Rechtbank van Koophandel: Vonnis van 10 Oktober 2007 (Kortrijk). RG AR 2353/05
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20071010-1
- Numéro de rôle :
- AR 2353/05
Résumé :
Samenvatting 1
Jugement :
Nr. Rep.
De rechtbank van koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend
In de zaak nr. 2353/2005 der algemene rol.
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 en die voor deze rechtspleging woonplaats kiest op het kantoor van de dienstchef van de Juridische Cel van de Administratie der Directe Belastingen, Sector Invordering te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4 ;
Eiseres op hoofdeis, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Francis Werbrouck, advocaat te Roeselare,
TEGEN :
1.De heer A, industrieel ingenieur, wonende te ...,
2.Mevrouw B, huisvrouw, wonende te ... ,
3. De NV HEKAMA, met vennootschapszetel te 8510 Kortrijk-Marke, Abdis Agnesstraat 1/A en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0465.656.814,
Verweersters op hoofdeis,
Eisers in gedwongen tussenkomst; hebbende als raadsman Mter. Veerle Lisabeth, advocaat te Waregem en pleitend Mter. Els De Frene, advocaat te Harelbeke,
4.De NV ICOS VISION SYSTEMS CORPORATION, met vennootschapszetel te 3001 Leuven-Heverlee, Esperantolaan 8 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0438.068.826 ;
Eerste verweerster in gedwongen tussenkomst, hebbende als raadslieden Mters. Frank Hellemans en Hans Gilliams, advocaten te Antwerpen en pleitend Mter. Frank Hellemans voornoemd,
5.De NV INDAS, met vennootschapszetel te 8500 Kortrijk, Kapel ter Bede 84 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0427.073.974,
Tweede verweerster in gedwongen tussenkomst, hebbende als raadsman Mter. Rik Honoré en pleitend Mter. Thomas Goethals, advocaten te Kortrijk.
De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 12 september 2007 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
1. De vorderingen en de procedure.
Met dagvaarding, betekend op 20 juni 2005, vordert de Belgische Staat de solidaire veroordeling van A, B en van de NV Hekama tot de betaling van euro 327.540,60, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en tot de betaling van de kosten van het geding.
Met dagvaardingen, betekend op 6 en 7 april 2006 vorderen A, B en de NV Hekama
de gedwongen tussenkomst van de NV Icos Vision Systems Corporation, verder de NV Icos genoemd, en van de NV Indas in voormelde procedure,
in geval van hun veroordeling tot de betaling aan de Belgische Staat, de solidaire veroordeling van de NV Icos en de NV Indas met hen tot de betaling van een bedrag van euro 327.540,60, meer aanhorigheden en kosten.
Bij beschikking van 28 maart 2007, waarbij de conclusietermijnen werden vastgelegd, overeenkomstig het akkoord van de partijen ter zitting van 28 maart 2007, werd bepaald dat de laatste conclusie te nemen door A, B en de NV Hekama ter griffie diende neergelegd te worden op 6 juni 2007, als laatste nuttige dag.
A, B en de NV Hekama hebben die conclusie ter griffie neergelegd op 6 juni 2007.
Uit de stukken neergelegd door de NV Icos blijkt dat die besluiten werden opgestuurd aan de andere partijen in deze zaak betrokken op 11 juni 2007, dit is 5 dagen na de laatste nuttige dag bepaald voor het neerleggen van de conclusie.
De NV Icos en de NV Indas vorderen dat de sanctie voorzien in de laatste alinea van art. 747 § 2 Ger.W., wordt toegepast: de wering uit de debatten van die besluiten.
A, B en de NV Hekama hebben niet nader geconcludeerd over de gevorderde sanctie wegens de laattijdige neerlegging van hun besluiten.
Art. 745 Ger.W. bedingt dat alle conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden worden terzelfder tijde als zij ter griffie worden neergelegd. In voorliggend geval werd aan dat voorschrift niet voldaan.
In het arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 2005 (P. & B., 2005, 289) werd aangenomen dat bij de bepaling van de datum voor neerlegging van de conclusies, de conclusies tijdig moeten worden neergelegd ter griffie én de verzending ervan eveneens binnen de opgegeven tijdspannen moet plaats grijpen. Er voor zorgen dat enkel de conclusie tijdig ter griffie wordt neergelegd, beantwoordt volgens het Hof van Cassatie niet aan de eisen van de wetgever, zodat de voorziene sanctie moet worden toegepast.
De conclusie van A, B en de NV Hekama, neergelegd ter griffie op 6 juni 2007, wordt dan ook uit de debatten geweerd, wat impliceert dat de rechtbank met de inhoud van die conclusie op geen enkele manier rekening houdt.
2. Korte schets van de feiten en het standpunt van de partijen.
De NV Covan Vision Systems, verder de NV Covan genoemd, werd bestuurd door A, B, de NV Hekama, de NV Icos en de NV Indas.
De NV Hekama, de NV Icos en de NV Indas waren de aandeelhouders van de NV Covan.
A is de afgevaardigd bestuurder van de NV Hekama.
A en B zijn met elkaar gehuwd.
Naar de Belgische Staat voorhoudt waren A, B en de NV Hekama verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de vennootschap met inbegrip van de financiën en de financiële verslaggeving aan de raad van bestuur. A was aangesteld als afgevaardigd bestuurder van de NV Covan.
De NV Icos en de NV Indas beschouwen zich als niet-uitvoerende bestuurders die op geen enkele wijze betrokken waren bij het dagelijks bestuur van de NV Covan.
De NV Covan werd failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 17 juni 2002. De Belgische Staat heeft in dat faillissement een schuldvordering ingediend op basis van de aan haar verschuldigde bedrijfsvoorheffing, een bedrag van euro 266.049,27 in hoofdsom. Haar schuldvordering werd bij vonnis van 23 september 2002 opgenomen in het bevoorrecht passief van de NV Covan voor een bedrag van euro 273.306,20, rente inbegrepen.
Er is geen betwisting over het feit dat het voormeld faillissement gesloten werd op 28 november 2005 en dat de Belgische Staat uit het faillissement van de NV Covan niets heeft ontvangen.
Nadat de Belgische Staat kennis had gekregen van de curator van het faillissement van de NV Covan dat er voor haar geen dividend te verwachten was uit het faillissement van de NV Covan heeft zij op 24 januari 2005 de vijf bestuurders van de NV Covan in gebreke gesteld, haar vordering, aangegroeid met de rente tot een bedrag van euro 321.338,67, te betalen.
De NV Icos en de NV Indas hebben op die ingebrekestelling geantwoord en de redenen aangevoerd waarom zij niet kunnen gehouden zijn tot betaling aan de Belgische Staat.
Daarop heeft de Belgische Staat enkel A, B en de NV Hekama gedagvaard tot de betaling van euro 327.540,60, de door de NV Covan niet betaalde bedrijfsvoorheffing, vermeerderd met de vervallen rente, de gerechtelijke rente en de kosten van het geding. Zij baseert zich daarbij op het onrechtmatig handelen van de drie gedagvaarde bestuurders in hun functie als bestuurders om hun veroordeling te bekomen tot betaling van schadevergoeding, vastgesteld op dat bedrag van euro 327.540,60.
Tegenover de vordering van de Belgische Staat voeren A, B en de NV Hekama aan:
a)De niet ontvankelijkheid van de vordering, omdat het handelingen betreft tijdens de verdachte periode gesteld, enkel door de curator nietig te verklaren. Door deze vordering bekomt de Belgische Staat volgens hen een supervoorrecht. Verder is die vordering volgens hen ook niet te rijmen met de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen waarbij ondermeer het systeem van de kosteloze zekerheidsstelling werd ingevoerd.
b)De ongegrondheid van de vordering, omdat een fout en het oorzakelijk verband tussen fout en schade niet zijn bewezen en het gelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht door de Belgische Staat werden miskend.
c)En dat er geen duidelijkheid is over de gevorderde rente en de kosten.
A, B en de NV Hekama hebben vervolgens een dagvaarding uitgestuurd lastens de NV Icos en de NV Indas om enerzijds hen te dwingen tussen te komen in het geding aanhangig tussen hen en de Belgische Staat en anderzijds de NV Icos en de NV Indas solidair met hen te veroordelen tot de betaling aan de Belgische Staat, voorzover zij worden veroordeeld tot de betaling aan de Belgische Staat.
Zij voeren in hun besluiten van 14 maart 2007, neergelegd ter zitting van 21 maart 2007, aan dat zij wel degelijk over een vorderingsrecht beschikken en dat de NV Icos en de NV Indas wel degelijk op de hoogte waren van de financiële toestand van de NV Covan en het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing.
De NV Icos en de NV Indas betwisten de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering van A, B en de NV Hekama. Zij wijzen er op dat er hen, in hun mandaat als bestuurder, geen specifieke fout kan worden verweten.
3. Beoordeling.
3.I. DE HOOFDEIS
3.I. A. De ontvankelijkheid van de hoofdeis.
----------------------------------------------------------
Ook bij het faillissement van haar debiteur behoudt de Belgische Staat als individuele schuldeiseres een zelfstandig vorderingsrecht voor haar bijzondere schade, met name het niet kunnen innen van haar vordering, die andere schade is dan degene die reflecteert op alle schuldeisers wegens de waardevermindering van het vermogen van de schuldenaar.
[Vananroye J., "Vorderingsrechten van curator en individuele schuldeiser van schade aan het vermogen van de gefailleerde", T.R.V., 1998, 279; noot onder Cass. 5 december 1997, T.R.V., 1998, 268 - Geinger H., Van Buggenhout C. en Van Heuverswyn C., "Het faillissement en het gerechtelijk akkoord, Overzicht van rechtspraak" (1990-1995), T.P.R., 1996, nr. 147, p. 1032].
Derden kunnen individueel vorderen voor hun bijzondere schade, zoals voor het niet-recupereerbare deel van hun schuldvordering. [Geens K., Denef M., Hellemans F., Tas R. en Vananroye J., "Vennootschappen, Overzicht van rechtspraak" (1992-1998), T.P.R., 2000, nr. 277, p. 313 - nrs. 279/282, p. 314/316 - nr. 290, p. 322/323 - Bekaert J. "De nieuwe bestuurdersaansprakelijkheid voor fiscale schulden: slapeloze nachten voor de bestuurders of much ado about nothing ?", R.W. 2006-2007, 1754 en 1755, nr. 14].
De vergoeding van de schade die de Belgische Staat vordert, is individuele schade die losstaat van de schade die aan het vermogen van de vennootschap zou zijn toegebracht. (Antwerpen, 3 oktober 2002, R.W. 2003-2004, 663).
De Belgische Staat vordert in deze procedure de betaling van haar individuele schade.
Het gaat in voorliggend geval dus niet om een vordering ingesteld door de Belgische Staat om bepaalde handelingen niet tegenstelbaar aan de boedel te laten verklaren, een vordering die inderdaad enkel aan de curator toekomt. Dit argument, aangevoerd door A, B en de NV Hekama, is niet toepasselijk.
Evenmin schept de Belgische Staat zich een supervoorrecht. De vordering van de Belgische Staat, voor zover ze gegrond wordt verklaard, heeft geen enkele invloed op de rangregeling, op te stellen door de curator van de NV Covan.
De wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen waarbij ondermeer de mogelijkheid tot de bevrijding van de natuurlijke kosteloze zekersteller werd ingevoerd, kan evenmin enige invloed hebben op de ontvankelijkheid van deze vordering. A, B en de NV Hekama worden door de Belgische Staat aangesproken tot betaling van schadevergoeding wegens een door hen begane fout en niet als natuurlijke kosteloze zekerstellers.
De vordering van de Belgische Staat is derhalve ontvankelijk.
3.I.B. De grond van de hoofdeis.
-------------------------------------------
De Belgische Staat vordert betaling vanwege A, B en de NV Hekama van schadevergoeding, waarvan de grootte gelijk gesteld wordt met een aantal onbetaalde bedragen aan bedrijfsvoorheffing, vermeerderd met rente, en dit op basis van art. 1382 en volg. B.W.
De rechtbank merkt vooreerst op dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon voor een aquiliaanse fout die door één van zijn organen werd begaan, de persoonlijke aansprakelijkheid van die organen niet uitsluit (Cass. 20 juni 2005, T.B.H. 2006, 418 met noot van Arnaud Goibion, T.B.H. 2006, 424 - 425, nr. 13).
De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent is beperkt tot derden die een contractuele relatie hebben met de vennootschap en de bestuurder willen aanspreken voor een foutieve uitvoering door de vennootschap van haar contractuele verbintenissen. Dit principe laat nog ruimte voor aansprakelijkheidsvorderingen tegen bestuurders uit onrechtmatige daad voor andere gevallen, ook wegens schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht [Geens K., Denef M., Hellemans F., Tas R. en Vananroye J., "Vennootschappen, Overzicht van rechtspraak" (1992-1998), T.P.R., 2000, nr. 272, p. 309].
De theorie van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent is in de voorliggende zaak dan ook niet aan de orde.
Zelfs al kan de Belgische Staat gevolgd worden waar deze stelt dat de vennootschap een inbreuk pleegde op de fiscale verplichting tot doorstorting van bedrijfsvoorheffing, opgelegd door een wetgeving, waarvan aangenomen wordt dat deze van openbare orde is, moet worden onderstreept dat er uit hoofde van die wetgeving geen eigen verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing rust op de bestuurders zelf van een naamloze vennootschap.
(Gent, 5de Kamer, 6 februari 2007, A.R. 2006/681, inzake de Belgische Staat t. Verhaeghe Marc, niet uitgegeven - Antwerpen, 6 december 2005, F.J.F. 2006, 580 - Deschrijver D., "De persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders voor onbetaald gebleven voorheffingen en belastingen betreffende de vennootschap, vereniging of stichting", Noot onder Kph. Dendermonde, 25 oktober 2004, T.R.V., 2005, 352, nr. 2 - Bekaert J. "De nieuwe bestuurdersaansprakelijkheid voor fiscale schulden: slapeloze nachten voor de bestuurders of much ado about nothing ?", R.W. 2006-2007, 1751, nr. 4).
De schending van de dwingende bepaling nopens de inhouding en de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, verplichting in hoofde van de vennootschap waarover A, B en de NV Hekama het bestuur voeren, impliceert dan ook niet automatisch foutief gedrag in hunnen hoofde om de aquiliaanse vordering van de Belgische Staat aan te nemen.
Een bestuurder is enkel aansprakelijk voor de onrechtmatige daad begaan door de vennootschap wegens het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing, wanneer de toetsing van diens optreden aan de algemene zorgvuldigheidsnorm, de toetsing aan het gedrag van een normaal en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden, aantoont dat deze onzorgvuldig heeft gehandeld.
Een bestuurder moet bij het beheer van de vennootschap omzichtig te werk gaan. Zijn beheer houdt in dat hij de gepaste beslissingen neemt om binnen de vennootschap de aangewezen handelingen te stellen of te laten stellen. Zijn beheersfunctie brengt mee dat hij zelf actie onderneemt of er minstens op toeziet dat anderen, desgevallend daartoe beter geplaatst, de nodige actie ondernemen en wanneer die anderen dat niet doen, door hem correctief wordt opgetreden (Gent, 5de Kamer, 6 februari 2007, A.R. 2006/681, inzake de Belgische Staat t. Verhaeghe Marc, niet uitgegeven).
Om te slagen in haar aquiliaanse vordering dient de Belgische Staat ook nog aan te tonen dat elk van de aangesproken bestuurders een persoonlijke fout maakte, dat zij elk op zich de algemene voorzichtigheidsnorm van art. 1382 B.W. hebben geschonden (Deschrijver D., "De persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders voor onbetaald gebleven voorheffingen en belastingen betreffende de vennootschap, vereniging of stichting", Noot onder Kph. Dendermonde, 25 oktober 2004, T.R.V., 2005, 352, nr. 3).
Wanneer de Belgische Staat, geconfronteerd met de opmerkingen van de NV Icos en de NV Indas op haar ingebrekestelling, van oordeel was en is dat zij er niet kan in slagen om die aquiliaanse fout aan te tonen in hoofde van de NV Icos en de NV Indas
omdat deze bestuurders niet hebben deelgenomen aan het dagelijks bestuur van de NV Covan, -omdat deze bestuurders het financieel beleid in handen lieten van de andere bestuurders,
omdat zij niet zou kunnen bewijzen dat deze bestuurders weet hadden van de maandenlange niet betaling van de bedrijfsvoorheffing, zodat deze bestuurders in elk geval niet correctief konden optreden tegenover A, B en de NV Hekama,
beslist haar buitencontractuele vordering te stellen enkel tegen A, B en de NV Hekama, dan houdt dit geen enkele miskenning in van enig gelijkheidsbeginsel of enige motiveringsplicht.
De Belgische Staat vordert enkel lastens deze bestuurders, die volgens haar een buitencontractuele fout begingen. De andere bestuurders betrekt zij niet bij haar vordering. Die beslissing kan haar op geen enkele manier ten kwade geduid worden.
In de door A, B en de NV Hekama neergelegde besluiten wordt geenszins afzonderlijk verweer gevoerd voor elk van hen. Voor zover de fouten aangevoerd door de Belgische Staat als bewezen zouden worden weerhouden, dient er derhalve van worden uitgegaan dat die fouten gemeenschappelijk werden gemaakt, wat leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid van A, B en de NV Hekama (Cass.3 mei 1996, R.W. 1996-97, 684).
Art. 14 van de programmawet van 20 juli 2006 die het nieuwe artikel 442quater invoert in het wetboek van de inkomstenbelasting 1992 voegt aan de voorgaande principes enkel een weerlegbaar vermoeden toe, met name dat het herhaald niet betalen van bedrijfsvoorheffing een fout uitmaakt en dat als herhaalde inbreuk wordt weerhouden, het gebrek aan betaling door een maandelijks schuldenaar aan de bedrijfsvoorheffing, van ten minste drie vervallen schulden binnen een periode van een jaar.
Het feit dat voormeld vermoeden van fout niet geldt, indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van een procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding, doet niets af van de hiervoor omschreven principes.
Of A, B en de NV Hekama een buitencontractuele fout hebben begaan, dient in voorliggende zaak nog steeds volgens die principes te worden beoordeeld. Als foutief gedrag in hoofde van A, B en de NV Hekama voert de Belgische Staat aan:
De bedrijfsvoorheffing werd systematisch niet doorgestort, wat toeliet om de kennelijke deficitaire activiteiten van de vennootschap verder te zetten, zodat er nieuwe belastingsschulden ontstonden en de schade van de Belgische Staat aangroeide.
De niet betaalde gelden werden als alternatieve financiering aangewend.
Het beproefde procédé wordt door A en B verder aangewend nu de betaling van de bedrijfsvoorheffing, verschuldigd door de NV Hekama, ook met 6 maanden achterstal doorgevoerd wordt.
Er zijn geen rechtvaardigingsgronden voor de herhaalde inbreuken.
A, B en de NV Hekama wijzen er van hun kant op dat bij de niet doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kon worden verwacht dat de vermogenstoestand van de onderneming binnen een redelijke termijn zou verbeteren. Of derhalve dat zij handelden als een normaal en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden: een korte tijd de betalingen inhouden met de kennis dat in de nabije toekomst alles ten goede ging keren en de bedrijfsvoorheffing uiteindelijk wel betaald zou raken.
Als bewijs daarvan verwijzen ze naar de verslagen van de raad van bestuur van 14 februari 2002 en 9 april 2002.
Bij de beoordeling van het voorgehouden foutief gedrag in hoofde van de aangesproken bestuurders, neemt de rechtbank vooreerst aan dat het feit dat A, B en de NV Hekama thans opnieuw een achterstand opbouwen bij de betaling in de bedrijfsvoorheffing, verschuldigd door de NV Hekama, niet bewijst dat A, B en de NV Hekama eind 2001 - begin 2002, als bestuurders van de NV Covan, foutief handelden.
Uit het verslag van de raad van bestuur van 11 december 2001, op het ogenblik waarop de bedrijfsvoorheffing voor de maanden september, oktober, en november 2001 reeds onbetaald bleef, blijkt dat er vastgesteld werd dat er een liquiditeitsbehoefte was van euro 1 à 1,2 miljoen, een kapitaalsinjectie van euro 0,75 miljoen onontbeerlijk was, een kapitaalverhoging gepland werd, maar de NV Hekama nog niet rond was met haar deel daartoe, zodat besloten werd tot een brugfinanciering.
Die brugfinanciering kwam er door de lening toegestaan door de NV Icos en de NV Indas aan de NV Covan op 27 december 2001.
Uit de voorafgaande uiteenzetting aan die lening, blijkt dat de NV Hekama toen ook nog niet rond was met de financiering van haar deel van de kapitaalsverhoging.
Uit het verslag van de raad van bestuur van 14 februari 2002 blijkt vervolgens dat de kapitaalsverhoging nog steeds niet doorgevoerd kon worden omdat de financiering aan de kant van de NV Hekama nog steeds niet rond was.
Die kapitaalverhoging zou uiteindelijk niet meer doorgaan.
Evenwel heeft de NV Hekama, naar de NV Indas voorhoudt - daarin niet tegengesproken door A, B en de NV Hekama - na het faillissement van de NV Covan wel het nodige kapitaal op tafel gelegd om het handelsfonds van de NV Covan aan te kopen en de handel gewoon verder te zetten.
Daaruit kan maar geconcludeerd worden dat er loze beloften werden gedaan door de NV Hekama in verband met een financiering om een deel van de kapitaalsverhoging in de NV Covan rond te krijgen.
Dit impliceert dan ook dat, van zodra het gebrek aan financiering van die kapitaalsverhoging vast stond, er door A, B en de NV Hekama niet redelijker wijze kon verwacht worden dat de vermogenstoestand van de onderneming binnen korte termijn zou verbeteren.
Waar nog kan aangenomen worden dat A, B en de NV Hekama een aantal maanden de bedrijfsvoorheffing door de NV Covan niet foutief onbetaald lieten in het vooruitzicht van betere financiële tijden, moet evenwel aangenomen worden dat zij foutief handelden van zodra het vaststond dat er van een kapitaalsverhoging niets in huis zou komen en de bij lening ter beschikking gestelde liquide middelen evenmin werden aangewend om de bedrijfsvoorheffing te laten betalen. Zij kunnen evenmin ontkennen dat het gebrek aan financiële middelen om die financiering rond te krijgen hen genoegzaam bekend was: A is de afgevaardigd bestuurder van de NV Hekema en de echtgenoot van B.
Een normaal en voorzichtig bestuurder die in dezelfde omstandigheden verkeerde zou er immers op gewezen hebben dat de ter beschikking gestelde liquide middelen noodzakelijk waren om ook de achterstallige bedrijfsvoorheffing aan te zuiveren en er van financiering tot kapitaalsverhoging niets in huis kwam. Er ligt evenwel geen bewijs voor dat zij daartoe tijdig zijn overgegaan. In tegendeel. A, B en de NV Hekama bewijzen ook niet dat er inspanningen werden geleverd om de kapitaalsverhoging door te laten voeren nadat de lening als overbruggingskrediet door de NV Icos en de NV Indas werd toegestaan. Met de kennis dat er niet gezorgd werd voor de financiering tot kapitaalsverhoging en dat het overbruggingskrediet werd aangewend voor de betaling van andere schuldeisers, werd de niet betaling van de bedrijfsvoorheffing verder gedoogd.
De rechtbank neemt dan ook aan dat A, B en de NV Hekama foutief handelden vanaf 1 januari 2002 om de deficitaire vennootschap, minstens een vennootschap die kampte met ernstige liquide middelen, verder te zetten, in het besef dat hun voorstel om te verhelpen aan de situatie, niet ingegeven was door enige ernst.
Dat foutief optreden bracht met zich mee dat er verder bedrijfsvoorheffingen ontstonden en verschuldigd werden vanaf het begin van 2002, die konden worden vermeden, mits er opgetreden ware als een normaal en voorzichtig bestuurder in dezelfde omstandigheden.
De schade in hoofde van de Belgische Staat bestaat, naar het oordeel van de rechtbank, in de onbetaalde bedrijfsvoorheffing vanaf begin januari 2002 tot de dag van de faillissements-verklaring van de NV Covan.
De Belgische Staat vordert ook terecht de vervallen rente, zoals berekend overeenkomstig de wettelijke bepalingen.
Het feit dat de rente na de faillietverklaring ophoudt te lopen, moet zo gelezen worden dat dit enkel geldt ten aanzien van de boedel, zoals trouwens letterlijk opgenomen in fine van art. 23 eerste lid van de faillissementswetgeving.
De schorsing van de loop van de rente geldt niet ten opzichte van de schuldeiser (Verougstraete I., "Manuel de la faillite et du concordat", editie 2003, nr. 525).
Er zijn naar het oordeel van de rechtbank ook geen redenen voor handen om de rente op grond van enige schadebeperkende verplichting in hoofde van de Belgische Staat te herleiden.
Derhalve is ook het volledig bedrag aan vervallen rente op de niet betaalde bedrijfsvoorheffing sedert januari 2002 een element van de schade van de Belgische Staat.
De totale hierbij door de rechtbank toegekende schadevergoeding beloopt derhalve euro 154.375,10 (= euro 32.058,54 + 32.798,91 + 33.041,64 + 32.459,79 + 24.016,22).
3.II. DE VORDERING TOT TUSSENKOMST EN TOT SOLIDAIRE GEHOUDENHEID.
De vordering van A, B en de NV Hekama wordt in hun dagvaarding als volgt en tweeledig geformuleerd:
a)gedwongen tussenkomst in de procedure hangende tussen hen en de Belgische Staat,
b)veroordeling van de NV Icos en de NV Indas, ingeval van hun veroordeling, solidair met hen tot een bedrag van euro 327.540,60 meer aanhorigheden en kosten.
In hun besluiten van 14 maart 2007 hernemen A, B en de NV Hekama, waarbij de dagvaarding in gedwongen tussenkomst werd aangekondigd, letterlijk hetgeen voorafgaat.
Zowel de NV Icos als de NV Indas besluiten vooreerst tot de niet ontvankelijkheid van de vordering van A, B en de NV Hekama.
De NV Indas zet de redenen van die exceptie van ontvankelijkheid uiteen, namelijk dat de vordering van A, B en de NV Hekama, zoals geformuleerd, er op neerkomt dat A, B en de NV Hekama de veroordeling vorderen van de NV Icos en de NV Indas om de laatst genoemde twee vennootschappen te veroordelen, solidair samen met hen, betalen aan de Belgische Staat.
Dit terwijl de Belgische Staat geen enkele veroordeling vordert ten laste van de NV Icos en de NV Indas, noch rechtstreeks, noch bij tussenvordering.
A, B en de NV Hekama hebben wel hoedanigheid en belang om de NV Icos en de NV Indas, medebestuurders van de NV Covan, tot tussenkomst te dwingen in de procedure hangende tussen hen en de Belgische Staat.
Voor zover A, B en de NV Hekama veroordeeld worden om te betalen aan de Belgische Staat, kunnen zij vorderen dat de overige bestuurders hen zouden vrijwaren omdat die overige bestuurders volgens hen gehouden zijn tot dezelfde schuld.
Bij die vordering tot vrijwaring zouden zij wel degelijk een recht uitoefenen waarvoor zij hoedanigheid en belang hebben.
Waar A, B en de NV Hekama evenwel duidelijk en bij herhaling vorderen dat de NV Icos en de NV Indas zouden veroordeeld worden, solidair, samen met hen, om een schadevergoeding te betalen, waarvoor enkel zij door de Belgische Staat worden aangesproken, vertaalt die alzo gestelde vordering zich inderdaad in een aanmatiging door A, B en de NV Hekama van het subjectief recht van de Belgische Staat.
Om op een toelaatbare wijze in rechte op te treden moet een partij evenwel hoedanigheid hebben, dit wil zeggen handelen als titularis van een recht of als vertegenwoordiger van de titularis van dat recht (Vanlerberghe P., "Gerechtelijk recht. Artikelgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer", Kluwer. Rechtswetenschappen. Ger.W. art 17 - 22, nr. 22).
A, B en de NV Hekama zijn geen titularissen van het recht ter betwisting. Zij zijn ook geen vertegenwoordiger van de titularis van dat recht. Zij bewijzen in elk geval niet over conventionele, wettelijke of gerechtelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid te beschikken (Vanlerberghe P., ibidem, Ger. 17 - 30, nr. 30 en volg.).
De rechtbank oordeelt dan ook dat A, B en de NV Hekama niet over de hoedanigheid beschikken om de vordering te stellen zoals ze werd gesteld, zodat de vordering als niet ontvankelijk wordt afgewezen.
Bij afwezigheid van een rechtsgeldig aangebrachte betwisting tussen de partijen omtrent enig foutief gedrag in hoofde van de NV Icos of de NV Indas, dient de rechtbank op de daaromtrent aangebrachte argumenten niet verder te oordelen.
* * *
Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak;
Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend;
Verklaart de vordering van de Belgische Staat ten opzichte van A, B en de NV Hekama ontvankelijk en in de volgende mate gegrond;
Veroordeelt A, B en de NV Hekama solidair om aan de Belgische Staat te betalen de som van euro 154.375,10 (honderd vierenvijftig duizend driehonderd vijfenzeventig euro en tien cent), te vermeerderen met gerechtelijke rente vanaf 20 juni 2005 tot de dag van de dagvaarding en dit tegen de wettelijke rentevoet, zoals vastgelegd in burgerlijke en handelszaken buiten de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties;
Wijst het door de Belgische Staat meergevorderde af als ongegrond;
Verklaart de vordering van A, B en de NV Hekama tot gedwongen tussenkomst van de NV Icos en de NV Indas ontvankelijk;
Verklaart de vordering van A, B en de NV Hekama tot de solidaire veroordeling samen met de NV Icos en de NV Indas af als niet ontvankelijk;
Veroordeelt A, B en de NV Hekama solidair tot al de kosten van het geding en stelt deze tot op heden vast aan de kant van
de Belgische Staat op euro 196,06 kosten dagvaarding en rolstelling en op euro 364,40 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding,
de NV Icos op euro 364,40 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding,
de NV Indas op euro 364,40 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.;
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling;
Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op
woensdag, TIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN.
Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, ondervoorzitter, P. De Poot en P. Matton, rechters in handelszaken, mevrouw Ch. Busschaert, griffier.
Ch. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke.