Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Hof van Cassatie: Arrest van 12 Augustus 2003 (België). RG P031180F

Date :
12-08-2003
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20030812-1
Numéro de rôle :
P031180F

Résumé :

Ook al bepaalt art. 92, ,§ 1, 4°, Ger. W. dat de strafzaken betreffende misdrijven die m.n. bedoeld worden in titel VII van boek II, Sw., toegewezen moeten worden aan een kamer van de rechtbank van eerste aanleg met drie rechters, schrijft geen enkele strafbepaling voor dat de kamer die uitspraak doet over een verzoek tot invrijheidstelling, dat aan de rechtbank wordt gericht met toepassing van art. 27, ,§ 1, 1°, Wet Voorlopige Hechtenis, ook uit drie rechters moet bestaan, wanneer de hechtenis verantwoordt wordt door voldoende bezwaren betreffende een van de voormelde misdrijven.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. P.03.1180.F.-
D. H., beklaagde, gedetineerd,
Mr. Luc Balaes, advocaat bij de balie te Luik.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert drie middelen aan in een memorie, waarvan een eensluidend afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
Over het tweede middel :
Overwegende dat, luidens artikel 27, ,§ 1, 1°, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis en het onderzoek afgesloten is, de voorlopige invrijheidstelling kan worden verleend ingevolge een verzoekschrift, dat is ingediend bij de correctionele rechtbank waar de zaak aanhangig is, vanaf de verwijzende beschikking tot het vonnis ;
Dat, hoewel artikel 92, ,§ 1, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de strafzaken betreffende misdrijven die onder meer bedoeld worden in titel VII van boek II van het Strafwetboek, toegewezen moeten worden aan een kamer van de rechtbank van eerste aanleg met drie rechters, geen enkele wetsbepaling voorschrijft dat de kamer die uitspraak doet over een verzoek tot invrijheidstelling, dat aan de rechtbank wordt gericht met toepassing van het voormelde artikel 27, ,§ 1, 1°, ook uit drie rechters moet worden samengesteld, wanneer de hechtenis verantwoord wordt door voldoende bezwaren betreffende een van de voormelde misdrijven ;
Dat het middel, dat het tegendeel voorhoudt, faalt naar recht ;
Over het derde middel :
Overwegende dat artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet kan worden toegepast op de vonnisgerechten die uitspraak doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ;
Dat het middel, in zoverre het de schending van die verdragsbepaling aanvoert, faalt naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Frédéric Close, Paul Mathieu en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van twaalf augustus tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.
De eerstaanwezend adjunct-griffier, De raadsheer,