Hof van Cassatie: Arrest van 2 Januari 2017 (België). RG S.15.0018.F
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20170102-4
- Numéro de rôle :
- S.15.0018.F
Résumé :
Een nieuwe wet is niet enkel van toepassing op situaties die ontstaan vanaf de inwerkingtreding van die wet maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder het stelsel van de vorige wet ontstane situaties die zich voordoen of die aanhouden onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing de onweerlegbaar vastgestelde rechten niet aantast (1). (1) Zie concl. OM in Pas 2017, nr ...
Arrêt :
Nr. S.15.0018.F
LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN,
Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
J.C. R.,
in aanwezigheid van
RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKE-RING, openbare instelling.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 25 november 2014.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 24 november 2016 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Derde onderdeel
Een nieuwe wet is niet enkel van toepassing op toestanden die ontstaan vanaf de inwerkingtreding van die wet maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgelegde rechten.
Het proces-verbaal van de dienst voor administratieve controle van het Rijksinsti-tuut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering dat vaststelt dat een sociaal verzeker-de die uitkeringen geniet, arbeid heeft verricht zonder de in artikel 101, § 2, ZIV-wet bedoelde toestemming, en de beslissing van de verzekeringsinstelling die uit die arbeid de gevolgen afleidt voor het recht van de sociaal verzekerde op de uit-keringen en de terugvordering beveelt van de onterecht uitbetaalde uitkeringen, waardoor die instellingen van sociale zekerheid de relevante wettelijke bepalingen toepassen op de niet-toegestane arbeid, vormen geen gevolgen van die arbeid die zich zouden voordoen of die zouden voortduren nadat deze werd verricht.
Het arrest stelt vast dat de verweerder uitkeringen van de ziekte- en invaliditeits-verzekering genoot en dat hij op 9 mei 2010 arbeid heeft verricht zonder de in ar-tikel 100, § 2, ZIV-wet bedoelde toestemming.
Het oordeelt dat die niet-toegestane arbeid uitwerking heeft gehad na 31 decem-ber 2010, op grond dat "het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering [...] op 1 maart 2011 een proces-verbaal van de inbreuk [...] heeft opgesteld, [dat een] kopie ervan begin maart 2011 [aan de verweerder en aan de eiseres] werd toegezonden" en dat de eiseres op 10 maart 2011 de beslissing heeft genomen om de uitkeringen aan de verweerder te weigeren vanaf 9 mei 2010 en de terugbeta-ling te bevelen van de sinds die datum tot 28 februari 2011 uitbetaalde uitkerin-gen.
Met die redenen verantwoordt het arrest niet naar recht zijn beslissing om artikel 101 ZIV-wet en artikel 245decies Uitvoeringsbesluit ZIV-wet, in de versie van kracht vanaf 31 december 2010, op de feiten van de zaak toe te passen.
Het onderdeel is gegrond.
Overige grieven
De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.
Vordering tot bindendverklaring van het arrest
De eiseres heeft er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de partij die daartoe voor het Hof is opgeroepen.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep tegen het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering niet-ontvankelijk verklaart.
Verklaart het arrest bindend ten aanzien van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijke vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door sectie-voorzitter Christian Storck, de raadsheren Mireille Delange, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 januari 2017 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Vanessa Van de Sijpe.
De griffier, De raadsheer,