Conventie van Bern voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken .

Date :
26-06-1948
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
8 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 1948062650

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Artikel 1 De landen waarvoor deze overeenkomst geldt, vormen een verbond tot bescherming van de rechten der auteurs op hun letterkundige en kunstwerken.

Artikel 2 1. De uitdrukking "letterkundige en kunstwerken" omvat alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukken zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van die aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken, choreografische werken en pantomimes, waarvan de wijze van opvoering in schrift of op andere wijze is nedergelegd; muzikale composities met of zonder woorden; cinematographische werken en werken verkregen door een met de cinematographie overeenstemmend procédé; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithographeerkunst; photographische werken en werken verkregen door een met de photographie overeenstemmend procédé; werken van toegepaste kunsten; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken met betrekking tot de aardrijkskunde, de topographie, de bouwkunde of de wetenschappen.
  2. Als oorspronkelijke werken worden beschermd, zonder dat dit de rechten van de auteur van het oorspronkelijke werk kan verkorten: vertalingen, omwerkingen, muziekbewerkingen en andere reproductiën in gewijzigde vorm van een letterkundig of kunstwerk. Het blijkt evenwel aan de wetgeving der landen van het Verbond voorbehouden te bepalen welke bescherming aan de vertalingen van officiële teksten van wetgevende, administratieve en gerechtelijke aard moet worden verleend.
  3. De verzamelingen van letterkundige of kunstwerken, zoals de encyclopedieën en bloemlezingen die door de keuze of de schikking van hun inhoud intellectuele scheppingen vormen, worden als dusdanig beschermd, onverminderd de rechten van de auteurs op elk der werken die van deze verzamelingen deel uitmaken.
  4. De hierboven vermelde werken genieten bescherming in alle landen van het Verbond. Deze bescherming heeft uitwerking ten gunste van de auteur en van zijn rechthebbenden.
  5. Aan de wetgeving der landen van het Verbond blijft de bevoegdheid voorbehouden het toepassingsgebied te bepalen van de wetten betreffende de werken van toegepaste kunsten en de industriële tekeningen en modellen, zomede de voorwaarden tot bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor de werken die alleen in het land van herkomst als tekeningen en modellen worden beschermd, kan in de andere landen van het Verbond enkel de bescherming ingeroepen worden die in deze landen aan tekeningen en modellen wordt verleend.

Artikel 2BIS 1. Aan de wetgeving der landen van het Verbond blijft de bevoegdheid voorbehouden om van de bescherming bedoeld in het vorig artikel geheel of gedeeltelijk uit te sluiten politieke redevoeringen en redevoeringen die bij een debat vr de rechter zijn uitgesproken.
  2. Eveneens blijft aan de wetgeving der landen van het Verbond de bevoegdheid voorbehouden om te beslissen over de voorwaarden waaronder voorlezingen, toespraken, preken en andere werken van die aard door de pers mogen worden weergegeven.
  3. Echter zal alleen de auteur het recht hebben zijn in de vorige leden vermelde werken in een verzamelwerk bijeen te brengen.

Artikel 3 (...)

Artikel 4 1. De auteurs tot een der landen van het Verbond behorende, genieten in de landen, die niet het land van herkomst van het werk zijn, voor hun werken, hetzij niet openbaar gemaakt, hetzij voor het eerst openbaar gemaakt in een der landen van het Verbond, de rechten, welke de onderscheiden wetten thans aan eigen onderdanen verlenen of in het vervolg verlenen zullen, alsmede de rechten bijzonderlijk door deze Overeenkomst verleend.
  2. Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen; dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan der bescherming in het land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden buiten de bepalingen van deze Overeenkomst, de omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen, de auteur gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen.
  3. Als land van herkomst van het werk wordt beschouwd: voor openbaar gemaakte werken, datgene waar het voor het eerst is openbaar gemaakt, zelfs indien het gaat om werken die gelijktijdig openbaar zijn gemaakt in verscheiden landen van het Verbond welke dezelfde tijd van bescherming verlenen; indien het gaat om werken die gelijktijdig openbaar zijn gemaakt in verscheidene landen van het Verbond die verschillende tijden van bescherming verlenen, datgene onder hen waarvan de wetgeving de kortste tijd van bescherming voorziet; voor de werken die gelijktijdig openbaar zijn gemaakt in een land dat buiten het Verbond staat en in een land dat tot het Verbond behoort, geldt het laatste land uitsluitend als land van herkomst. Als gelijktijdig in verscheidene landen openbaar gemaakt wordt beschouwd elk werk dat binnen dertig dagen nadat het voor de eerste maal is openbaar gemaakt, in beide of in verscheidene landen is verschenen.
  4. Onder "openbaar gemaakte werken" moeten in de zin van de artikelen 4, 5 en 6 verstaan worden de werken die zijn uitgegeven, welke ook de wijze van vervaardiging der exemplaren zij, die in voldoende hoeveelheid ter beschikking van het publiek gesteld werden. Vormen geen openbaarmaking de opvoering van een toneel-, een dramatisch-muzikaal of een cinematographisch werk, de uitvoering van een muziekwerk, de openbare voordracht van een letterkundig werk, de overzending of de radio-uitzending van letterkundige of kunstwerken, de tentoonstelling van een kunstwerk en de bouw van een bouwkundig werk.
  5. Als land van herkomst wordt beschouwd, voor niet openbaar gemaakte werken, datgene waartoe de auteur behoort. Voor werken van bouwkunde, of van grafische of beeldende kunsten die deel uitmaken van een gebouw, wordt evenwel als land van herkomst beschouwd dat land van het Verbond waar deze werken werden gebouwd of in een constructie werden opgenomen.

Artikel 5 De onderdanen van een der landen van het Verbond, die in een ander land van het Verbond voor het eerst hun werken openbaar maken, hebben in dat laatste land dezelfde rechten als de auteurs die onderdanen van dat land zijn.

Artikel 6 1. De auteurs die, niet tot een van de landen van het Verbond behorende, hun werken voor het eerst openbaar maken in een der landen van het Verbond, genieten in dat land dezelfde rechten als de auteurs die tot dat land behoren en in de andere landen van het Verbond de rechten door deze Overeenkomst toegekend.
  2. Echter zal, indien een land dat niet tot het Verbond behoort, de werken van auteurs die onderdanen zijn van een der landen van het Verbond, niet voldoende beschermt, dat laatste land de bescherming kunnen beperken van werken, waarvan de auteurs, op het ogenblik der eerste openbaarmaking van die werken, onderdanen zijn van dat andere land en niet werkelijk gevestigd zijn in een der landen van het Verbond. Indien het land waar de eerste openbaarmaking is gebeurd, van dit recht gebruik maakt, zijn de andere landen van het Verbond niet gehouden aan de aldus aan een bijzondere behandeling onderworpen werken een grotere bescherming te verlenen dan degene die hun wordt verleend in het land waar de eerste openbaarmaking is gebeurd.
  3. Geen enkele krachtens het vorig lid opgelegde beperking zal de rechten mogen verkorten die een auteur mocht hebben verworven op een werk dat vóór de toepassing van die beperking in een der landen van het Verbond is openbaar gemaakt.
  4. De landen van het Verbond, die ingevolge dit artikel de bescherming der auteursrechten beperken, moeten daarvan aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat mededeling doen door een schriftelijke verklaring, waarin moet worden aangegeven tegenover welke landen de bescherming wordt beperkt, evenals aan welke beperkingen de auteursrechten van de onderdanen van die landen zijn onderworpen. De Regering van de Zwitserse Bondsstaat zal dit dadelijk ter kennis van alle landen van het Verbond brengen.

Artikel 6BIS 1. Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten en zelfs na afstand van die rechten behoudt de auteur gedurende heel zijn leven het recht het vaderschap van een werk op te eisen en zich te verzetten tegen iedere misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk of tegen iedere andere handeling in verband met dit werk, die nadeel zou kunnen brengen aan zijn eer of goede naam.
  2. In de mate waarin de binnenlandse wetgeving der landen van het Verbond het toelaat, worden de rechten, krachtens bovenstaand lid 1 aan de auteur toegekend, na zijn dood gehandhaafd ten minste totdat de vermogensrechten vervallen, en worden ze uitgeoefend door de personen of instellingen die door de wetgeving daartoe zijn gemachtigd. Het vaststellen van de voorwaarden waaronder de in het vorig lid bedoelde rechten kunnen worden uitgeoefend, wordt overgelaten aan de binnenlandse wetgeving der landen van het Verbond.
  3. De rechtsmiddelen tot vrijwaring der in onderhavig artikel toegekende rechten worden geregeld door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt gevraagd.

Artikel 7 1. De duur der bescherming door dit Verdrag verleend, omvat het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood.
  2. Ingeval evenwel een of meerdere landen van het Verbond een langere duur zouden verlenen dan die voorzien in lid 1, zal de duur geregeld worden bij de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen, maar hij zal de duur der bescherming vastgesteld in het land van herkomst niet kunnen overtreffen.
  3. Voor cinematographische werken, voor photographische werken zomede voor werken bekomen door dergelijke procédé's als de cinematographie of de photographie, en voor de werken der toegepaste kunsten, wordt de beschermingsduur geregeld bij de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zonder dat deze duur diegene welke in het land van herkomst van het werk is vastgesteld, kan overtreffen.
  4. Voor werken die naamloos of onder een schuilnaam verschijnen, wordt de beschermingsduur vastgesteld op vijftig jaar te rekenen van hun openbaarmaking. Wanneer evenwel de schuilnaam die door de auteur is aangenomen geen twijfel omtrent zijn eenzelvigheid toelaat, is de beschermingsduur dezelfde als voorzien in lid 1. Indien de auteur van een naamloos of een onder een schuilnaam verschenen werk zijn eenzelvigheid doet kennen tijdens de hierboven aangeduide periode, is de beschermingstermijn die kan toegepast worden dezelfde als voorzien in lid 1.
  5. Voor posthume werken die niet vallen in de categorieën van werken welke bedoeld worden in de bovenstaande leden 3 en 4, loopt de duur van de bescherming ten gunste van de erfgenamen en andere rechthebbenden van de auteur vijftig jaren na de dood van de auteur ten einde.
  6. De beschermingstermijn volgend op de dood van de auteur en de termijnen voorzien in de bovenstaande leden 3, 4 en 5, beginnen te lopen te rekenen van de dood of van de openbaarmaking, maar de duur van deze termijnen wordt slechts berekend met ingang van de 1e Januari van het jaar dat volgt op de gebeurtenis die gezegde termijnen heeft doen ingaan.

Artikel 7BIS De duur van het auteursrecht dat gemeenschappelijk toebehoort aan de medewerkers van een werk wordt berekend van het tijdstip van overlijden van de laatst overlevende der medewerkers.

Artikel 8 De auteurs van letterkundige en kunstwerken die door onderhavige Overeenkomst worden beschermd, genieten, tijdens de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht vertalingen van hun werken te maken of daartoe machtiging te verlenen.

Artikel 9 1. Romans als feuilleton geplaatst, novellen en alle andere hetzij letterkundige, hetzij wetenschappelijke, hetzij kunstwerken, wat ook het onderwerp zij, openbaar gemaakt in dagbladen of tijdschriften van een der landen van het Verbond, mogen zonder toestemming der auteurs niet in de andere landen worden overgenomen.
  2. Artikelen, waarin actuele onderwerpen van economie, staatkunde of godsdienst behandeld worden, mogen door de pers worden overgenomen indien de overneming niet uitdrukkelijk is voorbehouden. Intussen moet de bron altijd duidelijk worden aangegeven; de voorziening op de naleving dezer verplichting wordt bepaald door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen.
  3. De bescherming van deze Overeenkomst is niet toepasselijk op nieuwstijdingen of gemengde berichten, die het karakter hebben van zuivere dagbladinlichtingen.

Artikel 10 1. In alle landen van het Verbond is het geoorloofd korte aanhalingen uit dagbladartikelen en tijdschriften te doen, zelfs onder de vorm van persoverzichten.
  2. Wat de bevoegdheid betreft om aan letterkundige of kunstwerken op geoorloofde wijze, in zover dit door het te bereiken doel wordt gewettigd, stukken te ontlenen voor uitgaven, bestemd voor het onderwijs of die een wetenschappelijk karakter dragen of voor bloemlezingen, blijft de wetgeving der landen van het Verbond van kracht, alsmede de bijzondere regelingen die tussen hen bestaan of zullen worden getroffen.
  3. De aanhalingen en ontleningen moeten vergezeld gaan van de vermelding van de bron en van de naam van de auteur, indien deze naam daarin voorkomt.

Artikel 10BIS Het wordt aan de wetgeving der landen van het Verbond overgelaten de voorwaarden te regelen waaronder kan overgegaan worden tot de opname, het weergeven en de openbare mededeling van korte uittreksels uit letterkundige en kunstwerken met het doel, door middel van photographie, cinematographie of radio-uitzending, over actuele gebeurtenissen verslag uit te brengen.

Artikel 11 1. De auteurs van toneelwerken, dramatisch-muzikale en muzikale werken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot:
  1) de openbare opvoering en uitvoering van hun werken;
  2) de openbare verspreiding door om het even welk middel van de opvoering en de uitvoering van hun werken.
  De toepassing van de bepalingen der artikelen 11bis en 13 wordt evenwel voorbehouden.
  2. Wat de vertaling van hun werken betreft, worden dezelfde rechten verleend aan de auteurs van toneelwerken of dramatisch-muzikale werken tijdens de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijk werk.
  3. Om de bescherming van dit artikel te genieten, behoeven de auteurs bij het openbaar maken van hun werken de openbare opvoering of uitvoering niet te verbieden.

Artikel 11BIS 1. De auteurs van letterkundige en kunstwerken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot:
  1) de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling er van door elk ander middel om draadloos tekens, klanken of beelden uit te zenden;
  2) elke openbare mededeling, hetzij telegraphisch, hetzij draadloos, van het langs de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een ander dan het oorspronkelijk organisme wordt gedaan;
  3) de openbare mededeling door middel van een luidspreker of een ander soortgelijk instrument dat tekens, klanken of beelden van het langs de radio uitgezonden werk overzendt.
  2. Het staat aan de wetgever der landen van het Verbond de voorwaarden vast te stellen tot uitoefening van de rechten bedoeld in bovenstaand lid 1, maar die voorwaarden hebben slechts een werking die uitsluitend beperkt blijft tot het land dat ze heeft vastgesteld. Zij kunnen in geen geval afbreuk doen aan het zedelijk recht van de auteur, noch aan het de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, bij gebrek aan een minnelijke schikking, door de bevoegde overheid vast te stellen.
  3. Behoudens anders luidende bepaling behelst een overeenkomstig lid 1 van onderhavig artikel verleende machtiging niet de machtiging tot het opnemen van het langs de radio uitgezonden werk door middel van instrumenten, die klanken of beelden vastleggen. Het is evenwel aan de wetgeving der landen van het Verbond voorbehouden het regime vast te stellen van opnamen van voorbijgaande aard, die door een radio-omroep-organisatie met eigen middelen voor zijn eigen uitzendingen worden verwezenlijkt. Deze wetgeving kan machtiging verlenen tot het bewaren van bedoelde opnamen in een officieel archief, uit hoofde van hun buitengewoon documentair karakter.

Artikel 11TER De auteurs van letterkundige werken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot de openbare voordracht van hun werken.

Artikel 12 De auteurs van letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot omwerkingen, bewerkingen en andere vervormingen van hun werken.

Artikel 13 1. Auteurs van muzikale werken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot:
  1) het opnemen van deze werken door instrumenten welke dienen tot mechanische reproductie er van;
  2) de openbare uitvoering der aldus opgenomen werken door middel van bedoelde instrumenten.
  2. Voorbehoud en voorwaarden met betrekking tot de toepassing der bij bovenstaand lid 1 bedoelde rechten kunnen door de wetgeving van ieder land van het Verbond voor zover het dit land zelf aangaat, worden vastgesteld, maar de werking van alle voorbehoud en alle voorwaarden van die aard zal strikt beperkt blijven tot het land dat ze gesteld heeft en zal in geen geval afbreuk kunnen doen aan het de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, bij gebrek aan een minnelijke schikking door de bevoegde overheid vast te stellen.
  3. Het voorschrift van lid 1 van onderhavig artikel heeft geen terugwerkende kracht en is bijgevolg niet in een der landen van het Verbond toepasselijk op werken die in dat land reeds op geoorloofde wijze voor mechanische instrumenten zijn bewerkt vóór de inwerkingtreding van de op 13 November 1908 te Berlijn ondertekende Overeenkomst en, wanneer het een land geldt dat sinds die datum tot het Verbond is toegetreden of nog zal toetreden, vóór de dag van die toetreding.
  4. De opnamen krachtens het 2e en 3e lid van dit artikel verwezenlijkt en zonder machtiging der belanghebbende partijen ingevoerd in een land waar zij niet wettelijk geoorloofd zijn, kunnen daar in beslag worden genomen.

Artikel 14 1. De auteurs van letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken hebben het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot:
  1) de cinematographische omwerking en reproductie van deze werken en de verspreiding van de aldus omgewerkte of gereproduceerde werken;
  2) de openbare opvoering en de openbare uitvoering van de aldus omgewerkte of gereproduceerde werken.
  2. Een cinematographisch werk wordt beschermd zoals een oorspronkelijk werk, zonder dat dit de rechten van de auteur van het omgewerkte of gereproduceerde werk kan verkorten.
  3. De omwerking onder elke andere kunstvorm van de cinematographische producties afgeleid van letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken blijft onderworpen aan de machtiging van de auteur van het oorspronkelijk werk, zonder afbreuk te doen aan de machtiging van de auteurs van die producties.
  4. De cinematographische omwerkingen van letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken zijn niet onderworpen aan het voorbehoud en de voorwaarden bedoeld bij artikel 13, lid 2.
  5. De voorafgaande bepalingen zijn mede van toepassing op het reproduceren of produceren door middel van ieder ander procédé dat op cinematographie gelijkt.

Artikel 14BIS 1. Wat de oorspronkelijke kunstwerken en de oorspronkelijke handschriften van de schrijvers en componisten betreft, geniet de auteur - of, na zijn dood, de ter zake door de binnenlandse wetgeving gemachtigde personen of instellingen - het onvervreemdbaar recht betrokken te zijn bij een verkoop van het werk, die plaats heeft nadat de eerste afstand door de auteur is gebeurd.
  2. De in bovenstaand lid voorziene bescherming kan in elk land van het Verbond slechts ingeroepen worden, indien de binnenlandse wetgeving die voor de auteur geldt, deze bescherming toelaat, en in de mate waarin ze wordt toegelaten door de wetgeving van het land waar ze wordt ingeroepen.
  3. De modaliteiten van inning en de bedragen worden door elke binnenlandse wetgeving vastgesteld.

Artikel 15 1. Opdat de auteurs van de door deze Overeenkomst beschermde letterkundige en kunstwerken, tot het tegendeel bewezen wordt, als zodanig zouden worden beschouwd en dienvolgens vóór de rechtbanken der landen van het Verbond vervolgingen tegen namakers zouden kunnen inspannen, is het voldoende dat hun naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat. Dit lid is van toepassing zelfs indien deze naam een schuilnaam is, zodra de schuilnaam die de auteur heeft aangenomen geen twijfel omtrent zijn eenzelvigheid overlaat.
  2. Voor naamloze werken en werken die onder een schuilnaam verschenen zijn, andere dan diegene waarvan sprake in het vorige lid, wordt de uitgever, wiens naam op het werk vermeld staat, zonder verder bewijs beschouwd als vertegenwoordiger van de auteur; in die hoedanigheid is hij gerechtigd dezes rechten te verdedigen en te doen gelden. De bepaling van onderhavig lid houdt op van kracht te zijn wanneer de auteur zijn eenzelvigheid heeft bekendgemaakt en zijn hoedanigheid van auteur bewezen heeft.

Artikel 16 1. Elk nagemaakt of nagedrukt werk kan door de bevoegde overheden der landen van het Verbond, waar het oorspronkelijk werk recht heeft op wettelijke bescherming, in beslag worden genomen.
  2. In die landen kan het beslag zich ook uitstrekken tot reproducties die afkomstig zijn uit een land waar het werk niet of niet meer beschermd wordt.
  3. Het beslag wordt gelegd overeenkomstig de wetgeving van elk land.

Artikel 17 De bepalingen van deze Overeenkomst kunnen in geen enkel opzicht het recht schaden, dat aan de Regering van elk land van het Verbond toekomt om door wet of verordening de verspreiding, opvoering of tentoonstelling van elk werk of voortbrengsel, ten aanzien waarvan aan de bevoegde macht de uitoefening van dit recht toekomt, toe te staan, onder toezicht te stellen of te verbieden.

Artikel 18 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op alle werken, die op het ogenblik van haar in werking treden nog geen gemeen goed zijn geworden in het land van oorsprong ten gevolge van het verlopen van de beschermingstermijn.
  2. Een werk, dat door het verstrijken van de beschermingstermijn, die daaraan vroeger was toegekend, gemeen goed is geworden in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal daar niet opnieuw beschermd worden.
  3. De toepassing van dit beginsel zal geschieden overeenkomstig de bepalingen in reeds bestaande of in te dien einde tussen de landen van het Verbond te sluiten bijzondere overeenkomsten. Wanneer dergelijke bepalingen ontbreken, zullen de onderscheiden landen, ieder voor zover het hem aangaat, regelingen treffen, waarbij de wijze van toepassing van dit beginsel wordt geregeld.
  4. De voorafgaande bepalingen zijn evenzeer van toepassing in geval van nieuwe toetredingen tot het Verbond als in het geval, dat de bescherming mocht worden uitgebreid door toepassing van artikel 7 of door het prijsgeven van enig voorbehoud.

Artikel 19 De bepalingen van deze Overeenkomst beletten niet de toepassing te eisen van ruimere bepalingen, die in de wetgeving van een der landen van het Verbond mochten zijn opgenomen.

Artikel 20 De Regeringen van de landen van het Verbond behouden zich het recht voor, onderling bijzondere regelingen te treffen, voor zover althans deze regelingen aan de auteurs ruimer rechten zouden toekennen dan die door het Verbond worden toegekend of andere bepalingen bevatten, die niet in strijd zijn met deze Overeenkomst. De bepalingen der bestaande regelingen, die voldoen aan de bovenomschreven voorwaarden, blijven van toepassing.

Artikel 21 (...)

Artikel 22 (...)

Artikel 23 (...)

Artikel 24 (...)

Artikel 25 (...)

Artikel 26 (...)

Artikel 27 (...)

Artikel 28 (...)

Artikel 29 (...)

Artikel 30 (...)

Artikel 31 (...)

Artikel N Ondertekend te Brussel op 26 juni 1948 en goedgekeurd door de Wet van 26 juni 1951 (BS 13-10-1951).
  Inwerkingtreding voor België: 1 augustus 1951.