bestaan uit letters, cijfers of symbolen.
  8.1.1. Fabricatie- of handelsmerk.
  8.1.2. Fabricatiejaar.
  8.1.3. De afmeting en het type.
  8.1.4. Het identificatiemerk "LPG".
  8.2. Elke koppeling moet voorzien zijn van het fabricatie- of handelsmerk van de fabrikant die de assemblage verricht heeft.
  1) Wanneer de buigzame leidingen gebruikt worden bij temperaturen boven 80 C (in de motorruimte of als aansluitingen van het opwarmstuk van de uitlaat bij motoren met luchtkoeling) moet aangetoond worden dat ze aan deze hogere temperaturen weerstaan.

Artikel N7 Bijlage 7. Voorschriften betreffende de goedkeuring van de vulaansluiting voor het vullen op afstand.
  1. Vulaansluiting voor het vullen op afstand (1).
  1.1. De vulaansluiting voor het vullen op afstand moet weerstaan aan een druk van 5.000 kPa.
  1.2. De vulaansluiting voor het vullen op afstand moet van ten minste één gasdichte terugslagklep voorzien zijn.
  1.2.1. De gasdichte terugslagklep moet dicht zijn tot een druk van ten minste 50 kPa.
  1.2.2. De vulaansluiting voor het vullen op afstand moet voorzien zijn van een stop om elke indringing van onzuiverheden te voorkomen.
  1.2.3. Het apparaat moet voldoen aan de beproevingen vermeld in paragrafen 5, 6, 7 en 8 van bijlage 9.
  (1) De voorschriften betreffende de vorm van de vulaansluiting voor het vullen op afstand zouden moeten worden geharmoniseerd op internationaal vlak.

Artikel N8 Bijlage 8. Voorschriften betreffende de goedkeuring van de LPG reservoirs.
  1. Symbolen en termen die in deze bijlage worden gebruikt.
  De symbolen die worden gebruikt in deze bijlage hebben volgende betekenis:
  Ph: hydraulische persdruk (berekeningsdruk) in kPa.
  Pr: bij de barstproef gemeten barstdruk van het reservoir in kPa
  Prt: berekende minimale theoretische barstdruk in kPa.
  Re.: door de materiaalnorm gegarandeerde minimale rekgrens in N/mm2.
  Rm: door de materiaalnorm gegarandeerde minimale treksterkte in N/mm2.
  Rmt: werkelijke treksterkte in N/mm2.
  a: berekende minimale wanddikte van het cilindrisch gedeelte van het reservoir in mm.
  b: berekende minimale wanddikte van de ronde bodems van het reservoir in mm.
  D: nominale uitwendige diameter van het reservoir in mm.
  R: inwendige kromtestraal van de convexe bodem.
  r: straal van de inwendige verbinding van de convexe bodem.
  H: uitwendige hoogte van het ronde gedeelte van de bodem.
  h: hoogte van het cilindrisch gedeelte van de ronde bodem.
  L: lengte van het gedeelte van het lichaam van het reservoir dat aan de krachten weerstaat.
  A: verlenging van het basismetaal in %.
  Vo: oorspronkelijk volume van het reservoir op het ogenblik van de drukverhoging tijdens de barstproef.
  z: reductiefactor van de spanning.
  1.1. De representatieve reservoirs voor het type reservoir die zonder toebehoren, maar met afgesloten openingen, ter goedkeuring worden aangeboden moeten weerstaan aan een hydraulische drukpoef van 3 000 kPa voor klasse A.
  4 500 kPa voor klasse B
  zonder lekken of blijvende vervorming, overeenkomstig paragraaf 3.3. van deze bijlage.
  1.2. Op de reservoirs moet een referentiemerkteken worden aangebracht om een correcte installatie te waarborgen.
  1.3. Het reservoir moet zodanig zijn uitgerust dat de montage van een gasdichte doos over de toebehoren mogelijk is.
  1.4 Op elk reservoir moet de plaat voorzien in paragraaf 4.3 van dit Reglement zijn bevestigd.
  1.5 In de landen waar de veiligheidsklep niet in gebruik is, moet de opening van deze klep afgesloten zijn door middel van een gelaste bout.
  2. Technische voorschriften.
  2.1. Materialen.
  2.1.1. De materialen die gebruik worden voor het gedeelte van het lichaam van de reservoirs die moeten weerstaan aan de krachten, moeten van staal zijn overeenkomstig de specificatie van Euronorm 120-83 (er mogen nochtans andere staalsoorten worden gebruikt, op voorwaarde dat het reservoir dezelfde veiligheidskenmerken biedt, die moeten gewaarborgd worden door de overheid die de type goedkeuring aflevert).
  2.1.2. Alle delen van het lichaam van het reservoir en alle aan dit lichaam gelaste delen moeten uit onderling verenigbaar materiaal zijn.
  2.1.3. De lasstoffen moeten verenigbaar zijn met het staal, zodat lassingen worden verkregen met eigenschappen die gelijk zijn aan die welke voor de basisplaat zijn aangegeven.
  2.1.4. De fabrikant van de reservoirs moet attesten verkrijgen en verstrekken van de analyse van de gietelingen van het staal of ander materiaal dat is geleverd voor de fabrikatie van de gedeelten die aan druk worden onderworpen.
  2.1.5. De overheid die controle uitoefent, moet onafhankelijke analyses kunnen uitvoeren. Deze analyses moeten worden uitgevoerd op monsters ontleend, of wel aan het metaal dat aan de fabrikant van de reservoirs werd geleverd ofwel aan de voltooide reservoirs.
  2.1.6. De fabrikant moet de resultaten van de metallurgische en mechanische proeven en onderzoekingen met betrekking tot de lasnaden ter beschikking van de keuringsautoriteiten houden, alsmede hun de toegepaste lasmethoden en -procédés beschrijven die als representaief moeten kunnen worden beschouwd voor het bij de vervaardiging uitgevoerde laswerk.
  2.2. Warmtebehandeling.
  De delen van een reservoir die meer dan 5% werden vervormd moeten onderworpen worden aan de hierna volgende warmtebehandeling:
  normalisatie
  De reservoirs die wanddikte gelijk aan of meer dan 5 mm hebben mooeten onderworpen worden aan de hierna volgende warmtebehandeling:
  warm gewalsd en genormaliseerd metaal:
  stabilisatie
  of
  normalisatie
  andere nuanties:
  normalisatie
  De fabrikant moet de toegepaste warmtebehandeling waarborgen.
  De plaatselijke warmtebehandeling van een afgewerkte reservoir is niet toegelaten.
  2.3.1.1. Reservoirs zonder lengtelassen.

                              P .D           P .D
                               h              h
                     a =
  2.3.1.2. Reservoirs met lengtelassen.

                              P .D              P .D
                               h                 h
                     a =
  waarin z gelijk is aan:
  - 0,85 indien de fabrikant elke lasknooppunt radiografeert, 100 mm van de aangrenzende las in de lengterichting en 50 mm (25mm langs weerszijden van het knooppunt) van de aangrenzende cirkelvormige las.
  Deze controle moet worden uitgevoerd aan het begin en het einde van elke werkpost van de produktielijn, voor elke machine.
  - 1 indien elke lasknooppunt en 100 mm van de aanliggende las in de lengterichting en 50 mm (25 mm langs weerszijden van het knooppunt) van elke cirkelvormige las steekproefsgewijs aan een radiografische controle wordt onderworpen.
  Deze controle moet op 10% van de geproduceerde reservoirs worden uitgevoerd; de reservoirs die aan de proef worden onderworpen worden willekeurig gekozen.
  Indien de radiografische controles de in paragraaf 3.4.1.4. gedefinieerde onaanvaardbare gebreken aan het licht brengen, moeten alle noodzakelijke maatregelen getroffen worden om het betrokken produktielot te onderzoeken en de vastgestelde gebreken te niet doen.
  2.3.2. Afmetingen en berekening van de bodems (zie de figuren in aanhangsel 4 van deze bijlage).
  2.3.2.1. De bodems van de reservoirs moeten voldoen aan volgende voorwaarden:
  Torisch-bolvormige bodems.

  gelijktijdig geldende beperkingen:   0,003 D <= b <= 0,08 D
                                       r >= 0,1 d
                                       R <= D
                                       H >= 0,18 D
                                       r >= 2 b
                                       h >= 4 b
  Ellipsvormige bodems
  gelijktijdig geldende beperkingen:   0,003 D <= b <= 0,08 D
                                       H >= 0,18 D
                                       h >= 4 b


  2.3.2.2. De dikte van deze gebogen bodems mag nergens minder bedragen dan het het cijfer dat wordt berekend aan de hand van de onderstaande formule:

                                   P .D
                                    h
                               b = ------- C
                                   1 500 R
                                          e


  De coëfficiënt C, te gebruiken voor bodems zonder gaten, wordt weergegeven in de tabel in aanhangsel 4.
  De nominale dikte van de cilindrische rand van de bodems moet evenwel ten minste gelijk zijn aan de nominale dikte van het cilindrisch gedeelte.
  2.3.3. De nominale waarde van het cilindrisch gedeelte en van de gebogen bodem mag in geen geval minder bedragen dan:

                                D
                               --- + 1 mm
                               250


  met een minimum van 1,5 mm.
  2.3.4. Het lichaam van het reservoir mag uit twee of drie delen bestaan. De bodems moeten uit één stuk en convex zijn.
  2.4. Constructie en uitvoering.
  2.4.1. Algemene voorschriften.
  2.4.1.1. De fabrikant waarborgt onder zijn eigen verantwoordelijkheid dat hij beschikt over de fabricagemogelijkheden en -processen om reservoirs te kunnen maken die aan de voorschriften van dit besluit beantwoorden.
  2.4.1.2. De fabrikant moet er zich door middel van een passend toezicht van vergewisen dat de voor de fabricage gebruikte basisplaat en de diepgetrokken delen geen fouten vertonen waardoor de veiligheid van het reservoir bij gebruik in gevaar kan worden gebracht.
  2.4.2. Aan druk onderworpen delen.
  2.4.2.1. De fabrikant moet de toegepaste lasmethoden en -processen beschrijven en aangeven welke controles tijdens de produktie zijn verricht.
  2.4.2.2. De stomplassen moeten volgens een automatisch lasprocédé worden uitgevoerd.
  De stomplassen in de delen van het lichaam die aan druk moeten weerstaan mogen zich niet bevinden in zones waar vormvariaties zijn.
  De hoeklassen mogen geen stomplasse bedekken en moeten hiervan ten minste 10 mm verwijderd zijn.
  Verbindingslassen van elementen die deel uit maken van het lichaam van de fles moeten voldoen aan volgende voorwaarden (zie als voorbeeld gegeven figuren in aanhangsel 1 van deze bijlage):
  lasnaad in de lengterichting: deze las moet de vorm hebben van een stomplas over de volledige dikte van het metaal van de wand;
  lasnaad in de omtrekrichting, andere dan die welke de beschermkraag verbinden met de bovenkant van de bodem: deze las moet de vorm hebben van een stomplas over de volledige dikte van het metaal van de wand. Een overlas wordt beschouwd als een bijzondere stomplas;
  lasnaad in de omtrekrichting die de beschermkraag met de bovenkant van de bodem verbindt: deze las kan door stomplassen of door hoeklassen worden uitgevoerd. Bij stomplassen moet over de volledige dikte van het metaal van de wand worden gelast. Een overlas wordt beschouwd als een bijzondere stomplas.
  Opmerking: De voorschriften van deze alinea zijn niet van toepassing wanneer aan de bovenkant van het reservoir een borstplaat is bevestigd met een las die niet bijdraagt tot de dichtheid van het reservoir (zie figuur 2 van aanhangsel 1 van deze bijlage).
  Bij stomplassen mag het niveauverschil bij aangelaste randen niet meer bedragen dan 1/5 van de wanddikte (1/5a).
  2.4.2.3. Controle van de lasnaden.
  De fabrikant moet het nodige doen om ervoor te zorgen dat deze lasnaden een continue insmelting hebben zonder enige afwijking van de lasnaad en geen gebreken vertonen die nadelig zijn voor de veligheid van het reservoir bij gebruik.
  Voor de reservoirs die uit twee delen bestaan, wordt een radiografisch onderzoek aan de stomplasen in de omtrekrichting, behalve aan de lasnaden overeenkomstig figuur 2A van aanhangsel 1, over 100 mm uitgevoerd op een reservoir die bij het begin en op een reservoir die aan het einde van elke ploegdienst wordt gekozen tijdens de continue produktie en, bij onderbreking van de produktie gedurende meer dan 12 uur, ook op het eerst gelaste reservoir.
  2.4.2.4. Onrondheid.
  De onrondheid van het cilindervormig gedeelte van het reservoir moet worden beperkt tot een zodanige waarde dat het verschil tussen de grootste en de kleinste uitwendige middellijn van een zelfde rechte doorsnede niet meer dan 1% van het gemiddelde van deze middellijnen bedraagt.
  2.4.3. Toebehoren.
  2.4.3.1. Handgrepen en beschermkragen moeten zodanig zijn uitgevoerd en aan het lichaam van het reservoir zijn vastgelast dat er geen gevaarlijke spanningsconcentraties optreden en geen vochtophoping in de hand wordt gewerkt.
  2.4.3.2. De voet van het reservoir moet voldoende sterk zijn en gemaakt van een metaal dat zich leent voor combinatie met het soort staal van het reservoir. De vorm van de.voet moet aan het reservoir voldoende stabiliteit verlenen. De bovenrand van de voet moet op een zodanige manier aan het reservoir zijn vastgelast dat er geen vochtophoping in de hand wordt gewerkt en er geen water tussen de voet en het reservoir kan binnendringen.
  2.4.3.3. De eventuele identificatieplaatjes moeten zodanig op het lichaam worden aangebracht dat zij niet.kunnen worden verwijderd; ook moeten alle noodzakelijke maatregelen tegen corrosie worden genomen.
  2.4.3.4. Voor de voetstukken, handgrepen en beschermkragen mag evenwel gebruik worden gemaakt van ieder ander materiaal, op voorwaarde dat de stevigheid ervan gegarandeerd is en dat er geen gevaar voor corrosie van de bodem van het reservoir bestaat.
  3. Proeven.
  3.1. Mechanische proeven.
  3.1.1. Algemene voorschriften.
  3.1.1.1. De mechanische proeven worden, tenzij in deze bijlage anders is bepaald, uitgevoerd volgens de normen:
  a) Euronorm 2-80 of 11-80 voor de trekproef indien de dikte van het proefstuk ten minste 3 mm, respectievelijk minder dan 3 mm bedraagt;
  b) Euronorm 6-55 of 12-55 voor de buigproef indien de dikte van het proefstuk ten minste 3 mm, respectievelijk minder dan 3 mm bedraagt.
  3.1.1.2. Alle mechanische proeven ter controle van de kenmerkende eigenschappen van het basismetaal en de lasnaden van de delen van het lichaam die aan druk moeten weerstaan, worden verricht op proefstukken genomen van de voltooide reservoirs.
  3.1.2. Soorten proeven en beoordeling van de resultaten.
  3.1.2.1. Op ieder te onderzoek reservoir worden de volgende proeven uitgevoerd:
  Op reservoirs met lasnaden in lengterichting en omtrekrichting (reservoirs uit drie stukken) op proefstukken die op de in figuur 1 van aanhangsel 2 aangegeven plaats zijn genomen:
  1 trekproef: basismetaal van het cilindrisch gedeelte (a), indien zulks niet mogelijk is, in omtrekrichting;
  1 trekproef: basismetaal van de bodem (b);
  1 trekproef: loodrecht op de lasnaad in lengterichting (c);
  1 trekproef: loodrecht op de lasnaad in omtrekrichting (d);
  1 buigproef: over de keerzijde van de lasnaad in lengterichting (e);
  1 buigproef: over de bovenzijde van de lasnaad in lengterichting (f);
  1 buigproef: keerzijde van de lasnaad in omtrekrichting (g);
  1 buigproef: bovenzijde van de lasnaad in omtrekrichting (h);
  1 macroscopische proef: op het het gelaste gedeelte.
  3.1.2.1.1. Proefstukken die niet voldoende vlak zijn moeten door koudpersen worden vlakgemaakt.
  3.1.2.1.2. Bij elk proefstuk met een lasnaad moet de lasnaad worden bewerkt teneinde de overdikte weg te nemen.
  3.1.2.2. Trekproef.
  3.1.2.2.1. Trekproef op het basismetaal.
  3.1.2.2.1.1. De uitvoeringsmodaliteiten voor de trekproef zijn die welke zijn neergelegd in de desbetreffende Euronorm overeenkomstig 3.1.1.1.
  De beide zijden van het proefstuk die overeenkomen met de binnen- en buitenwand van het reservoir moeten niet zijn bewerkt.
  3.1.2.2.1.2. De waarden die zijn bepaald voor de rekgrens, de treksterkte en de rek na barsten van het basismetaal moeten voldoen aan Euronorm 120-83 (tabel II).
  3.1.2.2.2. Trekproef op de lasnaden.
  3.1.2.2.2.1. De trekproef loodrecht op de lasnaad moet worden verricht op een proefstuk met een beperkte doorsnede van 25 mm breed en met een lengte die tot 15 mm voorbij de randen van de lasnaad gaat, conform de figuur 2 in aanhangsel 3 van deze bijlage. Voorbij dit centrale gedeelte moet de breedte van het proefstuk geleidelijk toenemen.
  3.1.2.2.2.2. De verkregen waarde voor de treksterkte moet ten minste gelijk zijn aan de voor het basismetaal gegarandeerde waarde, ongeacht de plaats van de doorsnede van het centrale gedeelte van het proefstuk waar de breuk zich voordoet.
  3.1.2.3. Buigproef.
  3.1.2.3.1. De uitvoeringsmodaliteiten voor de buigproef zijn die welke zijn neergelegd in de desbetreffende Euronorm overeenkomstig de aanduidingen van pargraaf 3.1.1.1.. De buigproef wordt echter uitgevoerd op een proefstuk met een breedte van 25 mm in de dwarsrichting van de lasnaad. De stempel moet tijdens de uitvoering van de proef in het midden van de lasnaad zijn gelegen.
  3.1.2.3.2. Het proefstuk mag geen scheurvorming vertonen wanneer het wordt gebogen om een stempel tot dat de afstand tussen de binnenranden ten hoogste gelijk is aan de diameter van de stempel (zie figuur 1 in aanhangsel 3 van deze bijlage).
  3.1.2.3.3. De verhouding(en) tussen de stempeldiameter en de dikte van het proestuk mag niet groter zijn dan de in onderstaande tabel vermelde waarden:

        Effectieve treksterkte                     Waarde na n
              Rt (N/mm2)
       
      tot en met 440                                    2
      meer dan 440 tot en met 520                       3
      meer dan 520                                      4


  3.2. Hydraulische barstproef.
  3.2.1. Beproevingsvoorwaarden.
  De aan deze proef onderworpen reservoirs moeten voorzien zijn van de aanduidingen, die voorgeschreven zijn voor het aan druk onderworpen gedeelte van het reservoir.
  3 2.1.1. De hydraulische barstproef moet worden verricht met een installatie waarbij de druk regelmatig kan worden opgevoerd tot het ogenblik van de barst en de verandering van de druk. in de tijd kan worden geregistreerd.
  3.2.2. Interpretatie van de resultaten van de proef.
  3.2.2.1. Voor de interpretatie van de hydraulische drukproef wordt uitgegaan van de volgende criteria:
  3.2.2.1.1. Toeneming van het volume van de fles; deze is gelijk aan:
  de gebruikte hoeveelheid water tussen het begin van de opvoering van de druk en de barst voor reservoirs met een inhoud >= 6,5 dm3;
  het verschil in volume van het reservoir tussen het begin en het einde van de proef voor reservoirs met een inhoud < dan 6,5 dm3.
  3.2.2.1.2. Onderzoek van de scheur en van de vorm van de randen daarvan.
  barstdruk;
  de gebruikte hoeveelheid water tussen het begin van de opvoering van de druk en de barst, die de volumetrische uitzetting van het reservoir aanduidt;
  onderzoek van de scheur en van de vorm van de randen daarvan.
  3.2.3. Aannemingscriteria 3.2.3.1. De gemeten barstdruk (Pr) mag in geen geval lager zijn dan 9/4 van de beproevingsdruk (Ph).
  3.2.3.2. De relatieve volumeverandering van het reservoir bij barst moet niet lager zijn dan:
  - 20% indien de lengte van het reservoir groter is dan de diameter;
  - 17% indien de lengte van het reservoir gelijk is aan of kleiner dan de diameter.
  3.2.3.3. Bij de barstdruk mogen geen stukken van het reservoir afbreken.
  3.2.3.3.1. Het belangrijkste deel van de breuk mag niet broos zijn, dit wil zeggen dat de breukranden niet mogen radiaal gericht zijn, maar schuin moeten staan ten opzichte van een diametraal vlak en over de gehele dikte een insnoering vertonen.
  3.2.3.3 2. De breuk mag geen uitgesproken metaalfout te zien geven.
  3.3. Hydraulische persproef.
  3.3.1. De waterdruk in het reservoir moet gelijkmatig opgevoerd worden tot de persdruk bereikt is.
  3.3.2. De druk in het reservoir moet zolang worden gehandhaafd, tot duidelijk blijkt dat de druk geen neiging tot dalen vertoont en de dichtheid van het reservoir met voldoende zekerheid is komen vast te staan.
  3.3.3. Het reservoir mag na de proef geen tekenen van blijvende vervorming vertonen.
  3.3.4. Ieder getest reservoir dat niet aan de proef voldoet, moet worden afgekeurd.
  3.4. Niet-destructief onderzoek.
  3.4.1. Radiografisch onderzoek.
  3.4.1.1. De lassen moeten radiografisch worden onderzocht volgens de voorschriften van de norm ISO R 1106-1969, volgens de klasse B.
  3.4.1.2. Wanneer een aanwijzer van het draadtype wordt gebruikt, mag de kleinst zichtbare draadmiddellijn 0,10 mm niet overschrijden.
  Wanneer een gegradueerde aanwijzer van het gatentype wordt gebruikt, mag de kleinste zichtbare gatmiddellijn 0,25 mm niet overschrijden.
  3.4.1.3. De beoordeling van de radiografieën. van de lassen gebeurt aan de hand van de originele opnamen volgens de werkwijze aanbevolen in de norm ISO 2504-1973, paragraaaf 6.
  3.4.1.4. De volgende fouten worden niet aanvaard:
  scheurvorming, onvoldoende hechting of onvoldoende doorlassing van de las.
  De onderstaande insluitingen worden onaanvaardbaar geacht:
  elke langgerekte insluitng of elke groep afgeronde insluitingen op een rij, wanneer de gezamelijke lengte (over een laslengte 12 a) meer dan 6 mm bedraagt;
  elke gasinsluiting met een afmeting groter dan a:3 mm, die meer dan 25 mm verwijderd is van enig andere gasinsluiting;
  alle andere gasinsluitingen met een afmeting groter dan a:4 mm;
  gasinsluitingen, beschouwd over elke laslengte van 100 mm, waarvan de totale oppervlakte van alle afbeeldingen groter is dan 2 a mm2.
  3.4.2. Macroscopisch onderzoek.
  Het macroscopisch onderzoek van een volledige dwarsdoorsnede van de las moet op het geëtste oppervlak van het macropreparaat een volledig doorlassing vertonen en mag geen enkel bindingsfout vertonen noch een belangrijke insluiting of andere fouten.
  Bij twijfel moet worden overgegaan tot een microscopisch onderzoek van de twijfelachtige zone.
  3.5. Onderzoek van de buitenkant van de las.
  3.5.1. Dit onderzoek moet plaats vinden op de voltooide las. Het te onderzoeken lasoppervlak moet helder verlicht zijn; het moet vrij zijn van vet, stof, slakresten of enige beschermende laag.
  3.5.2. De overgang tussen lasmetaal en basismetaal moet vloeiend en vrij van inkartelingen zijn. In het lasoppervlak en het aangrenzende wandoppervlak mogen geen scheuren, kerven of poreusheid voorkomen. Het lasoppervlak moet gelijkmatig en effen zijn. De overdikte bij stompe lassen mag niet meer bedragen dan één vierde van de lasbreedte.
  Aanhangsel 1.
  Figuur 1. Lasnaad in de lengterichting.
  Figuur 2. Lasnaad in de omtrekrichting.
  Figuur 3. (Figuren niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-11-1996, p. 29589).
  Aanhangsel 2.
  (c) trekproefstuk.
  (e) buigproefstuk (boven de lasnaad).
  (f) buigproefstuk (onder de lasnaad).
  (d) trekproefstuk.
  (g) buigproefstuk (boven de lasnaad).
  (h) buigproefstuk (onder de lasnaad).
  Figuur 1. Proefstukken uit driedelige reservoirs. (Figuren niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-11-1996, p. 29589).
  Aanhangsel 3.
  Figuur 1. Schema van de buigproef.
  Figuur 2. Proefstuk voor de trekproef loodrecht op de lasnaad. (Figuren niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-11-1996, p. 29590).
  Aanhangsel 4.
  Ellipsvormige bodems.
  Torisch-bolvormige bodems. (Figuren niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-11-1996, p. 29590).
  Coëfficient C voor gebogen bodems.

  H/D    P /10 f = 0,001  P /10 f = 0,0012  P /10 f = 0,0015  P /10 f = 0,002
          h                h                 h                 h
         b/D           C  b/D            C  b/D            C  b/D           C
  0,180                                     0,00211     2,81  0,00255    2,55
  0,200                                                       0,00218    2,18
       
         P /10 f = 0,003  P /10 f = 0,004   P /10 f = 0,005   P /10 f = 0,01
          h                h                 h                 h
  H/D    b/D           C  b/D            C  b/D            C  b/D           C
       
  0,180  0,00340    2,27  0,00423     2,12  0,00500     2,00  0,0088     1,76
  0,190  0,00318    2,11  0,00395     1,98
  0,200  0,00290    1,93  0,00364     1,82  0,00433     1,73  0,0077     1,54
  0,210  0,00273    1,82  0,00342     1,71
  0,220  0,00256    1,71  0,00320     1,60  0,00382     1,53  0,0068     1,38
  0,230  0,00236    1,57  0,00295     1,48
  0,240  0,00220    1,47  0,00276     1,38
  0,250                                     0,00307     1,23  0,0055     1,10
  0,300                                     0,00220     0,88  0,00395    0,79
  0,350                                                       0,00325    0,65
  0,400                                                       0,0030     0,60
  0,450                                                       0,0028     0,56
  0,500                                                       0,0027     0,54
       
         P /10 f = 0,02   P /10 f = 0,05    P /10 f = 0,1     P /10 f = 0,2
          h                h                 h                 h
  H/D    b/D           C  b/D            C  b/D            C  b/D           C
       
  0,180  0,0160     1,60  0,0366      1,46  0,0730      1,46  0,147      1,47
  0,200  0,0141     1,41  0,0330      1,32  0,0650      1,30  0,30       1,30
  0,220  0,0125     1,25  0,0292      1,17  0,0585      1,17  0,118      1,18
  0,250  0,0102     1,02  0,0250      1,00  0,0500      1,00  0,101      1,01
  0,300  0,0077     0,77  0,0193      0,77  0,0385      0,77  0,077      0,77
  0,350  0,0065     0,65  0,0162      0,65  0,0325      0,65  0,065      0,65
  0,400  0,0059     0,59  0,0149      0,60  0,0295      0,59  0,059      0,59
  0,450  0,0056     0,56  0,0140      0,56  0,0280      0,56  0,056      0,56
  0,500  0,0054     0,54  0,0136      0,54  0,0270      0,54  0,054      0,54
       
         P /10 f = 0,5
          h
  H/D    b/D           C
       
  0,350  0,163      0,85
  0,400  0,150      0,80
  0,450  0,140      0,56
  0,500  0,136      0,54
       
       Re
  f = ---- in N/mm2
       4/3



Artikel N9 Bijlage 9. - (1) Werkwijze voor de uitvoering van de dichtheidsproef.
  1. Algemene voorschriften.
  1.1. De dichtheidsbeproevingen moeten met een gas onder druk (zoals stikstof of lucht) worden uitgevoerd.
  1.2. Voor de hydraulische proefpersing mag water of een andere vloeistof worden gebruikt.
  1.3. De duur van de dichtheidsbeproeving en van de hydraulische drukproef mag niet minder dan eén minuut bedragen.
  2. Beproeving van de duurzaamheid van synthetische materialen.
  2.1. Een bestanddeel uit synthetisch materiaal in contact met LPG mag geen volumeverandering nog overdreven gewichtsverlies vertonen na onderdompeling in vloeibaar hexaan gedurende 70 uur bij een temperatuur van 23 +- 2 C.
  2.2. Men neemt aan dat is voldaan aan de bepalingen van voorgaande paragraaf indien de volumeverandering met niet meer dan 25% toeneemt of met niet meer dan 1% afneemt en indien het gewichtsverlies niet meer dan 10% bedraagt.
  3. Verouderingsproef.
  3.1. Een bestanddeel uit synthetisch materiaal, dat onderhevig kan zijn aan veroudering mag na een blootstelling gedurende 96 uur aan zuurstof bij een overdruk van 2 100 kPa en een temperatuur van 70 C., geen barsten of andere zichtbare tekens van beschadiging vertonen.
  4. Materialen.
  4.1. Alle materialen (met uitzondering van de klep van een een ventiel of van een klepdoorgang uit zacht materiaal, van een dichtheidsring of pakking moeten aan volgende voorwaarden voldoen:
  a) het smeltpunt mag niet lager zijn dan 500 C;
  b) de trekweerstand mag niet lager zijn dan 210 N/mm2;
  c) de rek mag niet lager zijn dan 10% op 50 mm.
  5. Hydrostatische sterkteproef.
  De vulklep, de peilmeter, de afsluitklep en de dienstklep moeten zonder breuk of blijvende vervorming een hydrostatische druk van 5 000 kPa. kunnen verdragen.
  De te beproeven monsters, die vooraf zijn onderworpen aan de duurzaamheidsproef beschreven in paragraaf 2 worden aangesloten op een bron van hydrostatische druk. Een afsluiter en een geijkte manometer met een schaalverdeling tot minstens 1 1/2 en hoogstens 2 maal de beproevingsdruk, worden in de vloeistof-toevoerleiding naar het monster gemonteerd. De manometer wordt tussen de afsluiter en het te beproeven monster geplaatst.
  6. Uitwendige lekkageproef.
  6.1. De dienstklep of vulkraan mogen niet lekken langs de klepsteel, het klephuis of de andere afdichtingen en geen aanwijzing van poreusheid in de gietstukken vertonen als ze aan de beproeving worden onderworpen zoals beschreven in paragraaf 6.2, op elke aerostattische druk gelegen tussen 0 en 4500 kPa.
  6.2. Tijdens de beproeving moet het monster van de kraan of klep worden aangesloten op een bron van aerostatische druk.
  Een afstandsbediende afsluiter en een geijkte manometer, met een schaalverdeling tot minstens 1 1/2 en hoogstens 2 maal de beproevingsdruk, worden in de gastoevoerleiding naar het monster gebracht. De manometer wordt tussen de afsluiter en het te beproeven monster geplaatst. Gedurende de tijd dat het te onderzoeken monster onder de beproevingsdruk staat moet het ondergedompeld worden in water teneinde eventuele lekken te kunnen vaststellen. Lekken kunnen ook worden opgespoord door alle verbindingen en oppervlakken van gietstukken te bestrijken met een zeepoplossing of een ander voor het opsporen van lekken gebruikelijk middel.
  7. Lekkageproef op de klepdoorgang.
  7.1. De hiernavolgende lekkageproef op de klepdoorgang moet worden uitgevoerd op monsters van dienstklep of vulkraan die vooraf werden onderworpen aan de uitwendige lekkageproef van paragraaf 6.
  7.2. De klepdoorgang van een afsluiter in gesloten toestand mag niet lekken als ze wordt beproefd bij elke gasdruk gelegen tussen 0 en 4500 kPa.
  7.3. Een terugslagklep met een klepdoorgang uit zacht materiaal mag in gesloten toestand niet lekken als ze wordt beproefd bij elke gasdruk tussen 50 en 4500 kPa.
  7.4. Een terugslagklep met een klepdoorgang van metaal-op-metaal, die onderworpen wordt aan een gasdruk van 138 kPa (overdruk) mag niet meer lekken dan 0,47 dm3/s.
  7.5. De klepdoorgang van de terugslagklep die een geheel vormt met de vulkraan mag in gesloten toestand niet lekken als ze wordt beproefd bij elke gasdruk tussen 50 en 4500 kPa.
  7.6. Tijdens de dichtheidsproef van de klepdoorgang moet de inlaat van het te onderzoeken monster worden aangesloten op een bron van aerostatische druk, de klep blijft in gesloten toestand en de uitlaatzijde blijft vrij.
  Een afstandsbediende afsluiter en een geijkte manometer, met een schaalverdeling tot minstens 1 1/2 en hoogstens 2 maal de beproevingsdruk, worden in de gastoevoerleiding naar het monster gebracht. De manometer wordt tussen de afsluiter en het te beproeven monster geplaatst. behoudens tegenaanduiding moet het te onderzoeken monster dat onder de beproevingsdruk staat, tijdens de proef, worden ondergedompeld in water, teneinde eventuele lekken te kunnen vaststellen.
  7.7. Om de overeenstemming met de bepalingen van de paragrafen 7.2 en 7.3 te bepalen wordt een stuk pijp aan de uitlaatzijde van het monster bevestigd. Het open eind van deze uitlaatpijp wordt in een omgekeerde van maatstrepen voorziene cilinder aangebracht, die gecalibreerd is in cm3. De omgekeerde cilinder wordt onderaan afgesloten door middel van een waterslot. De apparatuur wordt zodanig afgesteld dat 1) het eind van de uitlaatpijp ongeveer 13 mm boven het waterpeil in de cilinder uitsteekt, en 2) het water binnen en buiten de cilinder op hetzelfde peil staat. Na deze afstellingen wordt het waterpeil in de cilinder opgemeten. Dan wordt met lucht of stikstof op de inlaatzijde van het gesloten afsluitorgaan de opgegeven beproevingsdruk aangebracht voor een periode van ten minste 2 minuten. Gedurende deze tijd wordt de vertikale stand van de cilinder indien nodig bijgesteld om binnen en buiten hetzelfde waterniveau te behouden.
  Aan het eind van de beproevingsperiode en met het water binnen en buiten de cilinder op hetzelfde peil, wordt het waterpeil in de cilinder opnieuw gemeten. Uit de volumeverandering binnen in de cilinder wordt met de volgende formule de hoeveelheid lekkage berekend:

                               60    273     P
                     V  = V . --- . (--- . ----)
                      1    t
                               t      T    1016


  waarbij
  V1: hoeveelheid lekkage, in cm3 lucht of stikstof per uur
  Vt: volumetoename in de gegradueerde kolom gedurende de proef
  t: beproevingstijd in minuten
  P: barometerdruk gedurende de proef, in mbar
  T: omgevingstemperatuur tijdens de proef, in K
  7.8. In plaats van de hierboven omschreven methode mag het debiet van de lekkage ook gemeten worden met behulp van een debietmeter, die aan de inlaatzijde van het te beproeven afsluitorgaan is geplaatst. De debietmeter moet in staat zijn om het voor het gebruikte proefgas maximaal toegestaan lekdebiet nauwkeurig aan te geven.
  8. Weerstandsproeven.
  8.1. Een vul- of dienstkraan moeten aan de voorschriften betreffende dichtheid kunnen voldoen, vermeld in de paragrafen 6.1. en 7.2., of 6.1. en 7.4., na onderworpen te zijn geweest aan 6 000 cycli van openen en sluiten.
  8.2. Een LPG-afsluiklep moet worden beproefd met afgesloten uitgang. Het lichaam van de klep moet gevuld worden met n-hexaan en de ingang moet worden onderworpen aan een druk van 4 500 kPa.
  8.3. De weerstandsproef moet worden uitgevoerd aan een tempo van niet meer dan 10 cycli per minuut. Voor een LPG-afsluitklep moet het sluitingskoppel worden aangepast aan de afmetingen van het wiel, de sleutel of elk ander middel dat voor de beweging van de klep wordt gebruikt.
  8.4. De toegepaste proeven voor de uitwendige lekkageproef en de lekkageproef op de klepdoorgang, beschreven in "Uitwendige lekkageproef" (par. 6) en "Lekkageproef op de klepdoorgang" (par. 7) moeten onmiddellijk na de weerstandsproef worden uitgevoerd.
  9. Beproeving van de werking van de veiligheidskleppen.
  9.1. Voor de beproeving van de beginafvoerdruk en hersluitdruk moeten drie proefexemplaren van veiligheidsklep voor elke grootte, model en afsteldruk worden gebruikt. Dezelfde drie kleppen moeten worden gebruikt voor de debietproeven en voor de andere waarnemingen beschreven in volgende paragrafen. Op elk van de drie kleppen die overeenkomstig de proeven nr. 1 en nr. 3 van de paragrafen 9.2 en 9.4 werden beproefd, moeten ten minste twee achtereenvolgende waarnemingen van beginafvoerdruk en hersluitdruk worden gedaan.
  9.2. Beginafvoerdruk en hersluitdruk van veiligheidskleppen: proef nr. 1.
  9.2.1. Vooraleer ze aan een debietproef te onderwerpen controleert men elk van de drie proefexemplaren van veiligheidsklep van een gegeven grootte, model en afsteldruk om de beginafvoerdruk te bepalen. Deze moet gelegen zijn op minder dan 3% van het gemiddelde voor de drie monsters; tevens moet de beginafvoerdruk van elk der kleppen tussen 95% en 105% van de op de klep aangegeven afsteldruk liggen.
  9.2.2. De hersluitdruk van een klep moet, vooraleer ze onderworpen werd aan een debietproef, ten minste 90% van de bij de aanvang geconstateerde beginafvoerdruk bedragen.
  9.2.3. De veiligheidsklep wordt met luchtdruk of een andere bron van aërostatische druk verbonden die in staat is een druk te onderhouden die ten minste 500 kPa boven de op de beproefde klep aangegeven insteldruk ligt. Een afsluiter en een geijkte manometer, met een schaalverdeling tot minstens 1 1/2 en hoogstens 2 maal de proefdruk, worden in de drukleiding aangebracht, de manometer wordt tussen de te beproeven klep en de afsluiter geplaatst. Beginafvoerdruk en hersluitdruk dienen te worden waargenomen met behulp van een waterkolom van niet meer dan 100 mm hoogte.
  9.2.4. Na de beginafvoerdruk te hebben genoteerd laat men de druk voldoende stijgen om er zeker van te zijn dat de klep niet meer op de zitting aanligt. Vervolgens wordt de afsluiter gesloten, terwijl men de waterkolom en de manometer nauwlettend gadeslaat. De druk waarbij geen bellen meer doorheen de waterkolom passeren wordt genoteerd als de hersluitdruk.
  9.3. Debiet van de veiligheidskleppen: proef nr. 2.
  9.3.1. Het afvoerdebiet van de drie proefexemplaren van elke veiligheidsklep van een gegeven grootte, model en afsteldruk mag niet meer dan 10% afwijken van het grootste debiet van de drie.
  9.3.2. Gedurende de debietproeven mag geen "dansen" van de klep optreden of zich een andere abnormale werking voordoen.
  9.3.3. De hersluitdruk van elke klep moet ten minste 65% van de bij de aanvang genoteerde beginafvoerdruk bedragen.
  9.3.4. De debietproef op een veiligheidsklep moet worden uitgevoerd bij een debietmeetdruk gelijk aan 120% van de maximale afsteldruk.
  9.3.5. De debietproef moet uitgevoerd worden met behulp van een daartoe geschikte en geijkte meetflens die met een luchtaansluiting van voldoende capaciteit en druk verbonden is. Een ander systeem voor debetmeting en een ander gasvormig stromingsmedium mogen worden gebruikt indien de eindresultaten dezelfde zijn.
  9.3.6. De debietmeter moet uitgerust zijn met pijpstukken van voldoende lengte voor en achter de meetflens, of met elk ander apparaat, geleidingsvinnen inbegrepen, die - voor de verhoudingen opening/pijpdiameter die gaan gebruikt worden - de werveling voorkomen van het gas dat naar de opening stroomt. De flenzen waartussen de meetflens is ingeklemd moeten voorzien zijn van drukafnameleidingen. Deze zijn verbonden met een manometer die het drukverschil over de meetflens aangeeft en de afgelezen waarde wordt gebruikt voor de berekening van het debiet. Een geijkte manometer moet worden gemonteerd in de leiding achter de meetflens.
  Deze manometer geeft de stromingsdruk aan en de afgelezen waarde wordt gebruikt voor de berekening van het debiet.
  9.3.7. De temperatuur van de lucht die naar de veiligheidsklep stroomt wordt gemeten met behulp van een thermometer in de leiding achter de meetflens. Men moet met de waarde die dit apparaat meet rekening houden bij de correctieberekening van de temperatuur van het luchtdebiet om deze te herleiden naar een referentietemperatuur van 15 C.
  Om de heersende atmosferische druk op te meten moet een barometer aanwezig zijn. De waarde aangeduid door de barometer moet gevoegd worden bij deze van de manometer die de stromingsdruk van de lucht aangeeft. Deze absolute druk moet ook worden gebruikt bij de berekening van het debiet. De druk van de lucht die naar de meetflens stroomt wordt geregeld met behulp van een daarvoor geschikte kraan, die vóór de meetflens in de luchttoevoerleiding is aangebracht. De te beproeven veiligheidsklep wordt aangesloten op de uitlaatzijde van de meetflens.
  9.3.8. Nadat alle voorbereidingen voor de debietproef werden getroffen, opent men langzaam de afsluiter in de luchttoevoerleiding en laat de druk onder de te beproeven klep opkomen, tot de druk voor de debietmeting.
  Voordat deze is bereikt, wordt de druk waarbij de klep zich ineens opent opgetekend als openingsdruk.
  9.3.9. De druk voor de debietmeting moet zolang constant gehouden worden, dat de aanwijzingen van de instrumenten zich stabiliseren. De waarden aangeduid door de manometer voor de druk van de luchtstroom, de manometer voor het drukverschil en de temperatuurmeter van de luchtstroom, moeten gelijktijdig afgelezen worden. Vervolgens laat men de druk dalen tot geen verdere afvoer wordt geconstateerd; de corresponderende druk wordt genoteerd als hersluitingsdruk van de klep.
  9.3.10. Met de genoteerde gegevens en de bekende stromingscoëfficient van de meetflens berekent men via de volgende formule het afvoerdebiet van de geteste veiligheidsklep:

                         F  x F  x sqrt(0,1 h x p)
                          b    t
                     Q =
  hierin is:
  Q: afvoerdebiet van de veiligheidsklep, in m3 lucht/min., bij 100 kPa absolute druk en 15 C
  Fb: stromingscoëfficient van de meetflens bij 100 kPa absolute druk en 15 C
  Ft: temperatuurfactor van de luchtstroom; om de gemeten temperatuur om te rekenen naar 15 C
  h : het drukverschil over de meetflens, in kPa
  P :de druk van de lucht die naar de veiligheidsklep gaat, in kPa absolute druk (gemeten manometrische druk + gemeten atmosferische druk)
  60: deler in de vergelijking die gebruik wordt voor de omzetting van m3/h in m3/min.
  9.3.11. Het gemiddelde van de afvoerdebieten van de drie veiligheidskleppen, afgerond naar de dichtstbijgelegen schijf van vijf eenheden, wordt als luchtafvoerdebiet van het kleptype van gegeven grootte, model en afsteldruk aangenomen.
  9.4. Nieuwe controle van de beginafvoerdrukken en de hersluitingsdrukken van veiligheidskleppen: proef nr. 3.
  9.4.1. Na de debietproeven moet de waargenomen beginafvoerdruk ten minste 85%, en de hersluitdruk ten minste 80% bedragen van respectievelijk de beginafvoerdruk en hersluitdruk die tijdens de eerste proef, beschreven in proef nr. 1 (par. 9.2), werden opgetekend.
  9.4.2. Deze proeven moeten worden ongeveer één uur na de debietproef worden uitgevoerd, en de werkwijze is deze beschreven voor proef nr. 1 (par. 9.2).
  10. Proef op de werking van de doorstroombegrenzer.
  10.1. Het debiet waarbij de doorstroombegrenzer sluit mag niet meer dan 10% boven en 20% beneden het nominaal sluitdebiet liggen dat door de fabrikant wordt opgegeven. De doorstroombegrenzer moet automatisch sluiten bij een drukverschil over het toebehoren van niet meer dan 103 kPa tijdens de hieronder beschreven werkingsproeven.
  10.2. Drie proefexemplaren van elke grootte en model van doorstroombegrenzer moeten aan deze proeven worden onderworpen.
  Een doorstroombegrenzer die uitsluitend voor gebruik met vloeistof bestemd is, wordt met water beproefd; in de andere gevallen moet de proef zowel met water als met lucht uitgevoerd worden. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 10.3., moeten afzonderlijke proeven worden uitgevoerd op elk proefexemplaar wanneer het verticaal opwaarts, verticaal omlaag gericht en horizontaal gemonteerd is. De proeven met lucht moeten uitgevoerd worden zonder dat op de uitlaatzijde van het te beproeven monster een pijp of een ander weerstand biedend element aangesloten is.
  10.3. Een klep die bestemd is om enkel in één stand te worden gemonteerd moet enkel in die stand worden beproefd.
  10.4. Bij de proef met lucht wordt gebruik gemaakt van een doelmatige en geijkte debietmeter (type meetflens), verbonden aan een luchtbron met voldoende capaciteit en druk.
  10.5. Het te beproeven monster wordt verbonden met de uitlaatzijde van de debietmeter. Een manometer of een andere geijkte drukmeetapparatuur, waarvan de schaalverdeling incrementen heeft van niet meer dan 3 kPa, wordt tussen de meetflens en het te beproeven monster aangesloten.
  10.6. Men laat langzaam de luchttoevoer doorheen de debietmeter toenemen, tot dat de doorstroombegrenzer zich sluit. Op dat moment wordt het drukverschil over de meetflens en de druk aangegeven door de meter, opgetekend. Met behulp van deze gegevens wordt het debiet op het moment van sluiten berekend.
  10.7. Het gebruik van een debietmeter van een ander type en van een ander gas dan lucht is toegestaan.
  10.8. Bij de proef met water wordt gebruik gemaakt van een vloeistofdebietmeter (of een gelijkwaardig instrument), aangebracht in een leidingsysteem dat een voldoende druk kan leveren om het benodigd debiet te bekomen. Stroomafwaarts van de stromingsmeter wordt een piëzometer aangebracht, of een pijp die ten minste een maat groter is dan de te beproeven doorstroombegrenzer. Tussen de stromingsmeter en de piëzometer wordt een regelkraan geplaatst. Een buigzame slang, een veiligheidsklep tegen hydrostatische overdruk of beide mogen worden gebruikt om de snelle drukstijging door het sluiten van de doorstroombegrenzer te beperken.
  10.9. Het te beproeven monster wordt aan de uitlaatzijde van de piëzometer aangebracht. Een manometer of een geijkte drukmeter van het vertragend type (die aflezingen toelaat tussen 0 en 1440 kPa) moet verbonden worden met een drukafnamepunt tussen de piëzometer en het te beproeven monster om de sluitdruk te kunnen waarnemen. Voor de verbinding tussen de drukmeter en het drukafnamepunt wordt gebruik gemaakt van een rubberslang; een afsluiter aan de inlaat van de drukmeter laat toe het systeem te ontluchten.
  10.10. Voor de proef moet de regelkraan een weinig worden geopend om de lucht via de geopende afsluiter aan de drukmeter uit het systeem te verwijderen. De afsluiter aan de drukmeter wordt vervolgens gesloten. Dan laat men het debiet langzaam toenemen totdat de doorstroombegrenzer sluit.
  Op dat moment wordt het debiet en de sluitdruk opgetekend. Gedurende de proef moet de manometer op dezelfde hoogte gemonteerd zijn als het te beproeven monster. Wanneer de doorstroombegrenzer gesloten is, wordt het lekdebiet via het buisje opgetekend.
  10.11. Een doorstroombegrenzer die een geheel vormt met de vulkep moet automatisch sluiten bij een drukverschil van niet meer dan 138 kPa bij de hieronder beschreven proef.
  10.12. Drie exemplaren van elke grootte van klep moet aan deze proeven worden onderworpen. De proef moet met lucht worden uitgevoerd, en afzonderlijke proeven moeten worden verricht op elk monster dat verticaal en horizontaal wordt geinstalleerd. De werkwijze is deze beschreven in paragrafen 10.4. tot 10.7., met een buigzame leiding van de vulklep verbonden aan het te beproeven monster en met de terugslagklep in open stand.
  11. Proef op de werking bij verschillende vuldebieten
  11.1. De goede werking van het apparaat dat de vulling van het reservoir begrenst, moet gecontroleerd worden bij vuldebieten van 20, 50 en 80 l/min.
  12. Weerstandsproef voor het apparaat dat de vulling begrenst
  Het apparaat dat de vulling van het reservoir begrenst moet 6000 volledige cycli tot de maximale vullingsgraad kunnen doorstaan.
  Opmerking.
  1) Veel van de technische voorschriften uit deze bijlage betreffende de kleppen komen uit de normen van de "Underwriters' Laboratories (UL) (proeflaboratoria).
  In deze nota werd als referentie een conversietabel opgenomen van alle voorschriften die uit de UL normen werden overgenomen.

   Paragrafen van        Overeenstemmende paragraaf
     bijlage 9        van de UL-norm en publikatiejaar
                      Paragrafen             UL-normen     Jaar
       
         2                 4                  UL 565       1973
         3                 4                  UL 565       1973
         4                 5                  UL 125       1974
                        en 4                  UL 565       1973
         5                18                  UL 125       1974
         6                15                  UL 125       1974
         7                16                  UL 125       1974
         8                17                  UL 125       1974
         9.1              10                  UL 132       1973
         9.2              11                  UL 132       1973
         9.3              12                  UL 132       1973
         9.4              13                  UL 132       1973
        10                19                  UL 125       1974


  (1) Zie opmerking aan het einde van deze bijlage.

Artikel N10 Bijlage 10. - Werkwijze voor de trillingsproef.
  1. Doelstelling.
  Elk apparaat dat de vullingsgraad van het reservoir begrenst en door middel van een vlotter functioneert, moet eerst onderworpen worden aan beproevingen waarmee wordt nagegaan:
  - of het de vullingsgraad van het reservoir beperkt tot ten hoogste 80% van zijn inhoud,
  - of het, in gesloten toestand, geen vuldebiet doorlaat dat groter is dan 1 liter/minuut.
  Daarna moet het onderworpen worden aan één van de hieronder beschreven beproevingsmethodes, teneinde te garanderen dat het aan de voorziene dynamische trillingskrachten kan weerstaan en dat de trillingen van het systeem in werking geen vermindering van de prestaties of een slechte werking kunnen veroorzaken.
  2. Uitrusting en montagetechnieken.
  Het te beproeven monster moet met behulp van zijn gewoon montagetoebehoren aan de trillingsmachine bevestigd worden; hetzij rechtstreeks aan de trillingsgenerator of op een transmissietafel, hetzij met behulp van een stijf toebehoren dat de voorgeschreven trillingsomstandigheden kan doorgeven. Het gebruikt beproevingsmateriaal moet de versnellings- of amplitudeniveaus en de frekwentie met een nauwkeurigheid van ten minste 10% meten en/of optekenen.
  3. Keuze van de methode.
  De proeven moeten overeenkomstig de methode A of de methode B worden uitgevoerd, naar keuze van de overheid die het prototype goedkeurt.
  4. Algemeen.
  De proeven moeten uitgevoerd worden op elk der drie loodrechte assen van het monster.
  5. Methode A.
  5.1. Opsporing van de resonanties.
  Men bepaalt de resonantiefrekwenties van de vullingsgraadbegrenzer door de opgelegde trillingsfrekwentie langzaam te laten variëren in het gespecifieerd trillingsgebied; hierbij wordt gebruik gemaakt van gereduceerde opwekkingsniveaus, maar met een voldoende amplitude om het apparaat te doen trillen. Om de sinusoïdale resonanties op te sporen mag men het opwekkingsniveau en de cyclusduur gebruiken die voor de pompproef wordt voorgeschreven; de opsporingstijd van de resonanties is dan begrepen in de voor de pompproef voorgeschreven tijdsduur, vermeld in paragraaf 5.3.
  5.2. Stopproef bij resonantie.
  Men laat het monster volgens iedere as gedurende 30 minuten trillen, en dit op de meest efficiënte resonantiefrekwenties die in de vorige paragraaf werden bepaald. Het opwekkingsniveau moet gelijk zijn aan 1,5 g (14,7 m/s2). Indien men op één der assen meer dan vier betekenisvolle resonantiefrekwenties vindt, zal men voor de proef de vier meest efficiënte resonantiefrekwenties nemen. Indien de resonantiefrekwentie tijdens de proef verandert, noteert men het tijdstip waarop dit gebeurt en past men onmiddellijk de frekwentie aan om de maximale resonantie te behouden. Men noteert de eindresonantiefrekwentie. De totale tijd die nodige is voor de stopproef is begrepen in de voor de pompproef in paragraaf 5.3.
  voorgeschreven tijdsduur.
  5.3. Sinusoïdale pompproef (in stand gehouden opwekking).
  Men brengt gedurende drie uur op het monster een sinusoïdale trilling over volgens elk van zijn loodrechte assen, onder de hiernavolgende voorwaarden:
  een versnellingsniveau van 1,5 g (14,7 m/s2),
  een frekwenhebereik van 5 tot 200 Hz,
  een aftastingstijd van 12 minuten.
  De aftasting van de overgedragen trillingsfrekwentie in het voorgeschreven bereik moet logaritmisch zijn.
  De voorgeschreven aftastingstijd komt overeen met een stijgende plus een dalende aftasting.
  6. Methode B.
  6.1. De proef moet uitgevoerd worden op een sinusoïdale trillingstafel met een konstante versnelling van 1,5 g en een frekwentiebereik van 5 tot 200 Hz. De proef moet vijf uur duren voor iedere as vermeld in paragraaf 4. De frekwentieband van 5 tot 200 Hz moet in 15 minuten in de twee richtingen afgetast worden.
  6.2. Indien de proef niet uitgevoerd wordt met behulp van een bank met konstante versnelling, moet de frekwentieband tussen 5 en 200 Hz onderverdeeld worden in 11 banden van een half octaaf, die elk afgetast worden met.een konstante amplitude (zodanig dat de theoretische versnelling begrepen is tussen 1 en 2 g (g = 9,8 m/s2)).
  De trillingsamplitudes voor elke band zijn de volgende:

   Amplitude in mm       Frekwentie in Hz           Frekentie in Hz
        (top)          (versnelling van 1 g)     (versnelling van 2 g)
       
        10                        5                         7
         5                        7                        10
         2.5                     10                        14
         1.25                    14                        20
         0.6                     20                        29
         0.3                     29                        41
         0.15                    41                        57
         0.08                    57                        79
         0.04                    79                       111
         0.02                   111                       157
         0 01                   157                       222


  Elke band moet in de twee richtingen worden afgetast in twee minuten; ttz.
  30 minuten in het totaal voor elke band.
  7. Specifikaties.
  Het toestel heeft slechts aan de voorschriften betreffende de trillingsproef voldaan indien het - na onderworpen te zijn geweest aan één van de hierboven beschreven trillingsproeven - geen enkele mechanische tekortkoming vertoont en indien de waarden van zijn karakteristieke parameters, te weten:
  - de vullingsgraad in gesloten toestand,
  - de toegelaten vulsnelheid in gesloten toestand.
  de voorgeschreven limieten niet overschrijdt en de waarden, gemeten vóór de trillingsproef, met niet meer dan 10% overtreffen.