Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
- Section :
- Législation
- Source :
- Numac 2010000488
- Auteur :
- Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het huidige koninklijk besluit beoogt vooreerst het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aan te passen ingevolge de hervorming van de asielprocedure, ingevoerd door de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Bij deze hervorming van de asielprocedure werd de rol van de Dienst Vreemdelingenzaken sterk ingeperkt. Het verschil tussen de ontvankelijkheid en de gegrondheid van een asielaanvraag en de daaraan verbonden fases voor de diverse asielinstanties werd opgeheven. De Dienst Vreemdelingenzaken treft bijgevolg geen inhoudelijke beslissingen meer over asielaanvragen. Haar rol beperkt zich tot een administratieve ondersteuning. Zij neemt de asielaanvraag in ontvangst, neemt de vingerafdrukken van de asielzoeker af, gaat na of een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, bepaalt de taal waarin de asielprocedure plaatsgrijpt, neemt een verklaring af van de vreemdeling met betrekking tot diens identiteit, herkomst en reisweg en verstrekt hem een vragenlijst waarin hij uitgenodigd wordt om de redenen die hem ertoe aanzetten om een asielaanvraag in te dienen en de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij gevlucht is, uiteen te zetten. Verder blijft de Dienst Vreemdelingenzaken de bevoegde instantie om een beslissing te treffen op verblijfsrechtelijk vlak en kan zij, indien nodig, een beslissing treffen om de vreemdeling vast te houden.
Enkel in het geval een afgewezen asielzoeker opnieuw een asielaanvraag indient, dient de Dienst Vreemdelingenzaken te onderzoeken of de asielzoeker nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op ernstige schade, en kan zij een beslissing treffen van weigering tot in overwegingname van de asielaanvraag.
Hoewel de rol van het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken in de nieuwe asielprocedure sterk gewijzigd is, heeft het huidige koninklijk besluit de procedurele rechten en garanties die voorzien waren voor de asielzoekers voor de Dienst Vreemdelingenzaken behouden en zelfs uitgebreid. Het huidige koninklijk besluit beoogt bijgevolg voornamelijk technische aanpassingen van het koninklijk besluit van 11 juli 2003. Daarnaast beoogt dit koninklijk besluit sommige bepalingen van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus en van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, om te zetten.
De Europese Commissie heeft tegen België een beroep tot ingebrekestelling ingeleid wegens de laattijdige en onvolledige omzetting van Richtlijn 2005/85/EG voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het is dus dringend om voorliggend voorstel van besluit te nemen.
Artikelsgewijze bespreking
Artikel 1 bevat de verplichte verwijzing naar de richtlijnen die door dit koninklijk besluit gedeeltelijk worden omgezet overeenkomstig artikel 38, § 1, tweede lid, van Richtlijn 2004/83/EG en artikel 43, tweede lid, van Richtlijn 2005/85/EG.
Artikel 2 voorziet in een technische aanpassing van het (vernummerd) artikel 1/1 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003. De definitie van asielzoeker wordt aangepast, rekening houdend met de invoering van de status van subsidiaire bescherming en met de definitie gebruikt in Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.
Artikelen 3 en 4 voorzien in een aantal inhoudelijke aanpassingen van de artikelen 2 en 3 van hetzelfde besluit zodat ze beantwoorden aan de waarborgen bepaald in artikel 10, § 1, a), van Richtlijn 2005/85/EG.
Artikel 10, § 1, a), van Richtlijn 2005/85/EG bevat de verplichting voor de lidstaten om alle asielzoekers, in een taal die zij redelijkerwijze geacht kunnen worden te begrijpen, in te lichten over de te volgen procedure en over hun rechten en verplichtingen tijdens de procedure, alsmede over de gevolgen die kunnen ontstaan indien zij hun verplichtingen niet nakomen of niet met de autoriteiten samenwerken. Zij moeten ook worden ingelicht over de termijnen en over de middelen waarover zij beschikken om te voldoen aan hun verplichting tot het indienen van de elementen zoals bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2004/83/EG. Deze informatie moet tijdig genoeg verstrekt worden om asielzoekers in staat te stellen de in deze richtlijn gewaarborgde rechten uit te oefenen en de in artikel 11 van de richtlijn omschreven verplichtingen na te komen.
Artikel 2 van het koninklijk besluit wordt aangepast zodat nu uitdrukkelijk wordt bepaald dat aan elke asielzoeker op het moment dat hij een aanvraag indient of op het moment dat hij zich bij de bevoegde dienst aanbiedt in het geval van artikel 51/7 van de wet, een algemene informatiebrochure ter beschikking wordt gesteld in een taal die hij redelijkerwijze geacht kan worden te begrijpen.
Artikel 3, 2° van hetzelfde besluit wordt gewijzigd gelet op het nieuw instrument dat bestaat in het kader van de bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van asielaanvragen, namelijk de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de Lidstaten wordt ingediend (« Dublin II").
Artikel 3, 3° van hetzelfde besluit wordt aangepast, rekening houdend met de invoering van de status van subsidiaire bescherming.
In artikel 3 van hetzelfde besluit wordt na bepaling 7° een nieuwe bepaling 8° ingevoegd gelet op de verplichting van de asielzoeker, zoals ook bepaald in artikel 11, § 2, b), van Richtlijn 2005/85/EG, om alle documenten die in zijn bezit zijn en die relevant zijn voor de behandeling van zijn asielverzoek te overhandigen. De documenten in kwestie worden meer in detail omschreven. Deze opsomming neemt de elementen over die de asielzoeker volgens artikel 4, §§ 1 en 2 van Richtlijn 2004/83/EG zo spoedig mogelijk moet aanvoeren om zijn aanvraag tot internationale bescherming te ondersteunen.
Artikel 3, 9° van hetzelfde besluit voorziet nu ook dat de algemene informatiebrochure inlichtingen moet omvatten over de mogelijkheden tot vasthouding tijdens de asielprocedure.
In artikel 3, 11° van hetzelfde besluit wordt voorzien dat de contactgegevens van de vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen worden opgenomen in de informatiebrochure zodat het de asielzoeker - conform artikel 10, § 1, c), van Richtlijn 2005/85/EG - mogelijk wordt gemaakt contact op te nemen met het UNHCR of met een andere organisatie die krachtens een overeenkomst met de betrokken lidstaat namens het UNHCR optreedt op het grondgebied van die lidstaat.
Artikel 5 voorziet dat in artikel 4 van hetzelfde besluit opnieuw de opsomming wordt opgenomen van de elementen die de asielzoeker overeenkomstig artikel 4, §§ 1 en 2 van Richtlijn 2004/83/EG zo spoedig mogelijk moet aanvoeren om zijn aanvraag tot internationale bescherming te ondersteunen.
Artikel 6 voorziet dat artikel 5 van hetzelfde besluit wordt aangepast zodat het conform is met de nieuwe asielprocedure.
De Dienst Vreemdelingenzaken zal de originele exemplaren van de door de asielzoeker neergelegde documenten onmiddellijk samen met de, overeenkomstig artikel 51/10 van de wet afgenomen verklaring en de eventueel tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst overmaken aan het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
Indien de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing neemt in de zin van artikel 51/5, § 3, tweede lid (bijlage 25quater /26quater - beslissing tot weigering van binnenkomst/verblijf - België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag) of artikel 51/8, eerste lid, van de wet (bijlage 13quater - beslissing van weigering tot inoverwegingname van de asielaanvraag) worden de originele exemplaren van de neergelegde documenten teruggegeven aan de asielzoeker op het moment van de kennisgeving van deze beslissing.
Artikel 7 voorziet in een verruiming van de mogelijkheden tot kennisgeving van een nieuwe datum voor een gehoor door in artikel 6 van hetzelfde besluit een algemene verwijzing naar artikel 51/2, zesde lid, van de wet op te nemen. Artikel 51/2 van de wet bepaalt immers dat de asielzoeker op verschillende manieren kan worden opgeroepen, hetzij door kennisgeving aan de persoon zelf, hetzij door kennisgeving op de gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs, hetzij door kennisgeving per fax indien de asielzoeker woonplaats heeft gekozen bij zijn raadsman. In de praktijk zal de kennisgeving van een nieuwe datum voor een gehoor meestal blijven gebeuren door kennisgeving aan de persoon zelf door een vermelding op het document van de bijlage 26 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of door afgifte van een oproepingsbrief.
Artikel 8 heft het artikel 7 van hetzelfde besluit op.
Artikel 9 voegt in artikel 8, paragraaf 1 van hetzelfde besluit twee nieuwe leden in die de garanties voor asielzoekers bij de aanvang van hun gehoor verbeteren.
Zo wordt nu in artikel 8, § 1, nieuw tweede lid van hetzelfde besluit uitdrukkelijk de verplichting voor de ambtenaar opgenomen om aan de asielzoeker uitleg te verstrekken over wat zijn rol is en die van de aanwezige tolk, en hoe het gehoor zal verlopen alsook het verdere verloop van de procedure. Ook dient de ambtenaar te verifiëren of de tolk en de asielzoeker elkaar voldoende begrijpen. Dit is in overeenstemming met de informatieplicht zoals bepaald in het hierboven reeds vermeld artikel 10, § 1, a), van Richtlijn 2005/85/EG.
Artikel 8, § 1, nieuw derde lid van hetzelfde besluit stelt, overeenkomstig artikel 13, § 2 van Richtlijn 2005/85/EG, dat het persoonlijke onderhoud moet plaatsvinden in omstandigheden die een passende geheimhouding waarborgen. Er wordt op gewezen dat de teksten die het openbaar ambt regelen, meer bepaald artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 betreffende het statuut van het rijkspersoneel, de ambtenaar verplichten tot discretie en respect voor het privéleven van anderen. De ambtenaar is tevens gehouden tot naleving van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van het privéleven.
Daarnaast voorziet artikel 9 nog in een technische aanpassing van artikel 8, paragraaf 2 van hetzelfde besluit rekening houdend met de invoering van de status van subsidiaire bescherming.
Artikel 10 voorziet in een aanpassing van artikel 9 van hetzelfde besluit teneinde artikel 17 van Richtlijn 2005/85/EG om te zetten.
Een nieuw lid wordt toegevoegd dat overeenkomstig artikel 17.4.a) van de Richtlijn 2005/85/EG stelt dat het gehoor van een niet-begeleide minderjarige asielzoeker afgenomen moet worden door een persoon die de nodige kennis heeft van de bijzondere behoeften van minderjarigen.
Deze kennis betreft de vorming die door de vormingsdienst van de Dienst Vreemdelingenzaken verspreid wordt.
Artikel 11 voorziet in een aanpassing van het opschrift van hoofdstuk V van hetzelfde besluit zodat het conform is met de nieuwe asielprocedure.
Artikel 12 voorziet in de volgende aanpassingen van artikel 10 van hetzelfde besluit :
De eerste twee paragrafen van artikel 10 van hetzelfde besluit worden aangepast zodat ze conform zijn met de nieuwe asielprocedure. In artikel 10, § 2, wordt bovendien formeel herinnerd aan het feit dat de ambtenaar een beslissing dient te treffen op individuele, objectieve en onpartijdige wijze.
Een nieuwe derde paragraaf wordt toegevoegd aan artikel 10 van hetzelfde besluit teneinde artikel 22 van Richtlijn 2005/85/EG om te zetten. Gevolg gevend aan het advies van de Raad van State van 10 juni 2009 werd in een ruimere omzetting van artikel 22 van Richtlijn 2005/85/EG voorzien aangezien een asielaanvraag in België, overeenkomstig artikel 49/3 van de wet van 15 december 1980, zowel een aanvraag om erkenning van de vluchtelingenstatus als om toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus omvat. Zo is het de ambtenaar verboden om enige informatie betreffende individuele asielaanvragen of het feit dat een asielaanvraag is ingediend, mee te delen aan de vermeende actoren van vervolging of van ernstige schade van de asielzoeker. Het is hem tevens verboden om bij de vermeende actoren van vervolging of van ernstige schade van een asielzoeker informatie in te winnen op een wijze die ertoe leidt dat deze actoren te weten komen dat de betrokken asielzoeker om asiel heeft verzocht, en er gevaar zou ontstaan voor de fysieke integriteit van deze laatste en van de personen te zijnen laste, of voor de vrijheid en veiligheid van zijn familieleden die nog in zijn land van herkomst verblijven.
Er dient te worden onderstreept dat de reglementering die het openbaar ambt regelt, meer bepaald artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 betreffende het statuut van het rijkspersoneel, de ambtenaar bovendien verplicht tot discretie en respect voor het privéleven van anderen. De ambtenaar is tevens gehouden tot naleving van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van het privéleven.
Artikel 13 voorziet in een technische aanpassing van artikel 12 van hetzelfde besluit zodat het conform is met de nieuwe asielprocedure. Ook wordt "Niveau 1" vervangen door "Niveau A" zoals beschreven in het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 betreffende de loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel.
Artikel 14 voorziet in een aantal technische aanpassingen van artikel 13, eerste lid van hetzelfde besluit rekening houdend met de nieuwe asielprocedure en de invoering van de status van subsidiaire bescherming.
Artikel 15 voorziet in een aanpassing van artikel 14, § 2, derde lid van hetzelfde besluit. Ook hier worden de mogelijkheden tot kennisgeving van een nieuwe datum voor een gehoor verruimd door een algemene verwijzing naar artikel 51/2, zesde lid, van de wet op te nemen.
Artikel 16 voorziet in een technische aanpassing van het opschrift van hoofdstuk VIII van hetzelfde besluit zodat het conform is met de bewoordingen van artikel 51/10 van de wet.
Artikel 17 voorziet in een aantal technische aanpassingen van artikel 16 van hetzelfde besluit zodat het conform is met de nieuwe asielprocedure. Daarnaast brengt het nog de volgende wijzigingen aan :
In artikel 16, eerste lid, vierde streepje van hetzelfde besluit wordt voorzien dat het identificatienummer van de aanwezige tolk mee wordt opgenomen in de verklaring. In artikel 16, eerste lid, zesde streepje, wordt voorzien dat de initialen van de ambtenaar worden opgenomen in plaats van zijn identiteit. Deze wijzigingen zijn in overeenstemming met de wet betreffende de openbaarheid van bestuur en beoogt de identiteit van de tolk en de ambtenaar te beschermen.
In artikel 16 van hetzelfde besluit wordt een nieuw tweede lid ingevoegd. Overeenkomstig artikel 51/10 van de wet verstrekt de Dienst Vreemdelingenzaken ook een vragenlijst waarin de asielzoeker wordt uitgenodigd om de redenen die hem ertoe hebben aangezet om een asielaanvraag in te dienen en de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij gevlucht is, uiteen te zetten. Deze vragenlijst is opgesteld door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen ter voorbereiding van het gehoor en het onderzoek van de asielaanvraag voor deze instantie. Deze vragenlijst kan tijdens het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken samen met de ambtenaar en de eventueel aanwezige tolk worden overlopen en ingevuld. De ambtenaar kan ook beslissen, wegens interne redenen van de dienst of op vraag van de asielzoeker, om de vragenlijst mee te geven aan de asielzoeker.
Artikel 18 voorziet in een aantal technische aanpassingen van artikel 17 van hetzelfde besluit zodat het conform is met de nieuwe asielprocedure. Bovendien wordt ook voorzien dat, in voorkomend geval, de aanwezige tolk en, in voorkomend geval, de aanwezige persoon die het ouderlijk gezag, de voogdij op basis van de nationale wet van de minderjarige of de bijzondere voogdij voorzien door de Belgische wet, uitoefent, de verklaring en, desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst moeten ondertekenen.
Indien de asielzoeker of, in voorkomend geval, de persoon die het ouderlijk gezag, de voogdij op basis van de nationale wet van de minderjarige of de bijzondere voogdij, voorzien door de Belgische wet, uitoefent, weigert de verklaring en, desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst te ondertekenen, wordt hiervan melding gemaakt op deze documenten evenals van de redenen waarom hij weigert om ze te ondertekenen.
De afgifte van het gehoorrapport dat gebruikt werd in het kader van het indienen van een dringend beroep, wordt afgeschaft ingevolge de nieuwe asielprocedure waarbij de ontvankelijkheidsfase werd opgeheven. Nu krijgt de asielzoeker een kopie van de vragenlijst indien deze tijdens het gehoor werd ingevuld.
Artikel 19 voorziet in een technische aanpassing van artikel 18 van hetzelfde besluit zodat het conform is met de nieuwe asielprocedure. Overeenkomstig artikel 51/10 van de wet dient de Dienst Vreemdelingenzaken de verklaring en desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst onmiddellijk over te maken aan het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Indien de asielzoeker aanvullende opmerkingen of stukken wenst over te maken, moet hij dit rechtstreeks aan het Commissariaat-generaal doen. Enkel indien de asielaanvraag in het kader van artikel 51/8 of 51/5 van de wet wordt onderzocht en op de dag van het gehoor nog geen beslissing werd ter kennis gebracht, kan de asielzoeker aanvullende opmerkingen of stukken overmaken aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Nu wordt ook voorzien dat hij dit kan doen door afgifte tegen ontvangstbewijs, terwijl het in de bestaande reglementering in principe enkel mogelijk is per aangetekend schrijven.
Artikel 20 en artikel 21 voorzien in een technische aanpassing van het opschrift van hoofdstuk IX en van artikel 19 van hetzelfde besluit zodat ze conform zijn met de nieuwe asielprocedure.
Artikel 22 voorziet in de opheffing van artikel 20 van hetzelfde besluit vermits dit artikel een herhaling omvat van bepalingen die reeds elders geregeld zijn.
Zoals de Raad van State in zijn advies er op wees wordt de verplichting tot het verstrekken van informatie omtrent de mogelijkheden tot vasthouding, reeds opgenomen in artikel 3, 9° van hetzelfde besluit, zoals gewijzigd door artikel 4, e) van dit ontwerp.
Het ter beschikking stellen van het huishoudelijk reglement van de plaats waar hij wordt vastgehouden wordt reeds voorzien in artikel 18 van het koninklijk besluit van 8 juni 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op welbepaalde plaatsen, gesitueerd in het grensgebied, voorzien in artikel 74/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en in artikel 17 van het Koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Ik heb de eer te zijn,
Sire
van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige
en zeer getrouwe dienaar,
De Vice-Eerste Minister
en Minister belast met het Migratie- en asielbeleid,
Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid,
M. WATHELET
ADVIES 46.693/4 VAN 10 JUNI 2009 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 15 mei 2009 door de Minister van Migratie- en Asielbeleid verzocht haar, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen", heeft het volgende advies gegeven :
Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Voorafgaande vormvereisten
1. Hoewel, zoals de inspecteur van Financiën erop wijst, het ontworpen besluit geen substantiële budgettaire weerslag heeft, behoeft het de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting. Uit het aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State ter fine van advies toegezonden dossier blijkt evenwel niet dat deze akkoordbevinding voorhanden is.
Er dient voor gezorgd te worden dat dit vormvoorschrift naar behoren wordt vervuld.
2. In zoverre artikel 10 van het ontwerp (ontworpen artikel 10) de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken in de uitoefening van hun taak soortgelijke verplichtingen oplegt als die waarin wordt voorzien in een bepaling van het besluit dat ontstaan heeft gegeven aan het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna het "koninklijk besluit van 11 juli 2003"), geeft het aanleiding tot dezelfde opmerking als die welke onder deze bepaling is gemaakt in advies 34.744/4, dat op 2 april 2003 is verstrekt over het genoemde ontwerp (1).
Bijzondere opmerkingen
Dispositief
Artikel 1 (nieuw)
Zoals in het verslag aan de Koning wordt aangegeven, zet het ontwerpbesluit deels Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 om inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, alsmede richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (hierna "Richtlijn 2005/85/EG").
Overeenkomstig respectievelijk artikel 38, lid 1, tweede alinea, en artikel 43, tweede alinea, van deze richtlijnen moet zulks worden vermeld in een nieuw artikel 1.
Artikel 2
Zoals vermeld in het verslag aan de Koning, strekt artikel 2 van het ontwerp ertoe artikel 2 van het besluit van 11 juli 2003 te wijzigen om rekening te houden met artikel 10, lid 1, a), van Richtlijn 2005/85/EG. Deze bepaling schrijft onder meer voor dat asielzoekers een reeks inlichtingen moeten krijgen gesteld "in een taal die zij redelijkerwijze geacht kunnen worden te begrijpen" ("dans une langue dont il est raisonnable de supposer qu'ils la comprennent").
In de Franse versie van de ontworpen bepaling worden niet exact dezelfde woorden gebezigd (als in de richtlijn), maar er wordt gepreciseerd dat de algemene informatiebrochure gesteld moet zijn "dans une langue [que le demandeur d'asile] est censé conmprendre raisonnablement".
Op de vraag waarom er een verschil is in formulering, heeft de gemachtigde van de minister geantwoord dat het niet de bedoeling was de tekst anders te redigeren dan in Richtlijn 2005/85/EG.
De Franse versie van artikel 2 van het ontwerp moet dus worden gewijzigd om de juiste bewoordingen over te nemen van artikel 10, lid 1, a), van Richtlijn 2005/85/EG (2).
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 20 van het ontwerp.
Artikel 7
Artikel 7 van het ontwerp strekt ertoe artikel 7 van het besluit van 11 juli 2003 te vervangen door de volgende bepaling :
« Indien de asielzoeker zich niet aanmeldt bij de bevoegde dienst op de datum vastgesteld voor het gehoor maar binnen de vijftien dagen na het verstrijken van deze datum gevolg geeft aan de oproeping, zal zijn asielaanvraag verder behandeld worden. »
In het verslag aan de Koning wordt gepreciseerd dat dit artikel "de situatie (beoogt) tegengesteld aan artikel 51/5, § 1, vijfde lid van de wet [van 15 december 1980]" (3).
Dit artikel luidt :
"Indien de vreemdeling binnen de vijftien dagen na verzending geen gevolg geeft aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen, wordt hij geacht afstand gedaan te hebben van zijn asielaanvraag."
Naast het feit dat de ontworpen bepaling niet exact aansluit bij de in de wet gebezigde bewoordingen, is ze overbodig omdat uit artikel 51/5, § 1, vijfde lid, van de wet van 15 december 1980 ambtshalve kan worden afgeleid dat de vreemdeling die reageert binnen de bij deze bepaling toegemeten termijn, niet geacht kan worden "afstand gedaan te hebben van zijn asielaanvraag" en dat deze aanvraag bijgevolg verder behandeld wordt zonder dat de asielzoeker een nieuwe aanvraag hoeft in te dienen.
Artikel 7 moet bijgevolg vervallen.
In dat verband wordt in het document met als opschrift "Omzettingstabel Richtlijn 2005/85/EG van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus", dat bij de adviesaanvraag is gevoegd, met betrekking tot artikel 20, lid 2, eerste alinea, van deze richtlijn, verwezen naar artikel 51/8, tweede lid (4), van de wet van 15 december 1980 (5). De afdeling Wetgeving vraagt zich evenwel af of niet veeleer ofwel verwezen zou moeten worden naar artikel 51/5, § 1, vijfde lid, van dezelfde wet, ofwel terzelfder tijd naar die beide bepalingen.
Artikel 10
Terwijl het ontworpen artikel 10, § 3, doelt op "elke asielaanvraag" in de zin van artikel 49/3 van de wet van 15 december 1980, te weten elke aanvraag om erkenning van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, wordt in de ontworpen tekst alleen verwezen naar het begrip "vermeende actoren van vervolging", een begrip dat specifiek is voor de status van vluchteling.
Opdat "de subsidiaire beschermingsstatus" in de zin van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 naar behoren in aanmerking wordt genomen, dient de uitdrukking "vermoedelijke actoren van vervolgingen of ernstige schade" (6) te worden gebezigd.
Artikel 20
Bij deze bepaling behoren de volgende twee opmerkingen te worden gemaakt :
a) in zoverre artikel 20 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 bepaalt "Naast de informatie bedoeld in Hoofdstuk II, ontvangt de asielzoeker aan de grens specifieke informatie over de mogelijkheid om vastgehouden te worden gedurende de asielprocedure", vormt het een doublure met wat reeds wordt bepaald in artikel 3, 9°, van hetzelfde besluit, zoals het wordt gewijzigd bij artikel 3, d), van het ontwerp;
b) in zoverre datzelfde artikel 20 bepaalt dat de asielzoeker die aan de grens wordt vastgehouden op basis van artikel 74/5 van de wet van 15 december 1980 "het huishoudelijk reglement (ontvangt) van de plaats waar hij wordt vastgehouden, opgesteld in een taal die hij begrijpt", moet de steller van het ontwerp toezien op de samenhang tussen deze bepaling van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 en de bepalingen van het koninklijk besluit houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op welbepaalde plaatsen, gesitueerd in het grensgebied, voorzien in artikel 74/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen" waarover de afdeling Wetgeving op 18 mei 2009 advies 46.498/4 heeft uitgebracht.
Artikel 21
Uit artikel 21 van het ontwerp volgt dat het besluit onverwijld in werking treedt op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Tenzij er een specifieke reden bestaat om af te wijken van de gangbare termijn van inwerkingtreding bepaald door artikel 6, eerste lid, van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, dient in beginsel te worden afgezien van de onmiddellijke inwerkingtreding teneinde elkeen een redelijke termijn te geven om kennis te nemen van de nieuwe regels (7).
De kamer was samengesteld uit :
De heren :
Ph. Hanse, kamervoorzitter,
P.Liénardy, J. Jaumotte, staatsraden,
Mevr. C. Gigot, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door Mevr. L. Vancrayebeck, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.
De griffier,
C. Gigot.
De voorzitter,
Ph. Hanse.
_______
Nota
(1) Zie de opmerking die onder artikel 12 wordt gemaakt.
(2) Zie beginselen van de wetgevingstechniek -Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling nr. 185, http ://www.raadvst-consetat.be (10/06/2009).
(3) Zoals ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 (artikel 39, 1°, d) ).
(4) Nieuw lid, ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I).
(5) Artikel betreffende de beslissing tot weigering om een latere asielaanvraag in aanmerking te nemen.
(6) Vergelijk met artikel 48/5, § 1, van de wet van 15 december 1980. Zie eveneens artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2005/85/EG.
(7) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab Wetgevingstechniek, aanbeveling nr. 151, a), www.raadvst-consetat.be (10/06/2009).
ADVIES 48.473/2/V VAN 26 JULI 2010 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede vakantiekamer, op 28 juni 2010 door de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, toegevoegd aan de Minister belast met Migratie- en asielbeleid, en wat de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid betreft, toegevoegd aan de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen", heeft het volgende advies gegeven :
Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Voorafgaande opmerking
Het ontwerpbesluit is een nieuwe versie van een tekst waarover de afdeling Wetgeving van de Raad van State op 10 juni 2009 advies 46.693/4 gegeven heeft.
Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft; het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven.
Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen over de inhoud waarvan de afdeling Wetgeving zich niet heeft kunnen uitspreken bij het oorspronkelijke onderzoek van het dossier : in zo'n geval moet de afdeling Wetgeving weer om advies worden verzocht, welk advies dan alleen op de nieuwe bepalingen betrekking heeft.
Dat geldt ook niet wanneer na het eerste advies nieuwe juridische gegevens opduiken, die kunnen rechtvaardigen dat de tekst door de afdeling Wetgeving wederom wordt onderzocht : in zo'n geval heeft het nieuwe onderzoek van de tekst betrekking op de weerslag van die nieuwe juridische gegevens op de betrokken regeling. Blijkbaar is zulks in casu niet het geval.
Gelet op hetgeen voorafgaat, dient de afdeling Wetgeving in dit geval enkel en alleen de volgende bepalingen of onderdelen van bepalingen van het ontwerpbesluit te onderzoeken :
1° wat artikel 4 betreft :
a) onderdeel a), voor zover daarbij, in artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de woorden "met inbegrip van de beroepsmogelijkheden" worden ingevoegd;
b) onderdeel c) ;
2° in de artikelen 6, 2°, 11 tot 14 en 19, de vermelding van de beslissingen waarin voorzien is of die genomen zijn in het kader van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980;
3° artikel 10;
4° artikel 17, voor zover daarbij, in de eerste zin van artikel 16, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, de woorden "onmiddellijk na het gehoor" vervangen worden door de woorden "tijdens het gehoor";
5° artikel 18, voor zover daarbij, in het ontworpen artikel 17, derde lid, de woorden "of, in voorkomend geval, de aanwezige persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent op basis van de nationale wet van de minderjarige of die de bijzondere voogdij, voorzien door de Belgische wet, uitoefent" worden ingevoegd;
6° de artikelen 20 en 21.
Algemene opmerking
In verschillende ontworpen bepalingen is sprake van de beslissingen waarin voorzien is of die genomen zijn in het kader van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980.
Aangezien de laatstgenoemde bepaling echter voorziet in verschillende types van beslissingen, zou de ontworpen tekst opnieuw moeten worden onderzocht om, daar waar dit noodzakelijk is, nader aan te geven om welk type van beslissing in de zin van artikel 51/5 het gaat.
Zo bijvoorbeeld blijkt in artikel 6, 2° van het ontwerp (ontworpen artikel 5, nieuw tweede lid) dat de beslissing "in de zin van artikel 51/5 van de wet" alleen betrekking lijkt te hebben op de beslissing dat België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Indien dit het geval is, moet zulk een verduidelijking in de ontworpen tekst worden opgenomen.
Bijzondere opmerkingen
Dispositief
Artikelen 4 en 10
1. In hun huidige versie bepalen de artikelen 3, 5°, en 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 dat de niet-begeleide minderjarige asielzoeker jonger dan achttien jaar, tijdens zijn gehoor door de ambtenaar van de bevoegde dienst, wordt bijgestaan door de persoon die over hem de bijzondere voogdij bepaald door de Belgische wet uitoefent.
Volgens de wijzigingen die men van zins is via de onderzochte artikelen in deze bepalingen aan te brengen, zou deze bijstand voortaan ook kunnen worden verleend door de persoon die over de niet-begeleide minderjarige asielzoeker jonger dan achttien jaar "de voogdij op basis van de nationale wet van de minderjarige uitoefent".
Enerzijds mag evenwel niet uit het oog verloren worden dat uit titel XIII, hoofdstuk 6, van de programmawet (I) van 24 december 2002 volgt dat over elke niet-begeleide minderjarige asielzoeker jonger dan achttien jaar de specifieke voogdij dient te worden uitgeoefend die bij die artikelen geregeld wordt (1) en anderzijds dat een minderjarige die tijdens zijn gehoor bijgestaan wordt door degene die over hem "de voogdij op basis van de nationale wet van de minderjarige" uitoefent waarvan in de ontworpen tekst sprake is - of het ouderlijk gezag - per definitie niet als "niet-begeleid" kan worden beschouwd (2).
Het is slechts denkbaar een minderjarige asielzoeker jonger dan achttien jaar te laten bijstaan door de persoon die over hem de voogdij op basis van de nationale wet van de minderjarige - of het ouderlijk gezag - uitoefent, als de betrokkene niet aan het kenmerk "niet-begeleid" beantwoordt.
De tekst moet dienovereenkomstig worden herzien.
2. Wat betreft de bepaling die, volgens artikel 10, artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 moet worden, dient op zijn minst in het verslag aan de Koning te worden aangegeven waarmee de in de tekst genoemde "nodige kennis van de bijzondere behoeften van minderjarigen" moet overeenstemmen (3).
Slotopmerking
Met toepassing van artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, moet het advies van de afdeling Wetgeving samen met het verslag aan de Koning in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt. In casu moet er om de adressaten van de handeling volledig te informeren voor gezorgd worden dat niet alleen dit advies, maar ook advies 46.693/4, gegeven op 10 juni 2009 (waarnaar het verslag aan de Koning over het thans onderzochte ontwerp verschillende malen verwijst), wordt bekendgemaakt.
De kamer was samengesteld uit :
De heren :
J. Jaumotte, staatsraad, voorzitter,
M. Pâques, L. Detroux, staatsraden,
Mevr. B. Vigneron, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de H. B. Jadot, eerste auditeur-afdelingshoofd.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. Jaumotte.
De griffier,
B. Vigneron.
De voorzitter,
J. Jaumotte.
_______
Nota
(1) Zie inzonderheid de artikelen 5, 6 en 8 van titel XIII, hoofdstuk 6, van de programmawet (I) van 24 december 2002.
(2) Artikel 5, tweede streepje, van titel XIII, hoofdstuk 6, van de programmawet (I) van 24 december 2002 bevestigt uitdrukkelijk dat een minderjarige begeleid door een persoon die krachtens de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht de voogdij - of het ouderlijk gezag - uitoefent, niet als "niet-begeleid" kan worden beschouwd voor de toepassing van de bepalingen betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Zie eveneens artikel 24, § 1, 1°, van titel XIII, hoofdstuk 6, van programmawet (I) van 24 december 2002, welke bepaling als volgt luidt : "De voogdij wordt van rechtswege beëindigd (...) wanneer de minderjarige wordt toevertrouwd aan de persoon die krachtens de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent".
(3) Vergelijk mutatis mutandis met de opmerking onder artikel 2 in advies 46.694/4 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, gegeven op 10 juni 2009 over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
18 AUGUSTUS 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de Grondwet, artikel 108;
Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikel 51/2, ingevoegd door de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd door de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996, 22 december 2003 en 15 september 2006, artikel 51/4, ingevoegd door de wet van 10 juli 1996 en gewijzigd door de wetten van 22 december 2003 en 15 september 2006, artikel 51/5, ingevoegd door de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd door de wetten van 18 februari 2003, 22 december 2003 en 15 september 2006, artikel 51/8, ingevoegd door de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd door de wetten van 15 september 2006 en 22 december 2008, artikel 51/10, ingevoegd door de wet van 15 september 2006;
Gelet op het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 30 maart 2009 en op 29 april 2010;
Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 18 juni 2010;
Gelet op het advies 46.693/4 van de Raad van State, gegeven op 10 juni 2009, en gelet op het advies 48.473/2/V van de Raad van State, gegeven op 26 juli 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Migratie- en asielbeleid en de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid,
Besluit :
Artikel 1. In hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt voor het vroegere artikel 1, dat vernummerd wordt tot artikel 1/1, een nieuw artikel 1 ingevoegd, luidende :
"Artikel 1. Dit koninklijk besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus en van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming."
Art. 2. In het vroegere artikel 1 van hetzelfde besluit, dat vernummerd wordt tot artikel 1/1, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
"2° de asielzoeker : de vreemdeling die een aanvraag tot erkenning van de vluchtelingenstatus of tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus heeft ingediend;"
Art. 3. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de woorden "ter beschikking gesteld op het moment waarop hij zich vluchteling verklaart of zijn aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling indient overeenkomstig artikel 50, 50bis of 51 van de wet" vervangen door de woorden ", opgesteld in een taal die hij redelijkerwijze geacht kan worden te begrijpen, ter beschikking gesteld op het moment waarop hij een asielaanvraag indient overeenkomstig artikel 50, 50bis, 50ter of 51 van de wet".
Art. 4. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° de toepassing van de Verordening (EG) Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de lidstaten wordt ingediend en de gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien met inbegrip van de beroepsmogelijkheden";
b) de bepaling onder 3° wordt aangevuld met de woorden "alsook de criteria die aanleiding kunnen geven tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/4 van de wet";
c) in de bepaling onder 5° worden de woorden "de volgens zijn nationale wet minderjarige asielzoeker om," vervangen door de woorden "de minderjarige asielzoeker, jonger dan achttien jaar, om, in voorkomend geval,"
d) na de bepaling onder 7° wordt een nieuwe bepaling ingevoegd, luidende :
"8° de verplichting van de asielzoeker om zo spoedig mogelijk alle documenten voor te leggen waarover hij beschikt en die relevant zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag, met name alle documenten over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere asielaanvragen, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten, alsook elk ander stuk ter ondersteuning van zijn asielaanvraag;";
e) de vroegere bepaling onder 8° wordt de bepaling onder 9° en wordt aangevuld met de woorden "en inlichtingen over de mogelijkheden tot vasthouding tijdens de asielprocedure";
f) de vroegere bepaling onder 9° wordt de bepaling onder 10°;
g) de vroegere bepaling onder 10° wordt de bepaling onder 11° en wordt aangevuld met de woorden "alsook de contactgegevens van de vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen".
Art. 5. In artikel 4 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "met name alle documenten over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere asielaanvragen, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten, alsook elk ander stuk ter ondersteuning van zijn asielaanvraag".
Art. 6. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "op het ogenblik van het nemen van de beslissing" worden vervangen door de woorden "samen met de verklaring en, desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst";
2° dit artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Indien een beslissing in de zin van artikel 51/8, eerste lid, of artikel 51/5, § 3, tweede lid, van de wet aan de asielzoeker wordt betekend, worden de originele exemplaren van de neergelegde documenten aan hem teruggegeven. De teruggave wordt genoteerd op het door de asielzoeker eerder ontvangen ontvangstbewijs."
Art. 7. In artikel 6, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden "de hiervoor vastgestelde datum aangeduid op het document overeenkomstig het model van de bijlage 26 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat wordt afgeleverd aan de asielzoeker overeenkomstig artikel 71/4, 73, 78 of 79 van hetzelfde besluit" vervangen door de woorden "een nieuwe datum vastgesteld en ter kennis gebracht aan de asielzoeker overeenkomstig artikel 51/2, zesde lid, van de wet".
Art. 8. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt opgeheven
Art. 9. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"De ambtenaar verduidelijkt de asielzoeker zijn rol en, in voorkomend geval, die van de aanwezige tolk. Hij legt het verloop van het gehoor en het verdere verloop van de asielprocedure uit en verifieert of de asielzoeker en de tolk elkaar voldoende begrijpen.
Het gehoor vindt plaats in omstandigheden die een passende geheimhouding waarborgen."
2° In paragraaf 2 worden de woorden "de vervolging verband houdt met" vervangen door de woorden "de asielmotieven verband houden met".
Art. 10. Artikel 9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden "kan de volgens zijn nationale wet minderjarige asielzoeker, worden bijgestaan" vervangen door de woorden "zal de minderjarige asielzoeker, jonger dan achttien jaar, in voorkomend geval, worden bijgestaan";
2° Dit artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De ambtenaar van de bevoegde dienst belast met het gehoor van een minderjarige asielzoeker moet over de nodige kennis van de bijzondere behoeften van minderjarigen beschikken."
Art. 11. In het opschrift van hoofdstuk V van hetzelfde besluit worden de woorden "het onderzoek van de asielaanvraag en de beslissing voorzien in artikel 52, § 5, van de wet" vervangen door de woorden "met het onderzoek van de asielaanvragen en de beslissingen voorzien in de artikelen 51/8 of 51/5 van de wet".
Art. 12. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 10. § 1. De ambtenaren van de bevoegde dienst belast met het gehoor delen aan de asielzoeker mee dat hij de vragen op een zo correct mogelijke wijze moet beantwoorden en informeren hem over de risico's die hij loopt in het kader van het onderzoek van zijn aanvraag indien deze raadgevingen niet worden opgevolgd.
§ 2. De ambtenaren van de bevoegde dienst belast met het onderzoek van de asielaanvraag en de beslissing voorzien in de artikelen 51/8 of 51/5 van de wet, nemen alle inlichtingen waarover ze beschikken met betrekking tot de situatie van de asielzoeker in overweging. Zij nemen een beslissing op individuele, objectieve en onpartijdige wijze.
§ 3. De ambtenaren van de bevoegde dienst belast met het gehoor en de ambtenaren van de bevoegde dienst belast met het onderzoek van de asielaanvraag en de beslissing voorzien in de artikelen 51/8 of 51/5 van de wet, delen de informatie betreffende individuele asielaanvragen of het feit dat een asielaanvraag is ingediend, niet mee aan de vermeende actoren van vervolging of van ernstige schade van de asielzoeker.
Zij winnen bij de vermeende actoren van vervolging of van ernstige schade van de asielzoeker geen informatie in op een wijze die ertoe leidt dat deze actoren te weten komen dat de betrokken asielzoeker om asiel heeft verzocht, en er gevaar zou ontstaan voor de fysieke integriteit van de asielzoeker en voor de personen te zijnen laste, of voor de vrijheid en veiligheid van zijn familieleden die nog in het land van herkomst verblijven."
Art. 13. In artikel 12 van hetzelfde besluit worden de woorden "een agent van niveau 1" vervangen door de woorden "een ambtenaar van niveau A" en worden de woorden "artikel 52, § 5," vervangen door de woorden " de artikelen 51/8 of 51/5".
Art. 14. In artikel 13, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 52, § 5," vervangen door de woorden "de artikelen 51/8 of 51/5" en worden de woorden "de wettelijke bepalingen die betrekking hebben op de subsidiaire beschermingsstatus," ingevoegd tussen de woorden "Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen" en de woorden "de mensenrechtenverdragen".
Art. 15. In artikel 14, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "en, naargelang het geval, worden aangeduid op het document bedoeld in artikel 6, § 2, of verzonden naar de gekozen woonplaats van de asielzoeker overeenkomstig artikel 51/2, lid 6, van de wet" vervangen door de woorden "en ter kennis worden gebracht aan de asielzoeker overeenkomstig artikel 51/2, zesde lid, van de wet".
Art. 16. In het opschrift van hoofdstuk VIII wordt het woord "Gehoorverslag" vervangen door de woorden "Verklaring en vragenlijst".
Art. 17. In artikel 16 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden "onmiddellijk na het gehoor een verslag" vervangen door de woorden "tijdens het gehoor een verklaring" en worden de woorden "Het gehoorverslag" vervangen door de woorden "De verklaring";
2° in het eerste lid, vierde streepje, worden de woorden "met vermelding van zijn identificatienummer" ingevoegd tussen de woorden "de eventuele aanwezigheid van een tolk" en de woorden "evenals de eventuele door de asielzoeker gevraagde verandering van tolk";
3° in het eerste lid, zesde streepje, wordt het woord "de identiteit" vervangen door het woord "de initialen";
4° het tweede lid wordt vervangen door twee nieuwe leden, luidende :
"Indien de asielaanvraag behandeld wordt in het kader van artikel 51/10 van de wet, verstrekt de ambtenaar van de bevoegde dienst ook een vragenlijst. Deze vragenlijst kan tijdens het gehoor samen met de asielzoeker en, in voorkomend geval, met behulp van een tolk door de ambtenaar worden overlopen en ingevuld. De asielzoeker ontvangt een kopie van de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst en een ontvangstbewijs.
De verklaring en, desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst geven getrouw de vragen weer die aan de asielzoeker zijn gesteld, alsook diens antwoorden. De verklaring en, desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst vermelden ook de toevoegingen en opmerkingen die tijdens het gehoor werden gemaakt door de asielzoeker of, in voorkomend geval, door de persoon die over hem het ouderlijk gezag, de voogdij op basis van de nationale wet van de minderjarige of de bijzondere voogdij, voorzien door de Belgische wet, uitoefent."
Art. 18. Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 17. De verklaring en, desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst worden voorgelezen, in voorkomend geval, met behulp van een tolk en, indien nodig, verbeterd.
Ze worden gedateerd en ondertekend door de ambtenaar van de bevoegde dienst, de asielzoeker, de, in voorkomend geval, aanwezige tolk en de, in voorkomend geval, aanwezige persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent op basis van de nationale wet van de minderjarige of die de bijzondere voogdij, voorzien door de Belgische wet, uitoefent.
Indien de asielzoeker of, in voorkomend geval, de aanwezige persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent op basis van de nationale wet van de minderjarige of die de bijzondere voogdij, voorzien door de Belgische wet, uitoefent, weigert de verklaring en, desgevallend, de tijdens het gehoor ingevulde vragenlijst te ondertekenen, wordt hiervan melding gemaakt op deze documenten evenals van de redenen waarom hij weigert om ze te ondertekenen."
Art. 19. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 18. Indien de asielaanvraag in het kader van de artikelen 51/8 of 51/5 van de wet wordt onderzocht en op de dag van het gehoor nog geen beslissing werd ter kennis gebracht aan de asielzoeker, kan hij aanvullende opmerkingen of stukken overmaken aan de bevoegde dienst belast met het onderzoek van de asielaanvraag via aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs. De bevoegde dienst zal rekening houden met de opmerkingen en stukken die aan haar op een ter zake nuttig tijdstip werden overgemaakt."
Art. 20. In het opschrift van hoofdstuk IX worden de woorden "artikel 52, § 5," vervangen door de woorden "artikel 51/8, eerste lid of artikel 51/5, § 3, tweede lid,".
Art. 21. In artikel 19 van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 52, § 5," vervangen door de woorden "artikel 51/8, eerste lid, of artikel 51/5, § 3, tweede lid,".
Art. 22. Artikel 20 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 23. Dit besluit treedt in werking de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 24. De minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, op 18 augustus 2010.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Migratie- en asielbeleid
Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid,
M. WATHELET