Hof van Cassatie: Arrest van 26 November 1992 (België). RG 9403

Date :
26-11-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19921126-1
Numéro de rôle :
9403

Résumé :

De bij art. 52bis Chequewet ingestelde rechtsvordering tegen de trekker die geen fonds heeft bezorgd, en tegen een trekker of een endossant die zich onrechtmatig mocht hebben verrijkt, is een gemeenrechtelijke rechtsvordering; nu die rechtsvordering niet onder toepassing van het wisselrecht valt, dient de uitoefening ervan op de oorspronkelijke rechtsverhouding te zijn gegrond. ( Art. 52bis, Chequewet. )

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op de bestreden arresten, op 13 juni 1989 en 25 februari 1991 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het eerste middel : schending van artikel 52bis van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet,
doordat het hof van beroep in zijn arrest van 13 juni 1989 heeft geoordeeld dat "(eiser) toegeeft dat de cheque bij zijn aanbieding verjaard was; dat hij op grond van artikel 52bis van de eenvormige wet betoogt dat hij een rechtsvordering tegen (verweerder) behoudt aangezien hij aantoont dat laatstgenoemde geen fonds had bezorgd; dat hij evenwel over het hoofd ziet dat die rechtsvordering, niettegenstaande dat artikel, niet meer onder toepassing van het wisselrecht valt, zodat hij om de betaling van het betwiste bedrag te bekomen, thans op de oorspronkelijke overeenkomst dient te steunen"; dat het hof van beroep, in zijn arrest van 25 februari 1991, erop wijst dat "het arrest van het hof van 13 juni 1989 inzonderheid heeft beslist dat de op artikel 52bis van de eenvormige Chequewet gegronde rechtsvordering niet meer onder de toepassing van het wisselrecht valt" en daaraan toevoegt dat "die mening overeenstemt met de leer van Van Ryn en Heenen (d. III, uitg. 1981, nrs. 623 en 624)",
terwijl de rechtsvordering die, volgens de in het middel aangewezen wetsbepaling in geval van verjaring blijft bestaan tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft, onder toepassing van het wisselrecht valt; daaruit volgt dat het hof van beroep niet, zonder schending van die wetsbepaling, eiser kon verplichten op de oorspronkelijke overeenkomst te steunen om zijn rechtsvordering te doen aannemen :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de dekking van verweerders rekening ontoereikend was voor de betaling van de aan eiser afgegeven cheque van 500.000 frank, en dat van 7 december 1982, datum van zijn uitgifte, tot 17 augustus 1983, datum waarop hij ter betaling is aangeboden;
Overwegende dat artikel 52bis van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet, bepaalt dat in geval van verjaring een rechtsvordering blijft bestaan tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft, en tegen een trekker of een endossant die zich onrechtmatig mocht hebben verrijkt;
Dat de bij die wetsbepaling ingestelde rechtsvordering een rechtsvordering van gemeen recht is;
Overwegende dat het bestreden arrest van 13 juni 1989 bijgevolg artikel 52bis niet schendt door te beslissen dat de door eiser uitgeoefende rechtsvordering niet onder toepassing van het wisselrecht valt, zodat de uitoefening ervan op de onderliggende rechtsverhouding gegrond dient te zijn;
Dat het middel faalt naar recht;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.