Arrêt de la Cour d?appel de Gand dd. 08.10.2013
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
commission secrète - cotisation distincte - cotisation distincte ISoc.
Texte original :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d’appel de Gand dd. 08.10.2013
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d’appel de Gand dd. 08.10.2013 Document date : 08/10/2013 Keywords : commission secrète / cotisation distincte / cotisation distincte ISoc. Decision : favorable Document language : FR Name : Arrêt de la Cour d’appel de Gand dd. 08.10.2013 Version : 1 Court : appeal/Gent_appeal
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 08.10.2013
Impôt des sociétés - Commissions secrètes - Caractère mixte de la cotisation spéciale - Article 6 de la Convention européenne des droits de l'h omme
Résumé Conditions d'application de la cotisation spéciale Puisqu'aucune fiche individuelle ou relevé récapitulatif n'ont été établis pour les avantages litigieux, ceux-ci devaient être soumis pour les exercices d'i mposition 2008 et 2009, suivant disposition légale expresse, à une cotisation spéciale telle que prévue à l'article 219 CIR92. Bien que l'administration considère qu'il peut être dérogé à ces dispositions légales si le contribuable personne morale et le bénéficiaire des avantages conviennent entre eux que ce soit ce dernier, et non la personne morale, qui soit imposé, il convient de relever que rien de tel ne se trouve inscrit dans la loi, et que les directives administratives ne peuvent contrevenir à une disposition légale expresse, et non plus par la référence aux principes généraux de bonne administration. L'Article 17 de la loi du 17.06.2013 portant des dispositions fiscales et financières et des dispositions relatives au développement durable n'est d'application qu'à partir de l'exercice d'imposition 2014 suivant disposition légale expresse et n'a donc pas d'effet rétroactif. Caractère compensatoire et répressif de la cotisation On doit admettre que la cotisation spéciale sur commissions secrètes présente un caractère mixte, en partie compensatoire et en partie répressive. Concernant la partie compensatoire il convient de constater que cela vise seulement à récupérer l'i mpôt normalement dû ainsi que les cotisations patronales et sociales ayant échappé à l'Etat suite au non respect de ses obligations par le contribuable. Concernant la partie répressive, le juge peut s'enquérir de la légalité de la sanction et en particulier vérifier si la sanction est conciliable avec les exigences des conventions internationales et du droit interne, en ce compris les principes généraux du droit. Il doit être pris en considération que l'intimé devait être tout à fait conscient qu'à défaut pour elle de satisfaire à ses obligations que les revenus qui devaient normalement être imposés dans le chef du bénéficiaire des avantages ont échappé à une cotisation normale. Ceci est d'autant plus évident que le bénéficiaire de ceux-ci est le dirigeant d'e ntreprise de l'intimée. L'application de la partie répressive de la cotisation sur commissions secrètes est justifiée en droit, est raisonnable et non disproportionnée en rapport avec l'infraction commise.
Texte intégral Hof van Beroep te Gent 08.10.2013 2012/AR/2817
In de zaak van : DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. … tegen: S. N.V., met maatschappelijke zetel te … geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. … spreekt het hof het volgend arrest uit : 1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 8.3.2011 bestreed de geïntimeerde de aanslagen in de vennootschapsbelasting op haar naam voor de aanslagjaren 2008 (kohierartikel …) en 2009 (kohierartikel …). Voordien was het bezwaar van de geïntimeerde tegen deze aanslagen ongegrond verklaard bij beslissing van 28.1.2011 van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge. Voor de eerste rechter vorderde de geïntimeerde dat zou gezegd worden voor recht dat de bestreden aanslagen nietig zijn en geen enkel rechtsgevolg kunnen sorteren, minstens vast te stellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet is bewezen. Verder vorderde de geïntimeerde dat, voor zoveel als nodig, de volgende drie vragen aan het grondwettelijk hof zouden worden gesteld : "Schenden de bepalingen van artikel 219 WIB92 houdende de hervorming van de inkomstenbelastingen, in samenhang met artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij niet toelaten dat de rechterlijke macht bevoegd wordt geacht om de evenredigheid van de aanslag geheime commissielonen te beoordelen en, desgevallend rekening houdend met verzachtende omstandigheden of rechtvaardigingsgronden, een vermindering of kwijtschelding toe te staan, en dit gelet op het feit dat de voormelde appreciatie en milderingen wel zijn toegestaan voor de bestraffing van dezelfde feiten via de strafrechtelijke erkende sancties uit de artikelen 444,445 en 449 van het wetboek inkomstenbelastingen?". "Schenden de bepalingen van artikel 219 WIB92 houdende de hervorming van de inkomstenbelastingen, in samenhang met artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat de aanslag op geheime commissielonen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM, in zoverre de belastingplichtige aan wie een dergelijke aanslag wordt opgelegd, voor de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg waarvoor hij verzet heeft aangetekend, niet het voordeel zou kunnen vragen van de wettelijke maatregelen tot individualisering van de straf (opschorting, uitstel en probatie) terwijl hij dat wel zou kunnen doen wanneer hij zich voor de correctionele rechtbank blootstelt aan de in artikel 445 en volgende WIB92 bedoelde straffen?". "Schenden de bepalingen van artikel 219 WIB92 de artikelen 10 en 11 GW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, om reden dat het hanteren van een aanslagvoet van 300% kennelijk neerkomt op een verbeurdverklaring en derhalve aan een categorie van belastingplichtigen zonder vergoeding het eigendomsrecht ontneemt zonder dat dit redelijk wordt verantwoord zodat het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet discriminatie wordt geschonden."< /p> Bij vonnis van 13.6.2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard, werd de ontheffing bevolen van de betwiste aanslagen, en werd de appellant veroordeeld tot de gedingkosten. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 30.10.2012 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis. Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet te doen, en te horen zeggen voor recht dat de bestreden aanslagen rechtsgeldig werden gevestigd. De geïntimeerde van haar kant streeft de bevestiging van het bestreden vonnis na en herneemt verder haar oorspronkelijke vordering. 2. Het voordeel "verwarming" (aanslagjaren 2008 en 2009) Zowel voor het aanslagjaar 2008 als voor het aanslagjaar 2009 heeft de administratie het voordeel uit de verwarming telkens begroot op 1.180,00 EUR, in toepassing van artikel18 § 3, 4, a. KB-WIB92. In beginsel behoort het aan de administratie om het bestaan van het voordeel te bewijzen. De appellant doet dit door te stellen dat, gelet op de aanwezigheid van een stookolietank en het feit dat niet werd aangetoond dat de bedrijfsleider ook zelf private aankopen van stookolie heeft gedaan, mag aangenomen worden dat de geïntimeerde in de periode 2007-2008 ook voor het privaat gebruik nog voldoende stookolie in voorraad had, zodat er wel degelijk sprake is van een kosteloze verstrekking van verwarming aan de bedrijfsleider. Voor het aanslagjaar 2009 werd dit voordeel verwarming niet betwist door de geïntimeerde. In het antwoord op het bericht van wijziging voor dit aanslagjaar (zie het stuk: II/10 van de appellant) werd vermeld dat er in dit verband geen opmerkingen waren, en werd het bedrag van 1.180,00 EUR voordeel verwarming door de gevolmachtigde van de geïntimeerde in de te weerhouden voordelen van alle aard zelfs hernomen. Voor wat het aanslagjaar 2008 betreft moet worden opgemerkt dat enkel betwisting werd gevoerd over het voordeel verwarming omdat er in het aanslagjaar 2008 geen kosten inzake verwarming werden ingebracht door de geïntimeerde en zij daarom van oordeel was dat er geen voordeel moest worden weerhouden, De redenering van de appellant dat voor het privaat gebruik nog voldoende stookolie in voorraad was, wordt door de geïntimeerde niet weerlegd. Integendeel moet aangenomen worden dat het juist was dat dergelijke voorraad stookolie nog aanwezig was, en de geïntimeerde er gebruik van heeft gemaakt, nu in het jaar daarop door de geïntimeerde het voordeel verwarming wordt aanvaard, terwijl er geen stookolie werd ingedaan. Het betwiste voordeel verwarming staat dan ook vast voor de beide aanslagjaren. 3. Het voordeel "restaurantkosten" (aanslagjaar 2008) Voor het aanslagjaar 2008 heeft de administratie een bedrag van 2.400,00 EUR weerhouden als voordeel van alle aard restaurantkosten. Het daarop betrekking hebbend stuk is een factuur van een firma uit Westende voor het bedrag van 2.400,00 EUR met als omschrijving van de prestatie: "Happening Tour de France dd. 09/07/2007 - 40 kaarten" (stuk I/7 van de appellant).
Op geen enkele wijze is uit deze vage omschrijving af te leiden dat het gaat om een beroepsuitgave. De bewering van de geïntimeerde dat het zou gaan om kosten gemaakt om zakelijke contacten te onderhouden levert het bewijs niet dat op deze "happening" zakenrelaties werden uitgenodigd. Een "happening" ter gelegenheid van de Tour de France kan privaat zijn. De administratie is er dan ook terecht van uitgegaan dat het gaat om uitgaven met privaat karakter. 4. Het voordeel "huurgelden " (aanslagjaar 2009) De administratie heeft voor het aanslagjaar 2009 een voordeel "niet aangegeven huurgelden weerhouden" voor een bedrag van 4.550,00 EUR. Het bestaan van dit voordeel wordt door de geïntimeerde niet betwist. 5 Overschatting van het passief (aanslagjaar 2009)
Door de administratie werden volgende posten weerhouden als overschatting van het passief omdat niet bewezen wordt door de geïntimeerde dat ze nog verschuldigd waren op de balansdatum van 31.3.2009 :
* I.V. : 2.101,75 EUR * M.V. : 931,58 EUR * S.E. : 15.000,00 EUR * Lonen S. : 19.967,81 EUR 38.001,14 EUR Dit bewijs wordt nog steeds niet geleverd. Bovendien moet worden vastgesteld dat in het antwoord van de gevolmachtigde op het bericht van wijziging van aangifte (zie het stuk II/7 van de appellant) wordt meegedeeld dat de schulden aan I.V. en M.V. reeds waren betaald. Verder houdt de geïntimeerde ook voor dat de schulden aan E.S. cash waren betaald, zodat ook hier moet aangenomen worden dat zij ten onrechte in het passief werden opgenomen. Voor zoveel als nodig moet ook worden opgemerkt dat uit de rekeninguittreksels van de persoonlijke rekening van de bedrijfsleider van de geïntimeerde, gevoegd bij het bezwaarschrift (zie de bijlagen bij het stuk I/2 van de appellant), wel blijkt dat gelden werden afgehaald maar is in het geheel niet af te leiden dat ze bestemd waren om de lonen van de heer S. te betalen. Ook uit het attest gevoegd bij het antwoord op het bericht van wijziging van aangifte (zie de bijlagen bij het stuk II/7 van de appellant) is dit niet af te leiden. Deze verklaring van de heer S. is daartoe veel te vaag en niet precies qua bedragen en tijdstip. Nergens is ook aangetoond dat de bedrijfsleider van de geïntimeerde persoonlijk lonen ten laste zou hebben genomen. De administratie heeft terecht de hoger aangehaalde overschatting van passief aangenomen. 6. Voor elk van de bestreden aanslagjaren stuurde de administratie per 27.8.2010 (stukken ll-3 en 4 van de appellant) aan de geïntimeerde een bericht van wijziging van aangifte, waarin werd uiteengezet dat er een aantal voordelen van alle aard waren voor de bedrijfsleiding (artikel 32 WIB92) waarvoor geen fiches (toepassing artikel 57 WIB92) werden opgemaakt. Voor het aanslagjaar 2008 bedroeg het totaal bedrag van deze voordelen 7.331,15 EUR en voor het aanslagjaar 2009 3.854,00 EUR. In het bericht van wijziging van aangifte wordt er door de administratie aan toegevoegd : "Deze voordelen zijn bij toepassing van artikel 219 WIB92 te onderwerpen aan de afzonderlijke aanslag. Deze aanslag kan vermeden worden door zich alsnog akkoord te verklaren met het belasten ervan bij de genieter V.D. in zijn persoonlijke aangifte voor het aanslagjaar 2008 mits toepassing van een belastingverhoging van 10%. Dit akkoord dient te worden gegeven door de genieter of een volmachtdrager die verklaart in hoofde van de genieter op te treden." In het antwoord dd. 22.9.2010 van de gevolmachtigde van de geïntimeerde op de berichten van wijziging werden bepaalde voordelen van alle aard betwist. Dit leidde er volgens het antwoord van de gevolmachtigde toe dat voor het aanslagjaar 2008 slechts 1.110,50 EUR voordelen moesten worden weerhouden en voor het aanslagjaar 2009 2.354,00 EUR. Voor elk van de aanslagjaren werd in het antwoord op de berichten van wijziging van aangifte wel gemeld : "Wij kunnen ons akkoord verklaren om bovenvermelde voordelen bij de genieter, de heer D.V., te belasten." Aldus geformuleerd, lijkt het akkoord met betrekking tot de belasting in hoofde van de genieter enkel betrekking te hebben op de door de gevolmachtigde namens de geïntimeerde erkende en niet-betwiste voordelen. Vervolgens heeft de administratie per 30.9.2010 aan de geïntimeerde brieven gestuurd, waarin wordt meegedeeld : • voor het aanslagjaar 2008 dat de te belasten voordelen 5.831,15 EUR bedragen; • voor het aanslagjaar 2009 dat de te belasten voordelen 2.354,00 EUR bedragen. Voor elk van de aanslagjaren wordt in deze brieven telkens gemeld : "Gezien u zich niet akkoord verklaard hebt met het belasten van deze voordelen bij de genieter V.D. mits toepassing van een belastingverhoging van 10%, zullen deze voordelen bij toepassing van artikel 219 WIB92 onderworpen worden aan de afzonderlijke aanslag." Hierop antwoordde de gevolmachtigde van de geïntimeerde per 11.10.2010 :
"Wij verwijzen naar uw schrijven van 30 september ll. inzake in rand vermelde dossier. In dit schrijven zegt U dat wij ons niet akkoord verklaren met het belasten van de bijkomende voordelen in hoofde van de genieter, zijnde de heer V. Nochtans hebben wij ons in het vorig schrijven hiermee uitdrukkelijk akkoord verklaard. In bijlage kunt u dit schrijven nogmaals terugvinden. Dank om hiermee bijgevolg rekening te houden. Voor wat betreft de overige punten wachten wij de aanslag af teneinde bezwaar in te dienen." De stelling van de geïntimeerde is voornamelijk dat zij zich akkoord verklaard heeft met de belasting van de voordelen bij de genieter, zijnde de heer D.V. In de directoriale beslissing werd overwogen : "Uit het antwoord van de gevolmachtigde van N.V. S. op het bericht van wijziging dato 27.8.2010 blijkt geenszins dat de hr. D.V. ook persoonlijk zou akkoord gegaan zijn met het belasten van de betwiste voordelen te zijnen name, inclusief een belastingverhoging van 10%." Een schriftelijke volmacht aan de gevolmachtigde van de geïntimeerde om ook de heer D.V. te vertegenwoordigen ligt niet voor. De volmacht genummerd als het stuk I/6van de appellant is een volmacht gegeven door de geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer D.V., niet door de heer V. zelf in persoonlijke naam. De geïntimeerde verdedigt de stelling dat, voor de in betwisting zijnde aanslagjaren 2008 en 2009 de aanslag geheime commissielonen niet kan worden toegepast indien de bedrijfsleiders zich schriftelijk akkoord hebben verklaard met het belasten, in hun hoofde, van de verdoken meerwinsten. Het hof dient evenwel vast te stellen dat hiervoor geen afdoende wettelijke basis bestaat. Voor de bedoelde voordelen van alle aard werden geen individuele fiches en samenvattende opgaven opgesteld en ingediend. In toepassing van het artikel 219 WIB92 (in hun te dezen toepasselijke versie voor de besproken aanslagjaren) wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57 WIB92 en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2° WIB92, die niet worden verantwoord door individuele fiches en samenvattende opgaven alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden, en op de in artikel 53, 24° WIB92 bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard. Die aanslag is gelijk aan 300 pct. van die kosten, voordelen van alle aard en verdoken meerwinsten. Voor de bedoelde voordelen werden geen fiches en samenvattende opgaven opgesteld. De voordelen in kwestie dienden dan ook, krachtens uitdrukkelijke wetsbepaling, aan de bijzondere aanslag voorzien bij het artikel 219 WIB92 te worden onderworpen. Zo de administratie aanneemt dat van deze wetsbepalingen kan afgeweken worden indien de belastingplichtige rechtspersonen en de genieter van de voordelen er mee akkoord gaan dat niet de rechtspersoon maar de genieter van de voordelen belast wordt, aan het normaal tarief (zie onder meer de inhoud van het bericht van wijziging van aangifte, en de diverse door de geïntimeerde geciteerde administratieve commentaren en antwoorden op parlementaire vragen), dan moet vastgesteld worden dat zulks niet in de wet is ingeschreven, en dat administratieve richtlijnen geen afbreuk kunnen doen aan een uitdrukkelijke wetsbepaling, ook niet op grond van de door de geïntimeerde ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur. Artikel 17 van de wet van 17.6.2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling bepaalt : "In artikel 219 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 4 mei 1999, 27 november 2002, 27 december 2006 en 11 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid worden de woorden "financiële voordelen" ingevoegd tussen de woorden "voordelen van alle aard" en de woorden "en verdoken meerwinsten"; 2° artikel 219 wordt aangevuld met een lid, luidende : "Wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte, wordt deze aanslag niet toegepast indien bet bedrag begrepen is in een aanslag die met akkoord van de verkrijger te zijnen name wordt gevestigd binnen de termijn als bedoeld in artikel 354, eerste lid." Deze bepaling is echter maar van toepassing vanaf het aanslagjaar 2014 krachtens uitdrukkelijke wetsbepaling (artikel 23, vijfde lid van de wet van 17.6.2013), en heeft derhalve geen terugwerkende kracht. Zo de circulaire nr. Ci.RH.421/628.803 (AAFisc Nr. 30/2013) dd. 22.07.2013 voorziet dat hangende geschillen en lopende dossiers in de geest van de nieuwe wetsbepalingen en van die circulaire mogen worden opgelost - ook al hebben zij betrekking op voorgaande aanslagjaren - dan moet worden vastgesteld dat indien men deze aanbeveling volgt een circulaire afbreuk doet aan een wettelijke bepaling, wat wettelijk niet kan. De vermelde circulaire kan dan ook geen afbreuk doen aan de toepassing van de uitdrukkelijke wetsbepaling van artikel 219 WIB92 in zijn te dezen toepasselijke versie, wat inhoudt dat de vermelde voordelen van alle aard wel degelijk dienen te worden onderworpen aan de bijzondere aanslag. 7. De geïntimeerde beschouwt de bijzondere belasting voorzien bij het artikel 219 WIB92 als een sanctie in de zin van het artikel 6 EVRM. Zij kan hierin niet zonder meer worden gevolgd. Oorspronkelijk was het de bedoeling van de bijzondere aanslag om het verlies van de belasting die niet van de verkrijgers kon worden gevorderd te compenseren (wet van 25 juni 1973). Later heeft de wetgever de bijzondere aanslag op 200 % gebracht om naast de belasting ook de patronale en socialezekerheidsbijdragen die niet worden geheven bij de toekenning van de geheime commissielonen, te recupereren (wet van 7 december 1988). Nog later werd de bijzondere aanslag van 200 % op 300% gebracht met als doel de fraude te ontraden (art. 15 van de wet van 30 maart 1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit) (zie omtrent dit alles Arbitragehof nr. 312007 d.d. 11 januari 2007, cijfer B.2., www.const-court.be; zie ook de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 maart 1994: Parl.Besch. Kamer 1993-94, nr. 129016, p. 45-46 en p. 86). Men moet derhalve aannemen dat de bijzondere belasting op de geheime commissielonen een gemengd karakter heeft, en deels vergoedend deels sanctionerend is. Wat het vergoedend gedeelte betreft moet worden vastgesteld dat dit er enkel toe strekt de normale belasting en de patronale en sociale zekerheidsbijdragen die de Staat moet derven ten gevolge van het niet naleven door de belastingplichtige van zijn verplichtingen, te recupereren. Indien de belastingplichtige inderdaad correct zijn verplichtingen te gepasten tijde zou hebben nageleefd, dan was de begunstigde van de voordelen normaal en op een normaal tijdstip belast op de voordelen die hij ontving en waren ook de sociale lasten er op verschuldigd geweest. Er moet dan ook in redelijkheid aanvaard worden dat de belastingplichtige gehouden is door middel van de bijzondere belasting de schade van de Staat te vergoeden die de belastingplichtige door zijn inbreuken heeft veroorzaakt. Vergoeding van de schade is op zich niet te beschouwen als een sanctie. Te dezen moet worden vastgesteld dat noch het doel van deze vergoeding noch de omvang ervan op een sanctie wijzen (vergelijk met EHRM, dd. 12.4.2012, 18851/07, inzake Lagardère ti Frankrijk, cijfer 79, http://www.echr.coe.int). Blijkens de parlementaire voorbereiding hoger aangehaald is het niet de bedoeling om met het vergoedende gedeelte van de bijzondere belasting meer te vorderen dan wat werd gederfd door de Staat. De op het spel staande vergoeding is ook niet van die omvang dat ze te beschouwen zou kunnen zijn als een sanctie. De bijzondere belasting wordt trouwens berekend op de aan belasting onttrokken inkomsten, wat in overeenstemming is met haar vergoedend karakter. De stelling van de geïntimeerde dat het gecumuleerd verlies aan belastingen en aan sociale zekerheidsbijdragen maximaal 66%.van het commissieloon van werknemers betreft is een abstracte bewering die cijfermatig en wetmatig niet concreet wordt aangetoond. Daarenboven moet worden aangenomen dat de wetgever het verlies van de Staat slechts op forfaitaire benaderende wijze heeft geschat gezien de invloed van tal van elementen, verschillend van belastingplichtige tot belastingplichtige, die de omvang van de fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen van elke belastingplichtige beïnvloeden. In de stelling van de geïntimeerde wordt ook geen rekening gehouden met het verlies aan patronale bijdragen, waarvan nochtans de wetgever ook de vergoeding beoogde. Voor wat het sanctionerend deel van de bijzondere belasting betreft, mag de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag hij in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. onder meer met Cass. 15 maart 2012, Pas. 2012, nr. 171 p. 597). Er moet worden overwogen dat de geïntimeerde zich er terdege van bewust moest zijn dat door het niet nakomen van haar verplichtingen zij in de hand werkte dat de inkomsten die normaal moesten belast worden in hoofde van de begunstigde van de voordelen aan normale belasting ontsnapten. Dit is des te evidenter nu de begunstigde te dezen de bedrijfsleider is van de geïntimeerde. De toepassing van het sanctionerend gedeelte van de aanslag geheime commissielonen is te dezen gerechtvaardigd, redelijk en niet onevenredig met de begane inbreuk. De geïntimeerde voert ook aan dat artikel 1 van het eerste aanvullend protocol van 20.3.1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 Grondwet/1994, zou geschonden zijn. Deze bepaling luidt: "Art. 1 Bescherming van eigendom Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren." Het Europees Hof van de Rechten van de Mens neemt aan dat de vermelde belastingen, heffingen en boeten wel een ingrijpen op het eigendomsrecht inhouden, maar in beginsel dit ingrijpen gerechtvaardigd wordt door het tweede lid van het vermelde artikel 1 van het eerste aanvullend protocol (zie EHRM, dd. 3.7.2003, nr. 38746/97, inzake Buffalo SRL in vereffening tegen Italië, cijfer 32, vindplaats http://www.echr.coe.int/echr). Evenwel neemt het EHRM ook aan dat het tweede lid van het artikel 1 van het eerste protocol moet geïnterpreteerd worden in het licht van het algemeen beginsel aangehaald in het eerste lid, zodat er ook voor wat betreft de betaling van belastingen, heffingen en boeten een redelijke verhouding moet zijn tussen de aangewende middelen en het beoogde doel (EHRM, dd. 11.1.2007, nr. 35533/04, inzake Mamidakis tegen Griekenland, cijfer 44; of nog EHRM, dd. 25.10.2012, inzake Vistins et Perepjolkins tegen Letland, cijfer 93 en 108; beide met vindplaats http://www.echr.coe.int/echr). Om na te gaan of dergelijke redelijke verhouding bestaat, moet aangenomen worden dat de Lidstaten beschikken over een ruime appreciatiemarge zowel wat betreft de keuze van de door de Lidstaten aangewende middelen als wat betreft de vraag of de gevolgen van de aangewende middelen door het algemeen belang worden gerechtvaardigd, en men slechts tot afwezigheid van dergelijke redelijke verhouding kan besluiten indien elke redelijke basis manifest ontbreekt (zie EHRM, dd. 13.12.2011, nr. 31827/02, inzake Laduna tegen Slovakije, cijfer 84; EHRM, dd. 21.10.2010, nr. 31555/05, inzake Benet Czech, SPOL., S.R.O. tegen de Tsjechische Republiek, cijfer 35; alle met vindplaats http://www.echr.coe.int/echr). Het manifest ontbreken van dergelijke redelijke verhouding blijkt te dezen niet. De bijzondere belasting voorzien bij artikel 219 WIB92 strekt er enkel toe aan de ene kant in het algemeen belang het verlies van de Staat aan belasting, sociale zekerheidsbijdragen en patronale bijdragen te vergoeden, en aan de andere kant sanctionerend op te treden. Zoals hoger aangegeven berust dit te dezen op een redelijke basis. Noch de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, noch de beginselen van redelijkheid en evenredigheid, noch artikel 1 van het eerste aanvullend protocol van 20.3.1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 Grondwet/1994, zijn geschonden. Gelet op hetgeen hoger werd uiteengezet zijn de door de geïntimeerde geformuleerde vragen aan het Grondwettelijk Hof hetzij zonder voorwerp, hetzij overbodig nu klaarblijkelijk geen schending van de door de geïntimeerde als geschonden aangehaalde bepalingen voorhanden is. Aan het Grondwettelijk Hof dienen de voorgestelde vragen dan ook niet te worden gesteld.
OP DEZE GRONDEN HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Ontvangt het hoger beroep, en verklaart het gegrond; Doet het bestreden vonnis teniet, behalve in zoverre dit vonnis de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart; Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ongegrond; Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt : - aan de' zijde van de appellant: op 2.750,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - aan de zijde van de geïntimeerde: op 2.750,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 2.750,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal op 5.500,00 EUR. Aldus gewezen door de vijfde kamer van het hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit … en uitgesproken door de raadsheer wn.voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 8 oktober 2013, bijgestaan door …
|
|||||||