We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Omzendbrief BA 92/9 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen.

Date :
29-04-1996
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
6 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 1996042952

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Artikel M (Om technische redenen wordt deze omzendbrief onderverdeeld in fictieve artikelen: M1-M7).

Artikel M1 1. Verhouding met de gemeentelijke heffing.
  Het Vlaamse Gewest raakt geenszins aan de autonome bevoegdheid van de gemeenten om zelf de leegstand en de verkrotting te belasten. De gemeenten blijven dus volledig vrij om hun eigen reglement te behouden.
  Wel biedt het decreet de mogelijkheid opcentiemen te vestigen op de gewestheffing. Enkel in het geval dat hiervoor geopteerd wordt, dient het gemeentelijk reglement te worden opgeheven (toepassing van de regel 'non bis in idem' : een zelfde toestand of voorwerp mag door een zelfde overheid niet tweemaal belast worden in hoofde van dezelfde belastingplichtige).
  Samengevat kunnen de volgende mogelijkheden zich voordoen :
  - een gemeente zonder reglement vestigt geen opcentiemen : enkel een gewestheffing is verschuldigd;
  - een gemeente zonder reglement vestigt wel opcentiemen : gewestheffing + opcentiemen;
  - een gemeente zonder reglement voert een eigen reglement in : gewestheffing + gemeenteheffing;
  - een gemeente met reglement behoudt zijn reglement : gewestheffing + gemeenteheffing;
  - een gemeente met reglement trekt zijn reglement in : enkel gewestheffing;
  - een gemeente met reglement schakelt over naar opcentiemen : gewestheffing + opcentiemen (+ intrekking reglement!).

Artikel M2 2. Een nieuwe mogelijkheid : opcentiemen.
  2.1. De overschakeling van gemeenteheffing naar opcentiemen.
  Het staat de gemeenten dus vrij te opteren voor het gewestelijk stelsel en opcentiemen te vestigen op de gewestheffing. Deze keuze staat volledig los van de andere keuzes omtrent de inning van de heffing en het beheer van de inventaris.
  Opdat de gemeenten die gebruik maken van deze mogelijkheid een gelijkaardig financieel resultaat zouden kunnen bekomen als met hun gemeentelijk reglement, werd er niets bepaald omtrent het aantal opcentiemen dat kan gevestigd worden: de gemeente bepaalt dit aantal volledig vrij.
  De overgang van gemeenteheffing naar opcentiemen kan probleemloos verlopen zolang er geen kohieren op grond van het gemeentelijk heffingsreglement zijn uitvoerbaar verklaard door de gouverneur. Om over te gaan op opcentiemen dient de gemeente zijn heffingsreglement met terugwerkende kracht tot 1 januari van het lopende dienstjaar in te trekken, en te vervangen door een opcentiemenreglement. In bijlage is een model voor zulk besluit gevoegd. De gemeente krijgt opcentiemen voor iedere inventarisatie die dateert van na de inwerkingtreding van het opcentiemenreglement.
  Indien reeds kohieren op basis van een gemeentelijk reglement uitvoerbaar werden verklaard, is het aangewezen met de overgang naar opcentiemen te wachten tot het volgende jaar. Alleszins voor de gebouwen en woningen waarvoor de inkohiering reeds gebeurd is, kunnen geen opcentiemen meer worden bekomen wegens strijdigheid met de regel "non bis in idem".
  2.2. Kennisgeving aan de afdeling Financieel Management.
  De gemeente die een opcentiemenreglement heeft genomen, dient bij aangetekend schrijven een afschrift van het gemeenteraadsbesluit te zenden naar de afdeling Financieel Management (adres in bijlage). Deze afdeling is belast met de inkohiering van de heffing.
  Het afschrift dient bezorgd te worden binnen de maand na de inwerkingtreding van het gemeenteraadsbesluit. Gemeenten die voor de datum waarop het uitvoeringsbesluit in werking trad, reeds beslist hadden opcentiemen te vestigen op de gewestheffing, hebben voor de indiening tijd tot het einde van de maand die volgt op de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit.
  De gemeente heeft er belang bij deze termijn te respecteren. Bij een laattijdige kennisgeving kan de afdeling Financieel Management op het ogenblik van de inkohiering (nog) geen rekening houden met het nog niet gekende opcentiemenreglement.
  Tegelijk met de kennisgeving van het afschrift deelt de gemeente het rekeningnummer van de rekening courant bij het Gemeentekrediet n.v. mee waarop de opcentiemen gestort zullen worden.
  De afdeling dient eveneens onmiddellijk op de hoogte te worden gebracht :
  - ingeval de provinciegoeuverneur het gemeenteraadsbesluit schorst. De gouverneur bezorgt de afdeling dan een afschrift van zijn schorsingsbesluit;
  - ingeval de gemeenteraad zijn opcentiemenbesluit intrekt. De gemeenteraad geeft de afdeling kennis van de intrekking;
  - ingeval het opcentiemenbesluit wordt vernietigd. De Vlaamse minister bevoegd voor binnenlandse aangelegenheden brengt de afdeling op de hoogte.
  2.3. Doorstorting van de opcentiemen.
  Het Gewest stort de door hem geïnde en ingevorderde opcentiemen aan de gemeente door voor het einde van de maand die volgt op de maand van inning. Bij laattijdige doorstorting is van de gemeente een intrest aan 1% voor elke daaropvolgende begonnen maand verschuldigd.

Artikel M3 3. De inning van de heffing.
  In tegenstelling tot de inkohiering en de invordering, hoeft de inning van de heffingen niet noodzakelijk centraal te gebeuren. De gemeente kan inderdaad vragen dat de inningen voor de gebouwen en woningen die op zijn grondgebied liggen gebeuren door de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger.
  Deze mogelijkheid staat open voor alle gemeenten, ongeacht of zij opcentiemen vestigen of niet : in alle zes situaties die hierboven werden geschetst, kan de gemeente er voor opteren. Ook de keuze van de gemeente om al dan niet het beheer van de inventaris op zich te nemen (zie verder), heeft geen invloed.
  De gemeente die wenst dat de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger met voormelde taak wordt belast, dient daartoe een schriftelijk verzoek in bij de Vlaamse minister bevoegd voor financiën (adres in bijlage). De machtiging wordt verleend na ondertekening van een overeenkomst waarin de modaliteiten van de inning worden geregeld.
  Volgende modaliteiten zitten reeds in de regelgeving vervat :
  a) De gemeente bezorgt de afdeling Financieel Management alle noodzakelijke gegevens voor de inkohiering, in het bijzonder de gegevens die op het aanslagbiljet moeten worden vermeld.
  b) De afdeling Financieel Management zendt de kohieren naar de gemeenteontvanger of gewestelijke ontvanger, gelijktijdig met de verzending van de aanslagbiljetten naar de heffingsplichtige.
  c) De gemeente houdt van de geïnde bedragen de (eventuele) opcentiemen af, alsmede de (eventuele) administratieve onkostenvergoedingen. Het gewestaandeel wordt doorgestort voor het einde van de maand die volgt op de maand van inning. Bij laattijdige doorstorting is een intrest van 1% voor elke daaropvolgende begonnen maand verschuldigd.
  d) De gemeenteontvanger of gewestelijke ontvanger geeft voor 30 juni van het jaar dat volgt op de inkohiering, rekenschap van de uitvoering van zijn volmacht aan de ambtenaar die de kohieren uitvoerbaar heeft verklaard. Aan deze ambtenaar moet hij tevens verantwoording doen van wat hij geïnd heeft.
  e) De voormelde ambtenaar ontheft de gemeenteontvanger of gewestelijke ontvanger van de inningsopdracht.
  f) De gemeenteontvanger, die niet bevoegd is om de heffing bij wanbetaling via een dwangbevel in te vorderen, zendt de kohieren waarvoor geen inning kon gebeuren, terug naar de afdeling Financieel Management, die instaat voor de invordering.
  De kwijting wordt verleend door het Rekenhof.

Artikel M4 4. Het beheer van de inventaris door de gemeente. Het beheer van de inventaris, en daaraan gekoppeld de opsporing en vaststelling van verwaarlozing en leegstand, behoort tot de bevoegdheden van de provinciale afdelingen ROHM (adressen in bijlage).
  De gemeenten kunnen echter vragen dat ook hun ambtenaren deze bevoegdheid krijgen voor de gebouwen en woningen op hun grondgebied. Het decreet spoort hen daartoe zelfs aan, onder meer door een (forfaitaire) vergoeding te voorzien voor de administratieve onkosten die daarbij gemaakt worden.
  Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend bij de minister bevoegd voor huisvesting (adres in bijlage). In zijn verzoek dient de gemeente te specifiëren welke gemeentelijke administratieve eenheid hij belast wil zien met deze bevoegdheid. De modaliteiten worden vastgelegd in een overeenkomst.
  Hier worden enkele aspecten die reeds in de regelgeving vervat zijn, toegelicht.
  Alleszins dient duidelijk te worden gesteld dat ook op het grondgebied van gemeenten die zelf de vaststellingen en het beheer doen, de ambtenaren van de provinciale afdelingen ten volle bevoegd blijven. Zij zullen zich weliswaar eerder concentreren op de gemeenten die de opsporing en vaststelling van verwaarlozing en leegstand en het beheer van de inventaris aan hen overlaten.
  4.1. Vaststelling van verwaarlozing.
  De vaststelling van verwaarlozing geschiedt aan de hand van het technisch verslag dat als bijlage I bij het uitvoeringsbesluit gevoegd werd. De formulieren worden ter beschikking gesteld door de afdeling Financiering Huisvestingsbeleid op het ogenblik dat de gemeente belast wordt met het beheer.
  De beoordeling van verwaarlozing heeft betrekking op het buitenomhulsel van de gebouwen en woningen. De nadruk ligt op de gevels die mee het straatbeeld vormen, maar ook de andere gevels komen in aanmerking.
  De aard van de verwaarlozing en de omvang is bepalend voor de ernst. Dit houdt in dat sommige aspecten, ongeacht hun omvang, niet aanvaard worden. Daarentegen zullen andere, minder storende aspecten pas een weerslag hebben wanneer zij in omvang beduidend zijn. De onderzoeker beschikt dan over een zeker appreciatierecht.
  De aanduidingen in de kolommen worden als volgt gekwoteerd:
  - 1 strafpunt voor elke aanduiding in kolom I;
  - 3 strafpunten voor elke aanduiding in kolom II;
  - 9 strafpunten voor elke aanduiding in kolom III.
  Vanaf 18 punten dient de procedure voorzien in artikel 5 van het uitvoeringsbesluit te worden ingezet.
  De in artikel 4, laatste lid, van het uitvoeringsbesluit beschreven procedure, voorafgaand aan de verzending van de administratieve akte van vaststelling, heeft tot doel enerzijds een aantal betwistingen reeds in de beginfase op te vangen, en anderzijds de mogelijkheid te bieden alsnog de vastgestelde gebreken te herstellen of te verwijderen. De persoon die tijdens deze procedure de vaststelling niet betwist of zijn betwisting niet hard kan maken, kan dat nog steeds doen na de ontvangst van de administratieve akte (artikel 32 van het decreet). In beide gevallen worden de betwistingen behandeld door de gemeentelijke administratieve eenheid die het technisch verslag heeft opgemaakt.
  4.2. Vaststelling van leegstand.
  Ook de opsporing en vaststelling van leegstand is een bevoegdheid verbonden aan het beheer van de inventaris.
  Leegstand kan met alle middelen worden bewezen. Artikel 4, § 1, van het uitvoeringsbesluit bevat een reeks mogelijke indicaties. Alleszins dient de gemeente op de administratieve akte aan te duiden op welke elementen de vaststelling gebaseerd is.
  Deze akte kan onmiddellijk na de vaststelling verzonden worden: voor leegstand is geen voorafgaande procedure voorzien.
  Reeds in 1996 kunnen een reeks leegstaande gebouwen en woningen belast worden : het decreet voorziet namelijk dat de gebouwen en woningen die op het moment van inwerkingtreding van het decreet reeds gedurende 12 opeenvolgende maanden leeg staan, eveneens in aanmerking komen voor een heffing.
  4.3. Ongeschikt- en onbewoonbaarverklaringen.
  Dit behoort tot de bevoegdheid van de burgemeester, ongeacht of de gemeente wel of niet heeft geopteerd om het beheer van de inventaris in handen te nemen. Aan de bestaande regelgeving inzake onbewoonbaarverklaringen wordt in wezen niets veranderd : de burgemeester behoudt zijn beoordelingsvrijheid.
  De regelgeving inzake ongeschiktverklaringen wordt nader uitgewerkt. De gemachtigde ambtenaar houdt bij het opmaken van zijn advies inzake ongeschiktheid voortaan rekening met het technisch verslag over de ongeschiktheid (volgens het model, opgenomen als bijlage II bij het uitvoeringsbesluit) :
  - vanaf 9 strafpunten kan hij een negatief advies uitbrengen;
  - vanaf 18 strafpunten is hij daartoe verplicht.
  De burgemeester kan een woning slechts ongeschikt verklaren op eensluidend advies van een gemachtigde ambtenaar. Hij is niet verplicht om het advies te volgen, maar in dat geval kan de Vlaamse regering in zijn plaats treden.
  4.4. Het beheer van de inventaris.
  4.4.1. Verwaarlozing en leegstand.
  Behoudens gegronde betwisting binnen de maand na kennisgeving van de administratieve akte, inventariseert de gemeente het gebouw of de woning in kwestie op datum van die akte.
  De inventarisformulieren, volgens het model gevoegd als bijlage IV bij het uitvoeringsbesluit, worden ter beschikking gesteld door de afdeling Financiering Huisvestingsbeleid op het ogenblik dat de gemeente belast wordt met het beheer.
  4.4.2. Ongeschiktheid en onbewoonbaarheid.
  De burgemeester laat de woningen die hij ongeschikt of onbewoonbaar heeft verklaard, opnemen in de gemeentelijke inventaris op datum van het besluit.
  Het is de bedoeling dat ook de reeds vroeger ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woningen geïnventariseerd worden, althans voorzover de woning nog ongeschikt resp. onbewoonbaar was op het moment dat het decreet in werking trad. De inventarisering gebeurt dan op datum van inwerkingtreding van het decreet, zijnde 1 januari 1996.
  Voor elk gebouw of elke woning die geïnventariseerd wordt of waarvan de op het inventarisformulier vermelde gegevens werden aangepast, dient de gemeente een eensluidend verklaard afschrift te zenden naar de afdeling Financiering Huisvestingsbeleid (adres in bijlage). De gemeente mag de formulieren voor verzending bundelen, zodat in het begin van elke maand alle formulieren van de maand voordien worden toegezonden.
  Het besluit voorziet in de mogelijkheid de inventaris op te nemen in een geautomatiseerd bestand. In dat geval wordt maandelijks een recente kopie van dat bestand overgemaakt aan voormelde afdeling. De Vlaamse minister bevoegd voor huisvesting, zal de gemeenten meedelen waar en wanneer het programma kan worden bekomen.

Artikel M5 5. De mededelingsplicht.
  5.1. De gemeente doet het beheer van de inventaris niet.
  5.1.1. Verwaarlozing en leegstand.
  De gemeenten die opteren om de vaststellingen en het beheer van de inventaris volledig over te laten aan de ambtenaren van hun provinciale afdeling ROHM, dienen aan die afdeling jaarlijks een recente lijst mee te delen van de gebouwen en woningen op hun grondgebied die volgens hen verwaarloosd zijn en/of leeg staan.
  Artikel 4, § 1, van het uitvoeringsbesluit bepaalt welke gegevens de lijst moet bevatten. Uiterlijke termijn voor indiening is 31 maart van elk jaar. Voor het jaar 1996 heeft de gemeente tijd tot 30 september.
  5.1.2. Ongeschiktheid en onbewoonbaarheid.
  De burgemeester dient onmiddellijk nadat hij bij besluit een woning ongeschikt of onbewoonbaar heeft verklaard, een eensluidend afschrift van zijn besluit naar deze afdeling te sturen. Nogmaals wordt onderstreept dat ook de oude besluiten van voor 1 januari 1996 (datum waarop het decreet in werking trad) dienen meegedeeld te worden. Wel dient de burgemeester te controleren of op 1 januari 1996 er nog sprake was van ongeschiktheid resp. onbewoonbaarheid.
  De gemeenten krijgen een vergoeding voor de belaste gebouwen en woningen op hun grondgebied die zij tijdig hebben gesignaleerd.
  5.2. De gemeente doet het beheer van de inventaris.
  Deze gemeenten voldoen aan hun mededelingsplicht door het (tijdig) verzenden van eensluidend verklaarde afschriften van de inventarisformulieren. Dit geeft hen meteen ook recht op de vergoeding voor mededeling, bovenop de vergoeding voor het beheer van de inventaris.

Artikel M6 6. De administratieve vergoeding.
  6.1. Het bedrag van de vergoeding.
  6.1.1. De gemeente doet het beheer van de inventaris niet.
  In dat geval heeft de gemeente recht op een eenmalige vergoeding voor elk gebouw/woning waarvoor aan de volgende voorwaarden is voldaan:
  a) het is op het grondgebied van de gemeente gelegen;
  b) het stond op de lijst die de gemeente meegedeeld heeft en die lijst werd tijdig meegedeeld aan de provinciale afdeling ROHM;
  c) het werd opgenomen in de inventaris;
  d) de verschuldigde heffing werd betaald.
  De vergoeding bedraagt 15 % van het gewestaandeel van de eerste heffing die voor dat gebouw of die woning werd geïnd, met een maximum van 5 000 F.
  6.1.2. De gemeente doet het beheer van de inventaris.
  In dat geval krijgt de gemeente een vergoeding voor mededeling én voor het beheer van de inventaris.
  Voor de mededeling krijgt de gemeente een vergoeding van 15% van het gewestaandeel van de eerste heffing (met een maximum van 5000F) voor elk gebouw/woning waarvoor aan de volgende voorwaarden werd voldaan :
  a) het is op het grondgebied van de gemeente gelegen;
  b) de gemeente heeft het opgenomen in zijn inventaris;
  c) een eensluidend verklaard afschrift werd tijdig overgemaakt aan de afdeling Financiering Huisvestingsbeleid;
  d) de verschuldigde heffing werd betaald.
  Voor het beheer krijgt de gemeente een vergoeding van 6% van het gewestaandeel van alle jaarlijkse heffingen voor elk gebouw/woning waarvoor aan de vier hierboven vermelde voorwaarden werd voldaan.
  6.2. De uitbetaling van de vergoedingen.
  6.2.1. De inning van de heffing gebeurt centraal.
  Het centrale ontvangkantoor stort de vergoedingen door voor het einde van de maand die volgt op de maand van de inning, gelijktijdig dus met de betaling van de eventuele opcentiemen.
  6.2.2. De inning van de heffing gebeurt door de gemeente.
  De gemeente die de heffingen zelf int, kan de vergoeding onmiddellijk afhouden evenals trouwens de eventuele opcentiemen : enkel het gewestaandeel moet worden doorgestort.
  Voor de heffingen die pas betaald werden nadat de gemeente-ontvanger of gewestelijke ontvanger van zijn taak werd ontheven, wordt het verschuldigde percentage aan de gemeente doorgestort op het einde van de maand die volgt op de maand van inning. Het teveel uitbetaalde wordt verrekend op de eerstvolgende uit te betalen vergoeding.

Artikel M7 7. De controletaak van de burgemeester bij renovatiewerken.
  Tot slot dient nog gewezen te worden op de taak van de burgemeester in de procedure om een schorsing van de heffing te bekomen wegens uitvoering van renovatiewerkzaamheden (artikel 43 van het decreet, artikel 17 van het besluit).
  De heffingsplichtige kan een schorsing bekomen als hij aantoont dat hij renovatiewerkzaamheden gaat uitvoeren aan zijn gebouw of woning. Belangrijke voorwaarde om van een schorsing te genieten, is dat de heffingsplichtige de werken moet beginnen binnen vier maanden nadat hij zijn voornemen heeft bekendgemaakt. Gelet op de definitie van de term "renovatie-werkzaamheden" in het decreet, zal hij wellicht over een bouwvergunning moeten beschikken, eventueel een schriftelijke toelating van de burgemeester als een bouwverordening dat voorziet.
  De regelgeving laat de heffingsplichtige vrij in de wijze waarop hij zijn voornemen aantoont. Wat het bewijs van het begin van de werken betreft, dient hij de burgemeester te vragen zijn verklaring dat de werken begonnen zijn, te bevestigen. De burgemeester heeft hier dus een controletaak.
  Bij de controle kan de burgemeester eveneens beoordelen of de werken dermate omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in twee jaar, in welk geval de periode van schorsing met een jaar wordt verlengd.
  De indiening van de documenten die nodig zijn voor het bekomen van een schorsing, gebeurt door de heffingsplichtige.
  Ik verzoek U, mevrouw, mijnheer de Gouverneur, de gemeentebesturen kennis te geven van deze omzendbrief en te zorgen voor een spoedige publicatie in het bestuursmemoriaal.
  Volledigheidshalve zend ik aan elk gemeentebestuur rechtstreeks een afschrift van deze onderrichtingen toe.
  Brussel, 29 april 1996.
  De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting,
  L. PEETERS

  BIJLAGEN.

Artikel N1 Bijlage I. Model voor besluit inzake opcentiemen.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B. St. 01-06-1996, p. 15185-15186).

Artikel N2 Bijlage II. Nuttige adressen.
  - Mevr. Wivina De Meester-De Meyer
  Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid
  Koolstraat 35, 3e verdieping
  1000 Brussel
  tel. 02/227 24 11
  -De heer Leo Peeters
  Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting
  Koolstraat 35, 5e verdieping
  1000 Brussel
  tel. 02/227 25 11
  -Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
  Departement Algemene Zaken en Financiën
  Afdeling Financieel Management
  Boudewijnlaan 30
  1000 Brussel
  tel. 02/507 54 05
  -Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
  Departement Leefmilieu en Infrastructuur
  Afdeling Financiering Huisvestingsbeleid
  Zandstraat 3
  1000 Brussel
  tel. 02/209 29 52
  -Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
  Departement Leefmilieu en Infrastructuur
  Afdeling ROHM Antwerpen
  Copernicuslaan 1, bus 12
  2018 Antwerpen tel. 03/224 60 11
  -Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
  Departement Leefmilieu en Infrastructuur
  Afdeling ROHM Limburg
  Gouverneur Roppesingel 25
  3500 Hasselt
  tel. 011/26 41 00
  -Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
  Departement Leefmilieu en Infrastructuur
  Afdeling ROHM Oost-Vlaanderen
  Voskenslaan 97E, 3e verdieping
  9000 Gent
  tel. 09/222 80 24
  -Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
  Departement Leefmilieu en Infrastructuur
  Afdeling ROHM Vlaams-Brabant
  Blijde Inkomststraat 103/105
  3000 Leuven
  tel. 016/24 97 77
  -Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
  Departement Leefmilieu en Infrastructuur
  Afdeling ROHM West-Vlaanderen
  Werkhuisstraat 9
  8000 Brugge
  tel. 050/44 28 11