Hof van Cassatie: Arrest van 16 Oktober 1996 (België). RG P961278F

Date :
16-10-1996
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19961016-6
Numéro de rôle :
P961278F

Résumé :

Tussen het OM en de verdachte bestaat een fundamenteel verschil, dat verantwoord is, aangezien het op een objectief criterium berust, nl. dat eerstgenoemde in het belang van de maatschappij een openbare dienst vervult die verband houdt met de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de strafvordering instelt, terwijl laatstgenoemde zijn persoonlijk belang verdedigt.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 1 oktober 1996 gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Bergen;
Over het eerste middel :
Overwegende dat artikel 30, alinéa 2, vijfde lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, met betrekking tot de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling enkel bepaalt dat bericht moet worden gegeven aan de raadsman van de verdachte, wat in casu is gebeurd; dat artikel 22 van diezelfde wet inzake het recht op inzage van het dossier niet toepasselijk is op de rechtspleging in hoger beroep;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel :
Overwegende dat artikel 6.3.b van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, betrekking heeft op de uitoefening van het recht van verdediging voor de vonnisgerechten en niet op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het derde middel :
Overwegende dat het middel niet betoogt dat een door de procureur des Konings aan de procureur-generaal toegezonden stuk niet aan tegenspraak werd onderworpen;
Overwegende dat er tijdens de hele duur van het voorbereidend onderzoek tussen het openbaar ministerie en de verdachte een fundamenteel verschil bestaat , dat verantwoord is, aangezien het op een objectief criterium berust, namelijk dat eerstgenoemde de strafvordering instelt en in het belang van de maatschappij een openbare dienst vervult die verband houdt met de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, terwijl laatstgenoemde zijn persoonlijk belang verdedigt;
Overwegende dat, voor het overige, de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep, nu het eiser de mogelijkheid biedt om van zijn dossier inzage te nemen ten behoeve met het oog op verdaging binnen de bij artikel 30, alinéa 3, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990, bepaalde termijn, het algemeen beginsel van het recht van verdediging in acht neemt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.