Hof van Beroep: Arrest van 25 Oktober 2017 (Gent). RG 2016/NT/271
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20171025-9
- Numéro de rôle :
- 2016/NT/271
Résumé :
Artikel 56, lid 2 SW7 Bijzondere herhaling heeft voorrang op wettelijke herhaling Periode van telastlegging wordt opgesplitst in deel wettelijke en deel bijzondere herhaling
Arrêt :
Verdacht van:
te Wervik en met samenhang te Menen en op andere plaatsen in het Rijk :
bij inbreuk op de artikelen 1, 2 bis § 1, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en op de artikelen 1, 1bis, 2, 11, 26 bis en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen te hebben vervaardigd, in zijn bezit te hebben gehad, te hebben verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft,
namelijk :
A.1 (...)
A.2. : in de periode van 13 januari 2015 tot en met 10 februari 2015 :
door niet nader te bepalen hoeveelheden van het zogenaamde product heroïne, dat substanties bevat die onder de wetenschappelijke benaming heroinum opgenomen zijn in artikel 1 nr. 36 van voormeld KB 31 december 1930, op niet nader te bepalen tijdstippen te hebben aangeschaft en in bezit te hebben gehad, o.m. 14 pacsons heroïne op datum van 10 februari 2015, en niet nader te bepalen hoeveelheden op niet nader te bepalen tijdstippen te hebben afgeleverd of verkocht, o.m. aan LS en DN (aan beiden samen 1 gram heroïne om de twee dagen) en aan diverse andere personen uit zijn vriendenkring.
3. De staat van wettelijke en bijzondere herhaling
Overeenkomstig hetgeen in de inleidende dagvaarding door het Openbaar Ministerie werd gesteld, werd het feit, voorwerp van de tenlastelegging A2 gepleegd in staat van wettelijke herhaling én in staat van bijzondere herhaling.
Voor zover dit feit door het hof bewezen zou worden verklaard, kan overeenkomstig het artikel 100 Sw. de wettelijke herhaling voorzien bij het artikel 56, lid 2 Sw. niet weerhouden worden aangezien alsdan aan de voorwaarden voor het weerhouden van de staat van bijzondere herhaling zoals voorzien in het artikel 5 van de Wet van 24 februari 1921 voldaan is ingevolge het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 12 januari 2015 waarbij de beklaagde veroordeeld werd wegens inbreuken op de drugsreglementering (zie en vgl. Cass., 13 januari 2009, AR P.08.1626 N, NC 2009, afl. 4, 264).
De wettelijke herhaling voorzien bij het artikel 56, lid 2 Sw. kan slechts weerhouden worden wanneer de voorwaarden voor de bijzondere herhaling niet vervuld zouden zijn (zie Vandromme S., Comm. Strafr., "Herhaling, bijzondere strafwetten", blz. 5, nr. 7).
Het vonnis waarop de staat van bijzondere herhaling wordt geënt werd gewezen door de 19e kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper, op 12 januari 2015 waarbij de beklaagde veroordeeld werd wegens inbreuken op de drugsreglementering. Er werd een attest van niet verhaal aan het dossier gevoegd en dit vonnis heeft aldus kracht van gewijsde verkregen op 6 februari 2015.
De termijn van de herhaling begint te lopen vanaf het ogenblik dat de veroordeling kracht van gewijsde heeft gekregen.
Voor zover het feit A2 bewezen wordt verklaard werd dit vanaf 7 februari 2015 gepleegd in staat van bijzondere herhaling.
(Achtste kamer, 2016/NT/271, 25 oktober 2017)