Hof van Cassatie: Arrest van 30 April 1991 (België). RG 3130

Date :
30-04-1991
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19910430-5
Numéro de rôle :
3130

Résumé :

Wanneer een gefailleerde handelaar actief verduisterd of verborgen heeft vooraleer de staat van faillissement tot stand is gekomen, is het misdrijf van bedrieglijke bankbreuk door wegmaking van actief voltrokken op het tijdstip waarop de staat van faillissement zich voordoet.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 13 december 1988 op verwijzing gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Gelet op het arrest van het Hof van 18 december 1986 (3);
Overwegende dat de voorziening enkel gericht is tegen de beslissing op de civielrechtelijke vordering van de verweerders tegen eiser :
Over het eerste middel : miskenning van de artikelen 6, alinéa 1, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950, bekrachtigd door de wet van 13 mei 1955 en schending van artikel 97 van de Grondwet,
doordat het arrest, enerzijds, oordeelt dat wegens de bereikte verjaring van de strafvordering er geen aanleiding meer is om op penaal gebied nog na te gaan of de redelijke termijn vereist door het artikel 6 E.V.R.M. werd in acht genomen, en doordat het arrest verder oordeelt dat voor zoveel de aanspraken van de burgerlijke partijen tijdig, dit is vooraleer de verjaringstermijn van de strafvordering werd bereikt, bij de strafrechter aanhangig zijn gemaakt, de strafrechter er toe gehouden blijft te onderzoeken of de als misdrijf omschreven feiten, de beklaagde aanvankelijk in het kader van de strafvordering ten laste gelegd, wel of niet bewezen voorkomen en dat dit onderzoek nu niet meer geschiedt met het oog op de bestraffing doch wel met het oogmerk de schade te doen vergoeden die door de gebeurlijk bewezen geachte misdrijven aan de burgerlijke partij werden berokkend, wat in ons rechtssysteem ook aan de strafrechter wordt opgedragen; het arrest, anderzijds, beslist, wat de afwikkeling van de burgerlijke rechtsvordering betreft, dat de redelijke termijn van artikel 6, alinéa 1, E.V.R.M. werd nageleefd; het normaal is dat een burgerrechtelijke vordering slechts wordt afgewikkeld nadat over de penale aspecten is beslist, zodat het normaal is dat de beslissing van de burgerrechtelijke vordering langer uitblijft; de duur van de burgerlijke redelijke termijn niet noodzakelijk even kort moet zijn als deze toegestaan voor het afwerken van de ingestelde strafvordering; integendeel is het de regel dat de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering wordt geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering (met verwijzingen naar artikelen 4, 26 en 27 V.T.S.); de duur van de rechtspleging, rekening houdend met haar zeer complex karakter en haar moeilijkheidsgraad, geenszins de tijdsduur overtreft welke gebruikelijk wordt aanvaard voor het afhandelen van burgerlijke zaken; vgl. met de bij vele hoven en rechtbanken langdurige en gebruikelijke wachttermijnen zonder dat de pleiters zich telkens menen te kunnen of moeten beroepen op de redelijke termijn van artikel 6 van het E.V.R.M.; er geen aanleiding is, mocht de termijn overschreden zijn, om bij wijze van sanctie de burgerlijke partij de nadelige gevolgen ervan te laten dragen, wegens een aan de Staat te wijten tekortkoming; eiser zich desgewenst - en indien daartoe gronden zouden zijn - zelf tot de Staat kan wenden maar de vergoedende intrest juist als bestaansreden heeft de vertraging in de schadeloosstelling in hoofde van de burgerlijke partij goed te maken,
terwijl, enerzijds, de vaststelling dat de strafvordering is verjaard het hof niet ontslaat van de verplichting om, nu het hof deze vordering verder behandelt, ook te onderzoeken of de ingestelde strafvordering al of niet nog binnen een redelijke termijn wordt behandeld en welke rechtsgevolgen aan het resultaat van dit onderzoek moeten gehecht worden; de beoordeling van de redelijkheid van de termijn zich des te meer opdrong nu het arrest onderzoekt, met het oog op de gebeurlijke verjaring van de burgerlijke vordering, of de als misdrijf omschreven feiten wel of niet bewezen voorkomen, en hierbij zelfs de strafrechtelijke kwalificatie van de eerste rechter wijzigt, d.i. de gegrondheid van de strafvordering verder onderzoekt, zij het dat nu geen straf meer wordt opgelegd; eiser uitdrukkelijk had gesteld dat, daar de strafvordering niet binnen een redelijke termijn werd beslecht (zie de beroepsconclusie, o.m. pag. 8-10, en de uiteenzetting over het procedureverloop), het hof niet langer vermocht verder te onderzoeken of er in casu wel een misdrijf aanwezig was; anderzijds, artikel 6, alinéa 1, E.V.R.M. aan een betichte het recht toekent om bij het behandelen van de strafvordering en bij het beslechten van een burgerlijk geschil, zijn zaak binnen een redelijke termijn te zien af te handelen; de redelijkheid van een termijn moet worden beoordeeld volgens de concrete omstandigheden van de zaak, wat hier betekent dat de situatie moet beoordeeld worden waarbij een strafvordering, vervallen wegens verjaring, niet meer behandeld wordt binnen een redelijke termijn, terwijl de strafrechter zich nog bevoegd acht om over de burgerlijke belangen te oordelen in het licht van het bestaan van een misdrijf en waarbij de burgerlijke partij, die de strafrechtelijke weg volgt voor de behandeling van een burgerlijk geschil, zich eerst stelt vier jaar en een half na de betichting, daar waar ze via een burgerlijke rechtsvordering haar burgerlijke eis veel sneller had kunnen laten behandelen; een proceduretermijn zoals in deze van meer dan 10 jaar t.a.v. een betichte, ook voor de afhandeling van het burgerlijke geschil, een kennelijk onredelijk karakter heeft; een burgerlijke partij die haar burgerlijke rechtsvordering stelt voor de strafrechter meteen de termijn van behandeling van deze vordering met de termijn van de strafvordering verbindt; bij faillissement, de openbare rechtsvordering en de burgerlijke rechtsvordering, tegenover elkaar onafhankelijk en autonoom zijn; de burgerlijke partij, in haar hoedanigheid van curator, bij verduisteringen die gebeurlijke bedrieglijke bankbreuk uitmaken, de mogelijkheid heeft om een burgerlijke vordering in te stellen voor de rechtbank van koophandel om uitspraak te doen over de terugkeer in de boedel van de schuldeisers van de bedrieglijk ontnomen goederen en deze vordering zelf kan activeren wat niet het geval is wanneer hij zich zonder meer aansluit bij de strafvordering; het feit dat een curator daartoe de weg van de strafvordering volgt niet tot gevolg heeft dat de onredelijke termijn van de burgerlijke vordering, gekoppeld aan de strafvordering, hem niet meer toerekenbaar zou zijn; de burgerlijke partij zich eerst heeft gesteld voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen op 8 november 1982, dit is vier jaar en zes maanden nadat verzoeker in betichting werd gesteld, wat op de kennelijke inactiviteit van de burgerlijke partij wijst; trouwens de behandeling in eerste aanleg van een strafvordering vier jaar en een half na de beschuldiging op zichzelf reeds onredelijk is, gegeven de concrete omstandigheden, hoe dan ook, het feit dat de burgerlijke partij vier jaar en een half wacht om haar burgerlijke aanspraken kenbaar te maken niet aan eiser kan worden toegerekend, wat door het arrest gebeurt daar de vergoeden
de intrest aan de burgerlijke partij wordt toegekend vanaf 28 april 1978; eiser zelf niet in de mogelijkheid is de strafprocedure te activeren, wat bij een loutere burgerlijke behandeling wel het geval is; het beroep op artikel 6, alinéa 1, E.V.R.M. een effectief en rechtstreeks karakter moet hebben, wat de gevatte rechter verplicht de ingeroepen rechtsbepaling te verrekenen bij de behandeling van de vordering zelf, des te meer nu de burgerlijke partij verzoekt om eiser toe de vergoedende intresten te veroordelen; de overweging dat een dergelijke termijn, zoals in zake, gebruikelijk is voor het afhandelen van burgerlijke zaken in België strijdig met het vereiste van het onderzoek in concreto en als argument overigens niet dienend is om artikel 6, alinéa 1, te interpreteren; het feit dat door de werking van de verjaringsregelen de behandeling van de burgerlijke vordering wordt geschorst niet dienend is om de redelijkheid van de termijn te beoordelen, beginsel dat niet voor schorsing vatbaar is; er een rechtstreeks en compenserend verband bestaat tussen de onredelijke termijn en de aan de burgerlijke partij toegekende vergoedende intresten, wat betekent dat de burgerlijke partij zelf wordt vergoed voor de onredelijke termijn waartoe ze zelf heeft bijgedragen, en de last van deze onredelijke termijn exclusief op de schouders van eiser wordt gelegd; zodat het arrest, door te oordelen zoals aangeduid, de ingeroepen wetsbepalingen schendt :
Overwegende dat de civielrechtelijke vordering die ontstaat uit een misdrijf, krachtens artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering kan worden vervolgd voor de strafrechter, terzelfder tijd als de strafvordering, of in een afzonderlijk geding voor de bevoegde burgerlijke rechter; dat ze in dit laatste geval is geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die voor of gedurende de civielrechtelijke vordering is ingesteld;
Overwegende dat te dezen de strafvordering was ingesteld voor de civielrechtelijke vordering; dat de uitspraak over die civielrechtelijke vordering - zelfs indien ze ware ingesteld voor de burgerlijke rechter - nooit voor de uitspraak over de strafvordering had kunnen geschieden; dat immers de onrechtmatige daad waarop de civielrechtelijke vordering steunt moet samenvallen met het door de wet als een misdrijf omschreven feit waarop de strafvordering betrekking had;
Overwegende dat de strafrechter bij wie de civielrechtelijke vordering te bekwamer tijd werd ingesteld - dit is vooraleer de strafvordering door verjaring vervallen was - krachtens artikel 27 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering over die civielrechtelijke vordering uitspraak moet doen, zelfs indien hij vaststelt dat de strafvordering door verjaring vervallen is;
Overwegende dat de rechter die - na te hebben vastgesteld dat de strafvordering door verjaring vervallen is - uitspraak moet doen over de civielrechtelijke vordering, welke steunt op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, niet meer te oordelen heeft over de gegrondheid van de tegen de beklaagde ingestelde strafvordering, doch enkel over de vraag of de beklaagde een onrechtmatige daad heeft gesteld die voldoet aan de constitutieve bestanddelen van het strafbaar feit dat hem was ten laste gelegd;
Overwegende dat de beslissing waarbij de rechter vaststelt dat de strafvordering door verjaring vervallen is, niet inhoudt dat de redelijke termijn om uitspraak te doen over de civielrechtelijke vordering zou verstreken zijn, nu het voorwerp van die vordering niet hetzelfde is als dat van de strafvordering;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het derde middel : schending van de artikelen 489 van het Strafwetboek, 577 t/m 583 van het Wetboek van Koophandel en 97 van de Grondwet, en miskenning van het recht van verdediging,
doordat het arrest oordeelt dat de oorspronkelijke kwalificatie van de dagvaarding, namelijk bedrieglijk bankroet, moet weerhouden worden, dat het opzet van eiser bewezen is en dat de oorspronkelijke betichtingen A1.a1 en A1.a2 bewezen zijn,
terwijl eiser enkel werd vervolgd wegens bedrieglijke bankbreuk tussen 14 april 1977 (feitelijk faillissement) en 28 april 1978 (ambtshalve faillissement); de feiten die het arrest weerhoudt zich buiten deze periode situeren, meer bepaald feiten betreffen die de datum van 14 april 1977 voorafgaan; het bedrieglijk opzet, d.i. o.m. de kennis bij de dader dat er staking van betaling aanwezig moet zijn op het ogenblik van de beweerde ontdragingen; het arrest oordeelt dat vanaf begin 1978 uit het samenlezen van de gegevens van het strafdossier blijkt dat de vennootschappen onoplosbare en aanslepende financiële problemen kenden, meer bepaald zeer acute, niet voorbijgaande en niet kortstondige likwiditeitsmoeilijkheden en uit de feitelijke elementen die het arrest daartoe opsomt, blijkt dat deze opsomming geen enkel feit bevat voor de periode die 15 april 1977 voorafgaat; eiser de aanwezigheid van het bijzonder opzet niet alleen uitdrukkelijk had betwist maar daarenboven zich niet diende te verantwoorden voor een mogelijks bedrieglijk opzet voor 15 april 1977, zodat het arrest onmogelijk kon oordelen dat het vereiste bedrieglijk opzet aanwezig was voor de datum van 15 april 1977, minstens het bestaan ervan niet wettelijk heeft vastgesteld en aldus de ingeroepen wetsbepalingen schendt :
Overwegende dat schuldig is aan bedrieglijke bankbreuk door wegmaking van actief, de gefailleerde handelaar die bedrieglijk, dit is met het oogmerk actief te onttrekken aan zijn schuldeisers, een gedeelte van zijn actief verduisterd of verborgen heeft;
Overwegende dat dit misdrijf erin bestaat actief verduisterd of verborgen te hebben, hetzij nadat de dader reeds in staat van faillissement verkeerde, hetzij voordien; dat in dit laatste geval het misdrijf voltrokken wordt op het tijdstip waarop de staat van faillissement zich voordoet;
Overwegende dat te dezen eiser was vervolgd ter zake van bedrieglijk verduisteren of wegmaken van actief, namelijk van diverse bedragen, feiten die gepleegd werden op verscheidene tijdstippen die aan de staat van faillissement van de N.V. Steenbakkerijen De Neef (Landuyt) Luxora, waarvan eiser de feitelijke leiding had, voorafgingen;
Overwegende dat eiser, nu deze feiten een bestanddeel zijn van het hem ten laste gelegde misdrijf, zich ook diende te verantwoorden omtrent het bedrieglijk opzet dat hem met betrekking tot die feiten werd verweten;
Overwegende dat de appelrechters constateren dat eiser de diverse bedragen die het arrest vermeldt "voor eigen belang heeft onttrokken aan de vennootschap" en dat die vennootschap, waarvan hij de leiding waarnam, vanaf 15 april 1977 in feitelijke staat van faillissement verkeerde;
Overwegende dat de appelrechters zodoende de beslissing dat eiser het misdrijf van bedrieglijke bankbreuk pleegde regelmatig met redenen omkleden en naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.
(3) Lees Cass., 16 dec. 1986, A.R. nr. 243 (A.C. 1986-87, nr. 235).