Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.
Hof van Cassatie: Arrest van 27 Maart 1995 (België). RG P930263N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-19950327-10
- Numéro de rôle :
- P930263N
Résumé :
Geen bepaling van het KB van 3 aug. 1976, houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater vereist dat de door de bevoegde overheid in aanmerking genomen plaatselijke omstandigheden expressis verbis in de lozingsvergunning zelf worden vermeld.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 13 januari 1993 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing waarbij eiser deels wordt vrijgesproken :
Overwegende dat de voorziening bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is;
B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing waarbij eiser wordt veroordeeld :
Over het eerste middel : schending van art. 97 en 107 van de Grondwet, art. 3, alinéa 1, van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Stbl., 1 mei 1971; err. Stbl., 14 juli 1971), en van art. 35 van het K.B. van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater (Stbl., 29 sept. 1976; err. Stbl., 11 nov. 1976) :
doordat het bestreden arrest stelt dat art. 35 van het K.B. van 3 augustus 1976 als overgangsmaatregel sedert 30 april 1982 opgehouden heeft enig gevolg te ressorteren;
terwijl art. 35 van het bedoelde K.B. als dusdanig geen overgangsbepaling is, doch in het algemeen en zonder enig onderscheid tussen bestaande lozingen en nieuwe lozingen stelt binnen welke termijnen de voorwaarden van de lozingsvergunning moeten worden nageleefd :
Overwegende dat het artikel 35 van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, met de daarin bepaalde termijn van veertig maanden, de uitvoering is van de bij het artikel 44, alinéa 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; dat dit laatste artikel aan de Koning bevoegdheid verleent de termijn te bepalen binnen dewelke de vóór de inwerkingtreding van deze wet bestaande lozingen van afvalwater moeten geschieden volgens de besluiten en reglementen genomen krachtens het artikel 3, alinéa 1, van deze wet en of er voor deze lozingen eventueel een nieuwe vergunning vereist is;
Dat de bepaling van het vermelde artikel 35 derhalve een overgangsbepaling is, die krachtens het artikel 43 van de wet van 26 maart 1971, zoals dit artikel werd vervangen bij het artikel 1 van de wet van 22 mei 1979, ophield gevolg te hebben op 30 april 1982;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel : schending van de artt. 67, 78, 97 en 107 van de Grondwet, artt. 20 en 78 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, art. 44 van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw en van de artt. 14, 17 en 21 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen :
doordat het bestreden arrest de verwijzing door eiser naar de wetgeving in zake stedebouw en onbevaarbare waterlopen als irrelevant verwerpt op grond van de overweging dat "de overheid bij het bepalen van de lozingsvoorwaarden volkomen wettelijk de oprichting van een controlekamer mag opleggen zonder hierbij te moeten nagaan of nog andere reglementen of besluiten dienen te worden in acht genomen";
terwijl, eerste onderdeel : de verwijzing naar de wetgeving in zake stedebouw en onbevaarbare waterlopen door eiser wel relevant was vermits eiser gehouden is deze wetgeving en reglementering te eerbiedigen;
tweede onderdeel : de overheid zelf ook gehouden is deze wetten en hun uitvoeringsbesluiten te respecteren :
Overwegende dat de appelrechters door hun motivering vaststellen dat de bevoegde overheid bij het verlenen van een lozingsvergunning voorwaarden oplegt in functie van de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en dat het verlenen van een vergunning niet onwettig is doordat ingevolge andere wettelijke bepalingen aan die voorwaarden niet zou kunnen worden voldaan, wat enkel gevolgen heeft voor de uitvoering van de verleende vergunning;
Dat zij door hun motivering eisers desbetreffende verweer verwerpen en hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het derde middel : schending van de artt. 6, 6bis, 97 en 107 Grondwet, de artt. 6, 16, 17 en 18 van het K.B. van 2 april 1986 tot vaststelling van de sectoriële voorwaarden voor de lozing, in de gewone oppervlaktewateren en in de openbare riolen, van afvalwater afkomstig van de inrichtingen die behoren tot de sector van de pulp-, papier- en kartonindustrie (Stbl., 12 juni 1986) en de artt. 1319 tot 1322 BW :
doordat het bestreden arrest stelt dat "de eerste rechter voorts terecht besliste dat de lozingsvergunning evenmin onwettelijk was wegens schending van artikel 10, alinéa 1, van het K.B. van 3 augustus 1976 door vast te stellen dat bijzondere voorwaarden wel mogen strenger zijn dan de algemene en sectoriële voorwaarden, nu deze bijzondere voorwaarden rekening kunnen houden met bijzondere plaatselijke omstandigheden";
terwijl, eerste onderdeel : eiser geen schending heeft ingeroepen van art. 10, alinéa 1, van het K.B. van 3 augustus 1976, doch van de artt. 6 e.v. van het K.B. van 2 april 1986;
tweede onderdeel : art. 10, alinéa 1, van het K.B. van 3 augustus 1976 de overheid niet toelaat eiser bij individuele maatregel zonder meer te onderwerpen aan de voorwaarden die in het algemeen voor een andere categorie van onderneming gelden;
derde onderdeel : de bijzondere voorwaarden niet strenger mogen zijn dan de algemene en sectoriële voorwaarden, doch deze volgens art. 10, alinéa 3, van het K.B. van 3 augustus 1976 enkel mogen aanvullen zonder minder streng te zijn (art. 10, alinéa 2, van hetzelfde K.B. van 3 augustus 1976);
vierde onderdeel : in de betwiste lozingsvergunning nergens gewag wordt gemaakt van de "plaatselijke omstandigheden" ter verantwoording van de voorgeschreven bijzondere voorwaarden :
Overwegende dat het artikel 10 van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, de voor het verlenen van een lozingsvergunning bevoegde overheid machtigt in de lozingsvergunning bijzondere voorwaarden te bepalen die voortvloeien uit de plaatselijke omstandigheden en die aan bepaalde noodwendigheden beantwoorden;
Dat geen bepaling van dit reglement de aldus opgelegde voorwaarden naar aard of omvang beperkt, behoudens dat zij niet minder streng mogen zijn dan de algemene en sectoriële voorwaarden;
Dat geen bepaling vereist dat de in aanmerking genomen plaatselijke omstandigheden expressis verbis in de lozingsvergunning zelf worden vermeld;
Overwegende dat de appelrechters door de in het middel vermelde motivering niet naar eisers conclusie verwijzen en deze niet interpreteren en aldus de bewijskracht van deze conclusie niet miskennen;
Overwegende dat de appelrechters door hun motivering eisers verweer verwerpen en hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gelet op het bestreden arrest, op 13 januari 1993 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing waarbij eiser deels wordt vrijgesproken :
Overwegende dat de voorziening bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is;
B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing waarbij eiser wordt veroordeeld :
Over het eerste middel : schending van art. 97 en 107 van de Grondwet, art. 3, alinéa 1, van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Stbl., 1 mei 1971; err. Stbl., 14 juli 1971), en van art. 35 van het K.B. van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater (Stbl., 29 sept. 1976; err. Stbl., 11 nov. 1976) :
doordat het bestreden arrest stelt dat art. 35 van het K.B. van 3 augustus 1976 als overgangsmaatregel sedert 30 april 1982 opgehouden heeft enig gevolg te ressorteren;
terwijl art. 35 van het bedoelde K.B. als dusdanig geen overgangsbepaling is, doch in het algemeen en zonder enig onderscheid tussen bestaande lozingen en nieuwe lozingen stelt binnen welke termijnen de voorwaarden van de lozingsvergunning moeten worden nageleefd :
Overwegende dat het artikel 35 van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, met de daarin bepaalde termijn van veertig maanden, de uitvoering is van de bij het artikel 44, alinéa 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; dat dit laatste artikel aan de Koning bevoegdheid verleent de termijn te bepalen binnen dewelke de vóór de inwerkingtreding van deze wet bestaande lozingen van afvalwater moeten geschieden volgens de besluiten en reglementen genomen krachtens het artikel 3, alinéa 1, van deze wet en of er voor deze lozingen eventueel een nieuwe vergunning vereist is;
Dat de bepaling van het vermelde artikel 35 derhalve een overgangsbepaling is, die krachtens het artikel 43 van de wet van 26 maart 1971, zoals dit artikel werd vervangen bij het artikel 1 van de wet van 22 mei 1979, ophield gevolg te hebben op 30 april 1982;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel : schending van de artt. 67, 78, 97 en 107 van de Grondwet, artt. 20 en 78 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, art. 44 van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw en van de artt. 14, 17 en 21 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen :
doordat het bestreden arrest de verwijzing door eiser naar de wetgeving in zake stedebouw en onbevaarbare waterlopen als irrelevant verwerpt op grond van de overweging dat "de overheid bij het bepalen van de lozingsvoorwaarden volkomen wettelijk de oprichting van een controlekamer mag opleggen zonder hierbij te moeten nagaan of nog andere reglementen of besluiten dienen te worden in acht genomen";
terwijl, eerste onderdeel : de verwijzing naar de wetgeving in zake stedebouw en onbevaarbare waterlopen door eiser wel relevant was vermits eiser gehouden is deze wetgeving en reglementering te eerbiedigen;
tweede onderdeel : de overheid zelf ook gehouden is deze wetten en hun uitvoeringsbesluiten te respecteren :
Overwegende dat de appelrechters door hun motivering vaststellen dat de bevoegde overheid bij het verlenen van een lozingsvergunning voorwaarden oplegt in functie van de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en dat het verlenen van een vergunning niet onwettig is doordat ingevolge andere wettelijke bepalingen aan die voorwaarden niet zou kunnen worden voldaan, wat enkel gevolgen heeft voor de uitvoering van de verleende vergunning;
Dat zij door hun motivering eisers desbetreffende verweer verwerpen en hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het derde middel : schending van de artt. 6, 6bis, 97 en 107 Grondwet, de artt. 6, 16, 17 en 18 van het K.B. van 2 april 1986 tot vaststelling van de sectoriële voorwaarden voor de lozing, in de gewone oppervlaktewateren en in de openbare riolen, van afvalwater afkomstig van de inrichtingen die behoren tot de sector van de pulp-, papier- en kartonindustrie (Stbl., 12 juni 1986) en de artt. 1319 tot 1322 BW :
doordat het bestreden arrest stelt dat "de eerste rechter voorts terecht besliste dat de lozingsvergunning evenmin onwettelijk was wegens schending van artikel 10, alinéa 1, van het K.B. van 3 augustus 1976 door vast te stellen dat bijzondere voorwaarden wel mogen strenger zijn dan de algemene en sectoriële voorwaarden, nu deze bijzondere voorwaarden rekening kunnen houden met bijzondere plaatselijke omstandigheden";
terwijl, eerste onderdeel : eiser geen schending heeft ingeroepen van art. 10, alinéa 1, van het K.B. van 3 augustus 1976, doch van de artt. 6 e.v. van het K.B. van 2 april 1986;
tweede onderdeel : art. 10, alinéa 1, van het K.B. van 3 augustus 1976 de overheid niet toelaat eiser bij individuele maatregel zonder meer te onderwerpen aan de voorwaarden die in het algemeen voor een andere categorie van onderneming gelden;
derde onderdeel : de bijzondere voorwaarden niet strenger mogen zijn dan de algemene en sectoriële voorwaarden, doch deze volgens art. 10, alinéa 3, van het K.B. van 3 augustus 1976 enkel mogen aanvullen zonder minder streng te zijn (art. 10, alinéa 2, van hetzelfde K.B. van 3 augustus 1976);
vierde onderdeel : in de betwiste lozingsvergunning nergens gewag wordt gemaakt van de "plaatselijke omstandigheden" ter verantwoording van de voorgeschreven bijzondere voorwaarden :
Overwegende dat het artikel 10 van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, de voor het verlenen van een lozingsvergunning bevoegde overheid machtigt in de lozingsvergunning bijzondere voorwaarden te bepalen die voortvloeien uit de plaatselijke omstandigheden en die aan bepaalde noodwendigheden beantwoorden;
Dat geen bepaling van dit reglement de aldus opgelegde voorwaarden naar aard of omvang beperkt, behoudens dat zij niet minder streng mogen zijn dan de algemene en sectoriële voorwaarden;
Dat geen bepaling vereist dat de in aanmerking genomen plaatselijke omstandigheden expressis verbis in de lozingsvergunning zelf worden vermeld;
Overwegende dat de appelrechters door de in het middel vermelde motivering niet naar eisers conclusie verwijzen en deze niet interpreteren en aldus de bewijskracht van deze conclusie niet miskennen;
Overwegende dat de appelrechters door hun motivering eisers verweer verwerpen en hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.