Hof van Cassatie: Arrest van 20 Januari 2017 (België). RG F.15.0114.N

Date :
20-01-2017
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
8 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20170120-2
Numéro de rôle :
F.15.0114.N

Résumé :

De oorspronkelijke eigenaar is, als gevolg van de overdracht van de bedrijfsruimte tijdens de opschortingstermijn, zonder dat aan de leegstand of de verwaarlozing een einde werd gesteld, alsnog alle heffingen verschuldigd die zonder de opschorting verschuldigd zouden zijn, ook al werd de heffing pas ingekohierd na de datum van de authentieke akte van de overdracht (1). (1) Zie concl. OM.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Nr. F.15.0114.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Orde-ning en Sport, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

RM nv, met zetel te 2920 Kalmthout, Brasschaatsteenweg 290,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 oktober 2014.

Procureur-generaal Dirk Thijs heeft op 29 september 2016 een schriftelijke con-clusie neergelegd.

Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 15, § 1, Leegstandsdecreet Be-drijfsruimten wordt er een jaarlijkse heffing ingevoerd ten voordele van het Ver-nieuwingsfonds op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris.

De heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeen-volgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten of ver-waarloosde bedrijfsruimten, zijnde het aanslagjaar. De heffing heeft betrekking op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend, zijnde het heffingsjaar.

Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 15, § 2, Leegstandsdecreet Bedrijfs-ruimten komt die heffing ten laste van diegene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de aan de heffing onderworpen onroerende goederen.

2. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 34, § 1, Leegstandsdecreet Be-drijfsruimten wordt de heffing opgeschort voor de onroerende goederen waarvoor op de datum van de vestiging van de heffing een aanvaarde vernieuwing geldt.

Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 34, § 2, van dit decreet blijft de op-schorting beperkt tot een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de betekening van het voorstel aan de administratie en moet tijdens deze periode ook de eventuele leegstand zijn beëindigd.

Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 41, § 2, van dit decreet is de opge-schorte heffing, vermeerderd met de intrest, alsnog verschuldigd voor de termijn waarvoor de opschorting werd verkregen tot de datum van de authentieke akte van overdracht, indien de eigenaar aan wie een opschorting van de heffing krachtens de artikelen 34, 36 of 38 is toegestaan, overgaat tot overdracht van het aan de heffing onderworpen goed.

3. Uit de samenhang van die wettelijke bepalingen volgt dat de oorspronkelijke eigenaar als gevolg van de overdracht tijdens de opschortingstermijn, zonder dat aan de leegstand of de verwaarlozing een einde werd gesteld, alsnog alle hef-fingen verschuldigd is die zonder de opschorting verschuldigd zouden zijn, ook al werd de heffing pas ingekohierd na de datum van de authentieke akte van de overdracht.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- de afdeling "Stedenbouwkundige vergunningen" van de eiser in een aangete-kend schrijven van 24 maart 2015 aan de verweerster liet weten dat het door haar in toepassing van artikel 34 Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten ingediende vernieuwingsvoorstel was aanvaard;

- de verweerster vanaf die datum van aanvaarding, zijnde 24 maart 2005, een op-schorting van de heffing werd verleend voor een periode van twee jaar;

- de betwiste heffing (heffingsjaar 2005/aanslagjaar 2006) werd gevestigd op 23 november 2006 en werd betekend op 24 november 2006, dit is na de datum van de authentieke akte van overdracht van 5 september 2006.

5. De appelrechters die beslissen dat de heffing door de verweerster niet ver-schuldigd is omdat ze pas werd ingekohierd na de datum van de authentieke akte van overdracht, schenden de in het middel aangewezen bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvan-kelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Sme-tryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2017 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van procureur-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.

V. Van de Sijpe K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Smetryns E. Dirix

24336/W/10

VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geeft te kennen:

het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke ordening en Sport, met kabinet te 1210 BRUSSEL, aan de Koning Albert II-laan 19,

eiser tot cassatie,

vertegenwoordigd door de ondergetekende, Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, aan de Drie Koningen-straat 3, waar keuze van woonplaats wordt gedaan,

wat volgt.

De eiser, voornoemd, verklaart hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hier-onder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hieron-der nader aangewezen partij.

I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 1 oktober 2014 door de ka-mer 6fis van het hof van beroep te Brussel op tegenspraak werd gewezen in de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder het nummer 2009/AR/1491, van de eiser, als geïntimeerde, tegen:

de naamloze vennootschap RM, met zetel te 2920 KALMTHOUT, aan de Brasschaatsteenweg 290 en met ondernemingsnummer 0445.911.077.

toen appellante, thans verweerster in cassatie, die in de akte waarmee het voor-noemde arrest op 19 juni 2015 op haar verzoek aan de eiser tot cassatie werd betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder John Baelde, met administra-tief kantoor te 1853 GRIMBERGEN (STROMBEEK-BEVER), aan de Nijver-heidslaan 1, aldaar keuze van woonplaats heeft gedaan,

en tegen die verwerende partij.

Deze voorziening in cassatie is gesteund op het volgende middel en de volgende conclusie.

II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. De verweerster was in de belastbare periode eigenares van de bedrijfsruimte gelegen te Mechelen, aan de Lieve Heerstraat 2-4-6.

Op 7 mei 2004 werd de bedrijfsruimte wegens leegstand opgenomen in de inven-taris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, met toepassing van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorko-ming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hieronder afgekort als Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten).

Het beroep van de verweerster bij de bevoegde minister en haar vordering tot vernietiging van het registratieattest bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werden afgewezen als ongegrond.

Op 14 maart 2005 werd de bedrijfsruimte van de verweerster opnieuw opgeno-men in de inventaris.

Het beroep van de verweerster tegen de registratie werd door de gemachtigde ambtenaar ongegrond verklaard en de verweerster stelde m.b.t. die registratie geen vordering voor de rechtbank van eerste aanleg.

2. Bij aangetekende brief van 24 maart 2005 liet de eiser aan de verweerster weten dat het door haar ingediende vernieuwingsvoorstel was aanvaard en dat de heffing derhalve werd opgeschort voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding, zijnde 24 maart 2005.

Op 7 november 2005 werd lastens de verweerster een heffing ingekohierd voor het heffingsjaar 2004, waarbij werd verwezen naar de opschorting van betaling van de heffing tot 24 maart 2007.

Bij authentieke akte van 5 september 2006 werd het onroerend goed waarin de bedrijfsruimte is gevestigd, door verweerster verkocht, wat aan de eiser werd meegedeeld bij aangetekende brief van 19 september 2006.

3. Op 23 november 2006 werd een heffing ingekohierd lastens de verweerster voor het heffingsjaar 2005, voor een bedrag van 8.856 euro.

Tegen die heffing tekende de verweerster bezwaar aan, dat bij beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 13 september 2007 werd afgewezen als ongegrond.

Bij verzoekschrift van 24 december 2007 vorderde de verweerster de vernietiging van het besluit van de gemachtigde ambtenaar en de vernietiging, dan wel de ontheffing van de leegstandheffing voor het heffingsjaar 2005 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij vonnis van 18 december 2008 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van de verweerster ontvankelijk, maar ongegrond.

Tegen dat vonnis tekende de verweerster hoger beroep aan.

Bij arrest van 1 oktober 2014 verklaart het hof van beroep te Brussel het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Volgens het hof van beroep is de verweerster de heffing voor het heffingsjaar 2005 niet verschuldigd, aangezien die heffing werd gevestigd op 23 november 2006, hetzij ná de datum van de authentieke akte van overdracht.

Tegen dat arrest voert de eiser het volgende middel tot cassatie aan.

III. MIDDELEN

Enig middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 15, 34 en 41, inzonderheid § 2, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en ver-waarlozing van bedrijfsruimten, vóór de opheffing ervan door het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vordering van de verweerster tot de ontheffing van de leegstandheffing voor het heffingsjaar 2005, het hoger beroep van de verweerster gegrond. Het hof van be-roep beslist dat de verweerster die heffing niet verschuldigd is, aangezien zij werd gevestigd na de datum van de authentieke akte van overdracht. Het neemt die be-slissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"2.

Wat de betwiste aanslag betreft, voert [de verweerster] aan dat de bestreden heffing (m.b.t. het heffingsjaar 2005) pas uitvoerbaar werd verklaard na de overdracht van het belaste bedrijfspand bij authentieke akte van 5 september 2006 (...), derhalve zou zij niet gehouden zijn om de verschuldigde heffing te betalen. [De verweerster] stelt dat de vestiging van de heffing dient gelijk ge-steld te worden aan de invoering, inkohiering of betekening van de heffing. Aangezien overeenkomstig artikel 41, § 2, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten de opgeschorte heffing enkel verschuldigd zou zijn tot de datum van de au-thentieke akte van overdracht en in casu de desbetreffende heffing werd ge-vestigd (betekend) op 24 november 2006 (derhalve pas na de datum van voormelde authentieke akte), kan de (opgeschorte) heffing geenszins ver-schuldigd zijn.

[De eiser] voert aan dat krachtens artikel 41, § 2, Leegstandsdecreet Bedrijfs-ruimten het de administratie wel zou toekomen om (alsnog) de bestreden hef-fing te vorderen in hoofde van [de verweerster]. Voormeld artikel bepaalt im-mers dat de eigenaar aan wie een opschorting van de heffing op grond van ar-tikel 34 toekwam, maar die binnen de periode van opschorting overging tot de overdracht van het belaste onroerend goed, deze opgeschorte heffing (voor de termijn waarvoor de opschorting werd verkregen tot de datum van de au-thentieke akte van overdracht) alsnog verschuldigd is. Naar het oordeel van [de eiser] zou [de verweerster] dan ook ontegensprekelijk onder de bepalingen van artikel 41, § 2, vallen. Ten onrechte zou [de verweerster] de mening zijn toegedaan dat "de vestiging van de heffing" en "de uitvoerbaarverklaring van deze heffing" op het zelfde ogenblik plaatsvonden.

In casu liet de afdeling "Stedenbouwkundige vergunningen" van [de eiser] in een aangetekend schrijven van 24 maart 2005 (...) aan [de verweerster] weten dat, in toepassing van artikel 34 van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten en artikel 18, § 4 van het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juli 1997 betreffende de uitvoering van het decreet van 19 april 1995, het door haar in-gediende vernieuwingsvoorstel m.b.t. de betreffende bedrijfsruimte was aan-vaard. Zodoende werd [de verweerster] vanaf deze datum van aanvaarding, 24 maart 2005, een opschorting van de heffing(en) verleend voor een periode van twee jaar.

Naar luid van de tekst van artikel 34, § 1, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, zoals die bestond voor de wijziging ervan door artikel 19 van het Decreet van 5 juli 2013 tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (BS 29 juli 2013), wordt de heffing opge-schort voor de onroerende goederen waarvoor op de datum van de vestiging van de heffing een aanvaarde vernieuwing geldt.

De vraag of een heffing opgeschort is hangt niet alleen af van het moment van de aanvraag van de opschorting maar ook van het ogenblik van de inkohiering (cfr. MvT ontwerp van decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het de-creet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, Parl. St. Vl. Parl. 2012-13, nr. 2052/1, 10-11).

Naar luid van de tekst van artikel 41, § 2, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, zoals te dezen van toepassing, is [de verweerster] de opgeschorte heffing, vermeerderd met de intresten, voor de termijn waarvoor de opschorting werd verkregen tot de datum van de authentieke akte van overdracht, hetzij 5 sep-tember 2006, alsnog verschuldigd.

Krachtens deze bepaling is enkel de opgeschorte en aldus ingekohierde hef-fing verschuldigd tot de datum van de authentieke akte van overdracht.

De betwiste heffing (heffingsjaar 2005/aanslagjaar 2006) werd gevestigd op 23 november 2006, hetzij ná de datum van de authentieke akte van overdracht.

[De verweerster] is dienvolgens deze heffing niet verschuldigd."

(p. 3 en 4, van het arrest).

Grieven

1. Vóór de opheffing ervan door de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bepaalde artikel 15 van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten het volgen-de:

§ 1. Er wordt een jaarlijkse heffing ingevoerd ten voordele van het Vernieu-wingsfonds op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de Inventaris. De heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede op-eenvolgende registratie in de Inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten of verwaarloosde bedrijfsruimten, zijnde het aanslagjaar. De heffing heeft be-trekking op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend, zijnde het heffingsjaar.

§ 2. Die heffing komt ten laste van diegene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de aan de heffing onderworpen onroerende goederen [...].

§ 3. In geval van overdracht van een eigendomsrecht aan nieuwe eigenaars van een onroerend goed dat reeds éénmaal in de Inventaris is geregistreerd, wordt dit goed pas aan de heffing onderworpen na het verstrijken van twee jaar na het verlijden van de authentieke akte van overdracht [...]

Artikel 34, § 1, van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten bepaalde in de hier toepasselijke versie, eveneens vóór de opheffing ervan door de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, dat de heffing wordt opgeschort voor de onroe-rende goederen waarvoor op de datum van de vestiging van de heffing een aan-vaarde vernieuwing geldt.

Overeenkomstig § 2 van die bepaling blijft de opschorting beperkt tot een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de betekening van het voorstel aan het departe-ment. Tijdens die periode moet ook de eventuele leegstand zijn beëindigd.

Luidens § 3 van artikel 34 van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten kan de administratie eenmalig een verlenging van de opschortingstermijn toestaan met hoogstens één jaar.

Vóór de opheffing ervan door de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 luidde artikel 41, § 2, van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten als volgt:

Indien de eigenaar aan wie een opschorting van de heffing [...] is toegestaan, overgaat tot overdracht van het aan de heffing onderworpen goed, is de opge-schorte heffing, vermeerderd met de intresten, voor de termijn waarvoor de opschorting werd verkregen tot de datum van de authentieke akte van over-dracht, alsnog verschuldigd.

Die bepaling houdt in dat wanneer de eigenaar van een onroerend goed waarvoor de heffing op grond van een aanvaard vernieuwingsvoorstel gedurende een wel-bepaalde termijn werd opgeschort, dat onroerend goed vóór het einde van die op-schortingstermijn overdraagt, die eigenaar alsnog gehouden is tot betaling van de heffing die verschuldigd is omwille van de leegstand of verwaarlozing van het on-roerend goed gedurende de opschortingstermijn tot aan de datum van de authen-tieke akte.

Het feit dat de inkohiering van die heffing pas plaatsvindt na de datum van de au-thentieke akte van overdracht, doet daaraan geen afbreuk. Het alsnog verschuldigd zijn van de heffingen die de overdrager overeenkomstig artikel 15, § 1 van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten verschuldigd zou zijn geweest indien voor zijn onroerend goed géén opschorting was toegekend, houdt immers een sanctie in voor het overdragen van het aan de heffing onderworpen goed vóór het einde van de termijn van opschorting die werd toegekend met het oog op de vernieuwing en/of de beëindiging van de leegstand van het goed.

Bovendien volgt uit artikel 15, § 2, van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, volgens welk de heffing ten laste komt van diegene die op 1 januari van het aan-slagjaar eigenaar is van de aan de heffing onderworpen onroerende goederen, dat het loutere feit dat de overdrager op het ogenblik van de inkohiering van de hef-fing geen eigenaar meer is van het geïnventariseerde goed, niet betekent dat de heffing niet te zijnen laste komt.

Uit de samenlezing van de hierboven beschreven bepalingen volgt dan ook dat de eigenaar die het te vernieuwen onroerend goed tijdens de opschortingstermijn overdraagt ná 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgen-de registratie van dat goed in de inventaris, genaamd aanslagjaar, alsnog de hef-fing verschuldigd is voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat aanslagjaar, zijn-de het heffingsjaar, ook al vindt de inkohiering van de heffing pas plaats na de da-tum van de authentieke akte van overdracht.

1. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, volgt dat:

- het onroerend goed van de verweerster op 7 mei 2004 en op 14 maart 2005 werd opgenomen in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde be-drijfsruimten,

- de eiser bij aangetekende brief van 24 maart 2005 aan de verweerster liet we-ten dat het door haar ingediende vernieuwingsvoorstel was aanvaard en dat de heffing derhalve werd opgeschort voor een periode van twee jaren, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding, zijnde 24 maart 2005,

- de eiser in zijn conclusie voor het hof van beroep aanvoerde dat de verweer-ster op 1 januari 2006 nog steeds eigenaar was van het onroerend goed (p. 8, van de op 28 februari 2011 door de eiser ter griffie van het hof van beroep neergelegde conclusie, met het opschrift "Tweede conclusie in hoger beroep"), wat door de verweerster niet werd betwist en door het hof van beroep niet wordt tegengesproken,

- de verweerster het onroerend goed verkocht bij authentieke akte van 5 sep-tember 2006,

- de eiser op 23 november 2006 lastens de verweerster een heffing inkohierde voor het heffingsjaar 2005, voor een bedrag van 8.856 euro.

Door in die omstandigheden te beslissen dat de verweerster de heffing voor het heffingsjaar 2005 niet is verschuldigd, op de overwegingen dat:

- de vraag of een heffing opgeschort is, niet alleen afhangt van het moment van de aanvraag van de opschorting, maar ook van het ogenblik van de inko-hiering,

- krachtens artikel 41, § 2, van het Leegstandsdecreet enkel de opgeschorte en aldus ingekohierde heffing verschuldigd is tot de datum van de authentieke akte van overdracht,

- de betwiste heffing (heffingsjaar 2005/aanslagjaar 2006) werd gevestigd op 23 november 2006, hetzij na de datum van de authentieke akte van overdracht,

verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht en miskent het alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen.

Conclusie

Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de verweerster en haar oor-spronkelijke vordering niet wettig gegrond en beveelt niet wettig de ontheffing van de leegstandsheffing voor het heffingsjaar 2005 op naam van de verweerster gevestigd onder artikel nr. 1050200409 voor een te betalen bedrag van 8.856 euro (schending van de artikelen 15, 34 en 41, inzonderheid § 2, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, vóór de opheffing ervan door de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013).

TOELICHTING

1. Het decreet van 5 juli 2013 tot wijziging van diverse bepalingen van het de-creet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimtes, waarnaar het hof van beroep verwijst in de tweede volledige alinea van pagina 4 van het bestreden arrest, zou in werking treden op 1 januari 2014, wat echter niet gebeurde, gelet op de Vlaamse Codex fiscaliteit van 13 december 2014, die op diezelfde datum, 1 ja-nuari 2014, in werking trad.

Om die reden wordt het decreet van 5 juli 2013 niet vermeld bij de aanwijzing, in het middel, van de toepasselijke versie van de geschonden wettelijke bepalingen.

2. De Vlaamse decreetgever beoogde met artikel 41, § 2, van het Leegstands-decreet Bedrijfsruimten o.m. te vermijden dat een heffingplichtige de door hem verschuldigde heffingen zou kunnen ontwijken door eerst een vernieuwingsvoor-stel in te dienen om vervolgens, na de aanvaarding van dat voorstel en de op-schorting van de heffing, binnen de opschortingstermijn en zonder dat de leeg-stand of de verwaarlozing werd beëindigd, over te gaan tot de overdracht van de bedrijfsruimte aan een nieuwe eigenaar.

Die bepaling houdt dan ook in dat de eigenaar als gevolg van de overdracht tij-dens de opschortingstermijn, alsnog alle heffingen verschuldigd is die hij zonder de opschorting verschuldigd was geweest overeenkomstig artikel 15 van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, ook al gaat het om een heffing die pas wordt ingekohierd na de datum van de authentieke akte.

De zinsnede in artikel 34, § 1, van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten dat de heffing wordt opgeschort voor de onroerende goederen waarvoor op de datum van de vestiging van de heffing reeds een aanvaarde vernieuwing geldt, houdt enkel in dat de opschorting omwille van een aanvaarde vernieuwing alleen kan worden toegekend wanneer de door de heffingplichtige gevraagde vernieuwing werd aanvaard vóór de in beginsel verschuldigde heffing wordt gevestigd. Werd de vernieuwing daarentegen pas door de administratie aanvaard ná de vestiging van de heffing, dan kan die reeds gevestigde heffing niet meer op grond van die vernieuwing worden opgeschort. Dat is ook de inhoud van de passus uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van het Decreet van 5 juli 2013, waarnaar het hof van beroep verwijst op pagina 4, derde volledige alinea, van het arrest. Een en ander doet echter geen afbreuk aan hetgeen hierboven werd uiteengezet m.b.t. de verschuldigdheid van de heffingen als gevolg van de overdracht van het onroerend goed tijdens de opschortingstermijn.

OM DEZE REDENEN

Concludeert de eiser dat het uw Hof behage

- de bestreden beslissing te vernietigen,

- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep,

- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Gent, 2 juli 2015

Voor de eiser,

Willy van Eeckhoutte,

advocaat bij het Hof van Cassatie.

Geen pro-fiscoverklaring van vrijstelling van rolrecht toegevoegd, met toepassing van artikel 269, laatste lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffie-rechten (zaak voor fiscale geschillen waarvan de waarde niet hoger is dan 250.000 euro).