Hof van Cassatie: Arrest van 6 April 1992 (België). RG M561F

Date :
06-04-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19920406-1
Numéro de rôle :
M561F

Résumé :

Art. 1109 Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk inzake contracten geen toestemming geldig is, indien zij alleen door dwaling is gegeven, is niet toepasselijk op de aanvragen om uitstel in dienstplichtzaken.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 9 december 1991 door de Hoge Militieraad gewezen;
Over het vijfde middel, dat als volgt luidt : schending van de artikelen 2, 779, 782, 785, 860, 862 van het Gerechtelijk Wetboek, 29, alinéa 1, en 37, alinéa 1, eerste lid, van de dienstplichtwetten, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 30 april 1962,
doordat de bestreden beslissing alleen ondertekend is door de voorzitter, de h. Hellier, en door de secretaris-verslaggever, de h. Hennekinne,
terwijl naar luid van artikel 782 van het Gerechtelijk Wetboek, "het vonnis wordt ondertekend door de rechters die het hebben uitgesproken, en door de griffier"; de regels van het Gerechtelijk Wetboek op alle rechtsplegingen van toepassing zijn, behoudens uitzonderingen (artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek), die evenwel geen betrekking hebben op de rechtspleging voor de militieraden en voor de Hoge Militieraad; de bestreden beslissing bijgevolg ook had moeten ondertekend zijn door de twee andere leden van de Hoge Militieraad die de beslissing heeft genomen, te weten de hh. Malempré en Hoef; bij ontstentenis daarvan niet kan worden nagegaan of laatstgenoemden alle zittingen hebben bijgewoond, inzonderheid die van 9 december 1991 en of zij wel degelijk de bestreden beslissing hebben uitgesproken (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek); de handtekening van de voorzitter alleen niet volstaat, aangezien de Hoge Militieraad bij meerderheid van stemmen uitspraak doet en uit drie leden bestaat (artikelen 29, alinéa 1, en 37, alinéa 1, eerste lid, van de gecoördineerde dienstplichtwetten), daaruit volgt dat de beslissing nietig is :
Overwegende dat, naar luid van artikel 20 alinéa 1, van het koninklijk besluit van 30 juli 1987 houdende uitvoering van de gecoördineerde dienstplichtwetten, de beslissingen van de militiegerechten door de voorzitter en door de secretaris-verslaggever worden ondertekend;
Overwegende dat ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek artikel 782 van dat wetboek niet van toepassing is op de beslissingen van de militiegerechten;
Overwegende dat uit de artikelen 29, alinéa 1, en 37, alinéa 1, van de gecoördineerde dienstplichtwetten niet volgt dat de beslissingen van de Hoge Militieraad door de drie leden van dat rechtscollege moeten ondertekend zijn;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel, dat als volgt luidt : schending van de artikelen 26, alinéa 1, 3°, 26, alinéa 2, eerste lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, 6 en 6bis van de Grondwet,
doordat de Hoge Militieraad overweegt dat "het Arbitragehof in het arrest nr. 8/91 van 19 april 1991 inzake Y. Morcaut heeft beslist dat artikel 118, alinéa 2, van de op 30 april 1962 gecoördineerde dienstplichtwetten, ingevoegd in die wetten bij artikel 34 van de wet van 16 juni 1987 de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet niet schendt; dat de heer Morcaut in voormeld geval weliswaar met de lichting 1987 om studiereden heeft verkregen en niet op grond van artikel 10, alinéa 1, 8°, terwijl hij sedert 1982 in Israël verbleef (zie de beslissing van de Hoge Militieraad van 2 oktober 1989 ref. C.S.M. 184/1989), wat echter niet wegneemt dat de redenen ter verantwoording van de beslissing van het Arbitragehof ook op het geval van de ingeschrevene van toepassing zijn, zelfs als het uitstel met de lichting 1987 werd verleend op grond van het oude artikel 10, alinéa 1, 8°); dat het in die omstandigheden, bij ontstentenis van enige discriminatie, zinloos is de door (eiser) voorgestelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen",
terwijl het Arbitragehof in zijn arrest van 18 (en niet 19) april 1991 beslist dat: "Door, voor de eventuele toekenning van de vrijlating enkel die ingeschrevenen in aanmerking te nemen die een uitstel hadden gevraagd en bekomen wegens werkelijk en gewoon verblijf buiten Europa, heeft de wetgever een maatregel genomen die niet onevenredig lijkt met het doel dat hij nastreeft. Immers, aangezien sommigen die hun werkelijke en gewone verblijfplaats buiten Europa hadden, nu eens om die reden zelf, dan weer omwille van hun studies een uitstel konden bekomen, lijkt de voorwaarde die bestaat in de voorafgaande toekenning van uitstel wegens werkelijk en gewoonlijk verblijf buiten Europa, pertinent; de wetgever heeft kunnen vermoeden dat de betrokkenen die om die reden uitstel hadden gevraagd in plaats van zich te beroepen op de studies, de bedoeling hadden zich buiten Europa te vestigen"; die motieven kunnen niet van toepassing zijn op het geval van eiser; laatstgenoemde zijn verzoek om uitstel voor de lichting 1987 immers had gegrond op artikel 10, alinéa 1, 8°, van de gecoördineerde dienstplichtwetten, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1987, en krachtens hetwelk : "Zolang de ingeschrevene in aanmerking komt voor het contingent ener lichting, genoemd naar een der jaren waarin hij de leeftijd van 19 tot 23 jaar bereikt, kan hij een uitstel bekomen waardoor hij telkens naar de volgende lichting overgaat, indien hij aan een der hierna gestelde vereisten voldoet : hij die in het buitenland verblijft"; de omstandigheid dat een ingeschrevene, zoals eiser, een uitstel om die reden heeft aangevraagd, samen met het feit dat zijn verblijfplaats in het buitenland buiten Europa is gelegen, kan laten veronderstellen dat hij zich reeds buiten Europa heeft gevestigd, of althans dat hij dat van plan is; die toestand hoe dan ook niet kan worden vergeleken met die van de ingeschrevene die uitstel vraagt om studieredenen; daaruit volgt dat de hoge militieraad zijn beslissing, om de door eiser in zijn memorie geformuleerde prejudiciële vraag niet aan het Arbitragehof voor te leggen, niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 26, alinéa 1, 3°, 26, alinéa 2, eerste lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, 6 en 6
bis van de Grondwet) :
Overwegende dat de Hoge Militieraad, ingevolge artikel 26, alinéa 2, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, er niet toe gehouden is het Arbitragehof te verzoeken om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen op een vraag, bedoeld in alinéa 1 van dat artikel, wanneer dat Hof zich reeds heeft uitgesproken over een vraag of een voorziening met hetzelfde onderwerp;
Overwegende dat de door eiser voor de Hoge Militieraad geformuleerde vraag als volgt luidde : "Doet artikel 118, alinéa 2, van de op 30 april 1982 gecoördineerde dienstplichtwetten, zoals het bij artikel 34 van de wet van 16 juni 1987 in die wetten is ingevoegd en op 1 januari 1987 in werking is getreden, in zoverre het bepaalt dat artikel 12, alinéa 1, 1°, van voornoemde wetten, in de redactie die eraan gegeven was bij de wet van 1 december 1976, enkel geldt voor de ingeschrevene die met de lichting 1987 ten minste één uitstel verkregen heeft op grond van artikel 10, alinéa 4, 5°, van voornoemde wetten, in de redactie die eraan gegeven was bij de wet van 1 december 1976, terwijl artikel 12, alinéa 1, 1°, die voorwaarde niet stelt, een discriminatie ontstaan tussen de ingeschrevene die op 1 januari 1987 werkelijk en gewoonlijk buiten Europa verblijf hielden, en die, nu eens hun aanvraag tot uitstel op artikel 10, alinéa 4, 5°, van de voormelde wetten hadden gegrond, dan weer op artikel 10, alinéa 1, 8°, dat uitstel verleent tot de leeftijd van 23 jaar aan degene die in het buitenland verblijft, en is het aldus in strijd met de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet?";
Overwegende dat dat de Hoge Militieraad vaststelt "dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 8/91 van 19 (lees : 18) april 1991 inzake Y. Morcaut, heeft beslist dat artikel 118, alinéa 2, van de op 30 april 1962 gecoördineerde dienstplichtwetten, dat bij artikel 34 van de wet van 16 juni 1987 in die wetten is ingevoegd, de artikelen 6 en 6 bis van de Grondwet niet schendt";
Overwegende dat voormeld arrest van het Arbitragehof betrekking had op een in bovenvermelde bewoordingen gestelde vraag, met dien verstande dat daarin geen onderscheid werd gemaakt volgens de oorzaak van hun uitstel tussen de ingeschrevene die op 1 januari 1987 hun werkelijk en gewoon verblijf buiten Europa hadden;
Dat de Hoge Militieraad, nu hij vaststelt dat het Arbitragehof zich over die vraag had uitgesproken, de beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, houdt de uitspraak aan totdat het Arbitragehof uitspraak heeft gedaan op de volgende vraag : "Worden de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet geschonden door artikel 118, alinéa 2, van de gecoördineerde dienstplichtwetten, in zoverre het bepaalt dat alleen de ingeschrevene die, met de lichting 1987, ten minste één uitstel heeft verkregen op grond van artikel 10, alinéa 4, 5°, van de op 30 april 1962 gecoördineerde dienstplichtwetten, in de redactie die eraan gegeven was bij de wet van 1 december 1976, op die grondslag zoveel uitstel kan verkrijgen als vereist om aanspraak te kunnen maken op de vrijlating als bepaald in artikel 12, alinéa 1, 1°, van de genoemde wetten, in de redactie die eraan was gegeven bij de wet van 1 december 1976, en in zoverre het niet dezelfde mogelijkheid biedt aan de ingeschrevene die, met de lichting 1987, ten minste één uitstel heeft verkregen op grond van artikel 10 alinéa 1, 8°, van de gecoördineerde dienstplichtwetten, in de redactie van dat artikel voor de inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1987, en evenmin aan de ingeschrevene die, met de lichting 1987, voldeed aan de voorwaarden gesteld in artikel 10, alinéa 4, 5°, van de gecoördineerde dienstplichtwetten, in de redactie die eraan was gegeven bij de wet van 1 december 1976?"